Terug naar de wetenschap Naar het overzicht in het kort.

B.H.Stolte.

Stolte noemde Tacitus eens een "onhebbelijke taalbederver" en "een snob, die schreef voor snobs." Kwam dit voort uit het niet begrijpen van Tacitus? Of dacht Stolte het Latijn beter te kennen dan Tacitus zelf? Zo verweet Stolte ook Albert Delahaye eens, dat hij geen Latijn kende en dat hij keer op keer het Latijn verkeerd vertaalde. Als je Tacitus een "taalbederver" noemt, begrijp je de visie van Delahaye op de werken van Tacitus waarschijnlijk net zo min.


B.H. Stolte.

Gelukkig, zo betoogde Stolte, we kunnen weer gerust zijn. We kunnen trots blijven op de roemrijke Bataven uit onze geschiedenis. Zij hébben in de Betuwe gewoond!


Nijmegen is tóch Noviomagum.

Nijmegen blijft dus Noviomagum, de hoofdstad der Bataven. Dit feit is niet weg te praten en zeker niet op de slordige en onwetenschappelijke manier van de heer Delahaye.

Dat de redactie van A.& O. de heer Delahaye ruimte bood voor een weerwoord en hij dat geweigerd zou hebben, is een pertinente leugen. Voor het verschijnen heeft Delahaye de betreffende brochure niets eens gezien. Na contact opgenomen te hebben met de redactie na het verschijnen van deze brochure, bleek er gewoon sprake te zijn van bewuste kwaadwilligheid. De redactie wilde (blijkbaar) kost wat kost de historische traditie redden. Met enkele leugens meer zal ook hiervan geen sprake zijn. De historische traditie is niet meer te redden, zelfs niet met leugens, waarop zij al te lang gestoeld is geweest.

In 1938 publiceerde Stolte een verhandeling over de Romeinse wegen in het land der Bataven en de Tabula Peutingeriana, om een aantal bij zijn opponenten voorkomende misvattingen te weerleggen. Stolte was er toen overigens van overtuigd, dat veel, al te veel, nog hypothese was.

De eenduidigheid in de historische geografie bleek er toen ook al niet te zijn, net zo min als die er tegenwoordig is.

Prof. dr. B.H.Stolte noemde het boek "Het mysterie van de Keizer Karelstad" van Delahaye uit 1958 slordig en onwetenschappelijk. Dat er wat onvolkomenheden in zaten heeft ook Delahaye later niet ontkend. Niet vergeten mag worden dat hij toen aan het begin van zijn omvangrijke studie stond en onmogelijk alle details al bestudeerd kon hebben. Stolte doorzag alle consequenties al en viel Delahaye slechts aan op zaken die hij nog niet of nog niet volledig had uitgewerkt. Zijn boek uit 1965 heeft dit gemis ruimschoots goedgemaakt. Maar op de kern van de vraag, namelijk de verwarring die er tussen Noyon en Nijmegen, een mysterie bestond, heeft Delahaye nooit enige weerlegging gekregen. Het werd gewoon ontkend.

B.H.Stolte heeft in al zijn verwerpingen over het werk van Delahaye nooit de Cosmographie van de Anonymus Ravennas, de z.g. Geograaf van Ravenna, aangehaald, waarover hij nochtans alles zou moeten weten. Hij is er in 1949 immers op gepromoveerd tot doctor in de letteren en wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam.

Nijmegen is tóch Noviomagum.
Van de hand van Stolte is katern 724 van de AO reeks van 29 aug.1958 "Nijmegen is tóch Noviomagum". Hierin doet Stolte een poging de bewijzen die Delahaye aanvoert in zijn boek "Het mysterie van de Keizer Karelstad" uit 1958 te weerleggen. We gaan zijn redenering en weerleggingen een voor een na. Het geeft tevens een mooi beeld van de stand van de wetenschap op dat moment en de feiten die men hanteerde om aan te tonen dat Nijmegen wel degelijk het Romeinse en Karolingische Noviomagus was. Allereerst gaat Stolte voornamelijk in op de vorm en het gebruik van de Peutingerkaart. Dit betoog geeft geen enkel bewijs ten gunste van Nederland, noch van Nijmegen. De overige "bewijzen" worden hieronder 'kolomsgewijs' besproken.

