Ongelooflijk

Ongelooflijk!

Een familielid zei eens tegen Albert Delahaye: "Albert, als jij geen gelijk zou hebben, dan hadden de geleerde heren je toch binnen vijf minuten afgemaakt met de bewijzen van hun gelijk". En aangezien dat nog steeds niet gebeurd is, is hun zwijgen veelzeggend.

"Waar de mens niet zeker is omtrent overtuiging of mening, is het raadzamer te zwijgen."
(Antoine Bodar).

Albert Delahaye heeft ook altijd gezegd dat als hij één overtuigend bewijs zou krijgen dat tegen zijn opvattingen pleit, hij onmiddelijk met zijn onderzoek zou stoppen. Tot heden heeft hij dat ene overtuigende bewijs nooit gekregen. Het einge bewijs dat wordt geleverd is de klakkeloze herhaling van de mythen. En juist die mythen moeten bewezen worden.

De samenzwering van stilzwijgen en de spot, werd tot scheldpartij zonder niveau. Wordt daarmee de kwalijk verbeten onmacht geïllustreerd?
(Maurits Cailliau, WEST, nr.6/1982).

Het grootste probleem ten aanzien van het ter discussie stellen van de veronderstelde geschiedenis van ons land in het eerste Millenium, was het bestrijden van de vooringenomenheid en verbolgenheid van de professionele historici. Bij elke twijfel die opgeroepen werd, was steeds het eerste argument
"dat het niet paste in het algemeen aanvaarde beeld van onze geschiedenis". Historici van naam, zoals Vollgraff, Boeren en Coens, werden met deze dooddoener tegengesproken. Reeds vanaf het begin dat Albert Delahaye over zijn twijfels in de historische geografie publiceerde, is ook hij door velen met de meest ongelofelijke en onnozele argumenten bestreden. Vooral de argumentatie van Universitair Nederland is tekenend.
Hieronder voorbeelden van argumenten van de tegenstanders van de visie van Albert Delahaye, die met bedoeld betoog meenden het gelijk van de traditie te kunnen bevestigen. De meeste opmerkingen kwamen van historisch geschoolde professoren en universiteitsmedewerkers. De uitspraken zijn tekenend voor de wijze waarop wetenschappelijk Nederland discussies voert. Blijkbaar stonden er persoonlijke belangen op het spel: de integriteit van de wetenschapper! Dit verklaart natuurlijk meteen de felheid waarmee elke afwijkende mening werd bestreden en waarom men zo aan de mythen bleef vasthouden.


Ter wille van de overzichtelijkheid hebben we de opmerkingen per historicus gecatalogiseerd; te beginnen met algemene opmerkingen en te eindigen met opmerkingen opgetekend vanuit de "volksmond".

Deze BLADVULLING MET GALGENHUMOR geeft een beeld van de wijze waarop Albert Delahaye "bestreden" werd, voornamelijk door "wetenschappelijk geschoolde" tegenstanders!


Algemene opmerkingen.
Prof.dr.F.W.N.Hugenholtz.
Prof.dr.J.E.Bogaers.
Prof.dr.W.A. van Es.
Prof.dr.D.P.Blok.
Prof.dr.P.H.D.Leupen.
Prof.dr.B.H.Stolte.
Prof.dr.R.R.Post.
Dr. M.Gysseling.
C. van Heel.
G.Th.M.Lemmens.
Opmerkingen van andere historici.
Opmerkingen opgetekend uit de krant en de volksmond.



G Terug naar boven.


Prof. dr. F.W.N.Hugenholtz.

  1. PROF. DR. F.W.N. HUGENHOLTZ stelde eens nadrukkelijk: "Wij hebben een traditie vanaf de Romeinen in handen", en gaf en passant toe nooit eigen onderzoek gedaan te hebben naar die traditie, daar een onderzoek naar de waarheid van de geschiedenis van Nijmegen hem overbodig leek. Dan vraagt een kritisch lezer zich toch wel af waar "die sterke traditie sinds de Romeinen", op gebaseerd is. Dan vraagt een kritsch lezen zich ook af waarom er zo nodig een Bronnenboek moest komen, zeer zwaar gesubsidieerd door de gemeente Nijmegen. Kwam dat er immers niet om nu "voor eens en altijd van de dooddoeners van Delahaye" (J.E. Bogaers en P. Leupen ,1982) af te zijn?