De stelling van Stolte.
De opvatting van Delahaye.
Delahaye beschouwt de kaart van Peutinger als een fundament, schrijft Stolte. Hiermee staat of valt zijn hele theorie. De theorie van Delahaye is allerminst alleen afhankelijk van de Peutingerkaart. Dat heeft Stolte niet goed begrepen. Naast opmerkingen over deze kaart geeft Delahaye ook vele teksten waarin het genoemde Noviomagus geen betrekking op Nijmegen kan hebben gehad. Delahaye geeft uitvoerige verklaring en een heldere bewijsvoering omtrent de naam Noviomagus in geschriften, de Batua, de doublures, de Noormannen, en de dwaalwegen der geografie.
Men heeft gedacht dat de kaart uit 365 n.Chr. stamde, maar dit jaartal is zeer twijfelachtig. De drie steden Rome, Constantinopel en Antiochia gaven dat aan. Maar, beweert Stolte, alleen Rome is origineel, de andere zijn latere toevoegingen op de kaart. Stolte dateert de kaart tegen de gevestigde opvattingen in dus eerder. Nader preciseren dan rond 300 lijkt Stolte niet verantwoord. Delahaye hanteerde als datum van de Peutingerkaart wel het jaar 365 en dan kan Nederland er niet meer opstaan. Immers honderd jaar eerder hadden de Romeinen ons land verlaten. Het is niet aan te nemen dat een prijsgegeven gebied dan nog op een kaart van het Romeinse rijk zou hebben gestaan, terwijl een gebied dat de Romeinen toen nog wel in bezit hadden er niet op zou staan. Slechts door de gegevens op de kaart als later toevoegingen te beschouwen kan Stolte de kaart voor Nederland blijven gebruiken.
Het is niet eenvoudig een weg van de Peutingerkaart te reconstrueren. Als de weg zelf niet wordt teruggevonden, hetgeen in ons rivierengebied tot nu toe niet altijd is gelukt, is men op een reeks vermoedens aangewezen. En dan blijft men rustig beweren dat de twee wegen in Patavia in Nederland lagen. Er is niets van teruggevonden. En al vindt men een Romeinse weg terug, dan wil dat nog niet zeggen dat het een weg van de Peutingerkaart is. De vele Romeinse wegen in België bewijzen dit, immers België staat in het geheel niet op de Peutingerkaart, net zo min als het noorde van Frankrijk (want dat is de strook die men voor Nederland gebruikt).
De meeste zekerheid met plaatsnamen heeft men als de naam uit de Romeinse tijd is blijven voortleven, zoals bij Blerick-Bleriacum en Nijmegen-Noviomagus. Bij de hantering van dit argument zal men moeten aantonen dat er continuïteit in bewoning is geweest in die plaatsen. Een plaatsnaam blijft immers niet bestaan zonder bewoners en die missen we over een grote periode. En die continuïteit is er niet, ook archeologisch is dat een bewezen feit.
Stolte geeft aan dat op de Peutingerkaart enkele namen verminkt zijn overgekomen. Op de Peutingerkaart staat Fletione en dat is Vechten, want Vechten heette immers ook Fectione. Fletione zou dus hetzelfde zijn als Fectio? Delahaye gaf juist aan dat het niet gaat om verminkingen van namen, maar om het verkeerd lezen ervan. Zo staat er op de kaart Fletione, wat in Nederland voor Fectio wordt gehouden. Cevelum leest men in Nederland als Ceuclum om er Cuijk van te kunnen maken.
Uit de Peutingerkaart en het Itinerarium Antonini (een andere bron) kan men lezen dat de afstand van Fectio (Vechten) tot Trajectum (Utrecht) 2 gallische mijlen (4,5 km) is. Hetgeen juist is. Maar dan moet eerst nog aangetoond worden dat Trajectum wel Utrecht is. En dat is niet het geval. Bovendien klopt de afstand niet, want centrum Utrecht naar fort Vechten is 6,5 km ofwel een afwijking van 45%.