  2. PROF. DR. F.W.N. HUGENHOLTZ, hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis in Utrecht, verwijt Delahaye een te laag wetenschappelijk interpretatievermogen om erover door te discussiëren (Nieuwe Revue van 14 maart 1980).
    Waarmee Hugenholtz dus aangeeft wel over een hoog wetenschappelijk interpretatievermogen te beschikken. Het wetenschappelijk interpretatievermogen van Hugenholtz moet wel vele malen groter zijn dan dat van Delahaye, wil je erg duidelijke teksten anders uitleggen dan wat er staat. Als Orosius (5e eeuw) schrijft dat de woonplaats van de Bataven ligt tegenover Engeland waar men de overkant kan zien, is er wel een oneindig wetenschappelijk interpretatievermogen nodig, om daar de Betuwe van te maken.

  3. PROF. DR. F.W.N. HUGENHOLTZ, hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis in Utrecht, meende in zijn eigen publicatie over Floris V, dat deze trouwde met gravin Beatrijs in 1268 of kort nadien. Het was hem niet bekend dat de gravin op 27 juli 1269 voor het eerst in een oorkonde wordt genoemd. Het huwelijk zal dus pas nadien hebben plaats gevonden (Bron: J.G.Kruisheer, De oorkonden en kanselarij van de graven van Holland tot 1299, 's-Gravenhage-Haarlem, 1971, p.9). Geboren in 1254 in Leiden, trouwde hij op 16 jarige leeftijd, wat dan zelfs in 1270 was. Dat heeft Hugenholtz blijkbaar nooit even nagekeken. Ook bij de datering van het toernooi tussen graaf Floris en Hendrik van Luxemburg zit Hugenholtz er een jaar naast. Het was niet 1277, maar 6 jan. 1278 (J.G.Kruisheer, o.c.p.55). Hugenholtz blijkt ook de aanwezigheid van een kanselarij bij de graven van Holland zonder meer te hebben aangenomen op grond van een beperkt oorkonden onderzoek. Deze veronderstelling van de aanwezigheid van een kanselarij wordt door geen enkel gegeven gesteund (J.G.Kruisheer, o.c.p.179). Over de juiste volgorde van de katernen van het oude register van graaf Florens, is Hugenhultz het niet eens met Muller. Hugenholtz kan in zijn visie niet overtuigen en dringt slechts aan op een hernieuwd onderzoek, dat hij blijkbaar zelf nog niet gedaan heeft (J.G.Kruisheer, o.c.p.202).
    Het lijken slecht onbeduidende details, maar aangezien Hugenholtz steeds erg veel commentaar geeft op het bronnenonderzoek van Albert Delahaye, blijkt hij de bronnen op zijn eigen vakgebied en over zijn eigen stokpaardje over graaf Floris V, niet juist en niet allemaal te kennen.

  4. Diezelfde PROF. DR. F.W.N. HUGENHOLTZ verklaarde ook (en daarin werd hij gesteund door Prof.Stolte) dat er helemaal geen samenzwering was tegen Delahaye, want hij praat met collega's gewoon niet over de streekarchivaris. En het zou best eens uitgezocht kunnen worden, wat Delahaye allemaal beweert. Maar hij verwacht daar niets van. "Het zou wellicht een aardige oefening voor studenten kunnen zijn." En dat hebben we dus mogen meemaken, die oefeningen van studenten! Het Bronnenboek is door een oefening van studenten, waar de professoren dus hun handtekening onder hebben gezet, tegen de bedoeling in, een eclatant succes geworden voor Albert Delahaye!

  5. In de bibliotheek van de universiteit van Amsterdam werd tevergeefs gezocht naar "Vraagstukken..." het boek van Albert Delahaye uit 1965. Op bevel van PROF. DR. F.W.N. HUGENHOLTZ was het niet aanwezig in de bibliotheek van de universiteit. Stel je ook eens voor dat studenten van de inhoud op de hoogte zouden komen, dan was het eind zoek.

  6. PROF. DR. F.W.N. HUGENHOLTZ en PROF. DR. R.R.POST hebben in 1965 het eerste deel van "Vraagstukken in de historische geografie van Nederland" op grond van hun professoraten en titels zo grondig weggehoond, dat niemand het boek daarna nog serieus nam. Feitelijk had Albert Delahaye als historicus afgedaan en was hij tot een armzalige dilettant (=iemand die maar oppervlakkig op de hoogte is) verklaard. Achteraf gezien, is de titel van het boek symbolisch geweest, al was dit niet de opzet, want in diezelfde aktie hoonden de twee ook de vraagstukken weg, en het zijn er vele, die wel degelijk in de Nederlandse en Europese geschiedenis bestaan. Zij mogen trots zijn op hun daad, die tenminste nog voor enkele jaren de opheldering van de mythen heeft tegengehouden, maar nu de historische faculteiten wat meer open staan voor discussies over de vele vragen, hun hoon als een boemerang terugslaat op de deskundigheid van de traditionele Nederlandse historici zoals Post, Hugenholtz en Stolte.

  7. PROF. DR. F.W.N. HUGENHOLTZ vond het "wetenschappelijk niveau" van Delahaye te laag om er op voort te discussiëren, maar heeft nooit enige wetenschappelijk bewijs op tafel gelegd om de opvattingen van Delahaye te weerleggen. Voor een professor in de Middeleeuwse geschiedenis zou het toch een koud kunstje geweest moeten zijn om aan te tonen dat Delahaye's beweringen onjuist waren. Verder dan wat loze en sterk beledigende kreten is het nooit gekomen.

  8. PROF. DR. F.W.N. HUGENHOLTZ heeft het altijd (wijzelijk?) achterwege gelaten zijn "bewijzen" te publiceren. Het zou hem beslist het ere-burgerschap van Nijmegen opgeleverd hebben. Blijkbaar waren deze bewijzen moeilijk te leveren of niet voorhanden, vandaar dat ze uitbleven. Waren deze bewijzen makkelijk te leveren geweest, dan had Hugenholtz ze zo op tafel gelegd en had Delahaye ze zeker vernomen. Hij heeft ze nooit mogen vernemen.

  9. PROF. DR. F.W.N. HUGENHOLTZ heeft ondanks dat hij Delahaye een dilettant vond en het "wetenschappelijk niveau" van Delahaye te laag om er op voort te discussiëren, vele uren college besteed aan het weerleggen van de opvattingen van Delahaye. Dit had hem een ernstige berisping van het Universiteitsbestuur moeten opleveren, want je besteedt toch geen kostbare collegetijd aan een "fantasterij" zoals Hugenholtz het ooit zelf noemde. Wanneer hij objectief en integer was geweest had hij Albert Delahaye in diezelfde colleges een uurtje spreektijd moeten geven, zodat zijn studenten het verhaal van twee kanten te horen hadden gekregen. Maar dat zat er dus niet in en dus kregen de studenten een eenzijdig verhaal, waarin niet eens de halve waarheid werd verteld.

  10. PROF. DR. F.W.N. HUGENHOLTZ schreef eens dat Delahaye er flink naast zat omdat Alpertus van Metz (11e eeuw) Vahalis geschreven had en dat dit onweerlegbar de Waal was. Kennelijk citeerde Hugenholtz uit zijn hoofd (wat voor een mediaevist het gevaar van een enorme blunder in kan houden wat hier dus ook gebeurde) wat bleek bij het naslaan van wat Alpertus werkelijk schreef en dat was Wal. Enige excuses voor dit vals citaat, waardoor half Nederland weer op het verkeerde been werd gezet, was er later niet bij. Wel kreeg Delahaye in een volgende publicatie van Hugenholtz een verwijt dat hij zich hierover zo had opgewonden. Een onware draai geven aan een blunder van formaat, moet een wetenschapper onwaardig zijn. Niet bij Hugenholtz dus.

  11. PROF. DR. F.W.N. HUGENHOLTZ meende in een artikel in de NRC. dat Delahaye "gevaarlijke onzin" schreef. Waar dat gevaar uit bestond werd niet duidelijk gemaakt. Met zijn vals citaat van Alpertus van Metz, meende Delahaye dat het juist Hugenholtz was die "gevaarlijke falsificaties" maakte. Het gevaar hierin zat in de bevestiging voor het publiek van de "ijzersterke" traditie sinds de Romeinen, die er nooit geweest is.