Het woord Francia boven Nijmegen is een aanduiding van de volkeren die aan de overzijde van de Rijn woonden. Het woord Francia (dat is pas in de 4e eeuw voorkomt en zo een extra datering geeft) duidt als opschrift een landstreek aan. Het eronderliggende gebied is Francia.
Boven de rivier in de Patavia staat de naam Fl.Patabus en dat is de Waal. De Patavia wordt afgebeeld tot aan de zee, wat niet in overeenkomt met de werkelijkheid. Bovendien is de hele kaart sterk vertekend, behalve de Betuwe die als een smalle strook is afgebeeld. De rivier Patavia is het verlengde van de Mosa (Maas?) en dat klopt niet in Nederland met Maas en Waal. Stolte vergeet te vermelden dat Noviomagus in de Patavia afgebeeld staat en Nijmegen ligt niet in de Betuwe, maar ertegnover.
Het is begrijpelijk dat Delahaye de Bataven Kelten noemt, want Germanen in Noord-Frankrijk waren immers niet mogelijk. Tacitus noemt de Bataven in zijn Germania immers Germanen. Tacitus schrijft dat de Bataven woonden op de grens van Gallië en Germanië, die zich onderscheidde in de taal. Tacitus gebruikt het woord taalgrens niet, maar dáár woonden de Bataven: op de taalgrens. En ten noorden van de taalgrens woonden de Germanen. Bij Germanië moet men de dwanggedachtte dat het hier over Duitsland gaat loslaten. Er woonden ook Germanen in Noord-Frankrijk.
Alle bewijzen van Delahaye worden gedraaid en gewrongen in de richting die bij zijn opvatting past. Het overige verwaarloost hij. Nijmegen heeft vóór de 12e eeuw niet de naam Noviomagus gedragen. dat kan men constateren door de totale afwezigheid van Nijmegen in de bronnen, niet alleen in Nijmegen zelf, maar ook in nabije en verre omliggende gebieden.
Alle bewijzen van Delahaye worden gedraaid en gewrongen in de richting die bij zijn opvatting past. Het overige verwaarloost hij. De talloze teksten over de Noormannen, waarin Noviomagus in verband met de Batua wordt geneomd, zijn evenzoveel bewijzen voor de juiste ligging van het karolingisch paleis te Noyon.
Op het punt van de identificatie van de rivier Oise met Vahalis heeft Stolte gelijk gekregen. Die stelling bleek inderdaad onhoudbaar. Dat was inderdaad een iets te voorbarige conclusie van Albert Delahaye, die hij -met dank aan Stolte- in latere werken dan ook volledig heeft herzien. De Vahalis is in zijn laatste boek (Germania = Frans Vlaanderen) de Bachalys ofwel de beek van de Lys. Dit heeft Delahaye pas in 1984 ontdekt, zodat ook een aantal teksten in zijn boek "De Ware Kijk Op" herzien moeten worden.
Alle bewijzen van Delahaye worden gedraaid en gewrongen in de richting die bij zijn opvatting past. Het overige verwaarloost hij. Uit de topografie van Nijmegen kan met vrijwel volledige zekerheid worden afgeleid, dat de stad vóór de 12e eeuw geen burcht of een paleis heeft gehad kan hebben. De burcht en de stad werden gesticht als twee onderscheiden en van elkaar verwijderde territoria.
Alle bewijzen van Delahaye worden gedraaid en gewrongen in de richting die bij zijn opvatting past. Het overige verwaarloost hij. In Nijmegen ontbreken de relicten die men in Aken, waar onmiskenbaar wel een palies van Karel de Grote heeft gestaan, wel vindt en die rechtstreeks voortgekomen zijn uit de aanwezigheid van het palies, zoals (stads-)rechten, wetgeving en bestuur. In Nijmegen heeft men er vanaf de 13e eeuw steeds om moeten vragen om dezelfde rechten te verkrijgen, waarmee aangetoond wordt dat de karolingische traditie in Nijmegen in die tijd gewoon niet bestond.
. .




Kijk alvast bij B.H. Stolte in het hoofdstuk "Ongelofelijk".





Aan deze bladzijde wordt nog gewerkt.