  12. PROF. DR. F.W.N. HUGENHOLTZ vond het geen leuke avond tijdens het debat in Amsterdam in 1980. "Ik zat er beslist niet voor de lol, maar ik vond het toch mijn plicht om mee te doen. Delahaye had er zelf al jaren om gevraagd. Bovendien hebben we de mensen in de zaal een mooie opvoering gegeven".
    Dat is blijkbaar wat Hugenholtz onder een wetenschappelijk debat verstaat, een mooie opvoering. Alsof het om een toneelstuk gaat, maar dan wel om een klucht!

  13. PROF. DR. F.W.N. HUGENHOLTZ meent dat Delahaye wel van alles kan beweren, omdat er nergens naambordjes bij de oude plaatsen en rivieren staan. Laat men in het IJsselmeer nu het naambordje Almere hebben gezet! Alleen dit naambord slaat niet op het water, maar op de plaats die men er nieuw gebouwd heeft. Het is tekenend voor de wijze waarop Nederland met historische geografie omgaat.

  14. PROF. DR. F.W.N. HUGENHOLTZ heeft zich altijd opgesteld als "Kampioen van Karolingisch Nijmegen". Hij heeft altijd felle kritiek geuit op de publicaties van Albert Delahaye, maar zelf nooit enig artikel of boek gepubliceerd over deze materie. Zijn "bewijsvoering" blijft dus onbekend en kan dus ook nooit weerlegd worden. De publicaties van Delahaye weghonen is natuurlijk makkelijk, maar zonder eigen visie en bewijzen te publiceren, kan hij niet spreken over enig "niveau" van eigen kunnen.

  15. PROF. DR. F.W.N. HUGENHOLTZ en PROF. DR. R.R.POST hebben in 1965 ook het boek "Vraagstukken..." tot verboden lektuur aan de universiteiten verklaard. Bij lezingen voor hogeschool-studenten kreeg Delahaye keer op keer het verwijt te horen dat zij nooit van "Vraagstukken..." hadden gehoord. Dan is studenten vlug aan het verstand te brengen, dat zij met dit verwijt aan het adres van hun professoren Hugenholtz en Stolte moesten zijn, die als ter zake deskundigen de universiteitsbibliotheek een censuur opgelegd hebben ten aanzien van hen niet welgevallige uitgaven. Over open staan voor discussies gesproken.

  16. PROF. DR. F.W.N. HUGENHOLTZ (N.R.C. 14 juni 1958): "Wij raden Delahaye aan zijn onmiskenbare intelligentie niet meer zo ernstig te misbruiken". Waarop Delahaye antwoordde "lk raad Hugenholtz ernstig aan zijn even onmiskenbare intelligentie eens te gebruiken".

  17. PROF. DR.F.W.N. HUGENHOLTZ zei in een interview met Charles Groenhuijsen van de Volkskrant: "Nou als ooit wordt bewezen wat Delahaye beweert - maar ik zie dat nog niet gebeuren" voegde hij er gespeeld zelfverzekerd aan toe, "maar als het ooit bewezen wordt, dan moeten we met zijn allen eens hard lachen en opnieuw beginnen". Vandaar dat Hugenholtz zijn studenten verbood aanwezig te zijn bij een lezing van Albert Delahaye, bang dat hij was dat het lachen al zou beginnen!
  18. PROF.DR.F.W.N. HUGENHOLTZ sprak in datzelfde interview over de buitenissige theorieën van Delahaye, de Brabantse streekarchivaris die alles wat wij op school leerden over onder meer Willibrordus, Bonifatius en Karel de Grote in twijfel durft te trekken, en die suggereert dat allerlei gebetrrtenissen helemaal niet in Nedefland, maar veel zuidelijker: in Noord-Frankrijk hebben plaats gehad. Ten gevolge van een heel geleidelijk binnengeslopen fout in onze geschiedschrijving zouden we verkeerd zijn voorgelicht. Natuurlijk werd niet voor niets juist deze vooraanstaande Utrechtse hoogleraar naar zijn mening gevraagd. Dat de zelfverzekerdheid waarmee Delahaye zijn theorieën verkondigt provocerend werkt binnen de gevestigde universitaire kringen, en tot alleraardigste uitspraken kan leiden, was de moeite van het signaleren waard. Uiteraard werd er vanuit de veilige veste gekogeld met kreten als "fantast", "mythe", "twijfelachtig", "niet serieus", "terecht verwaarloosd", "bedenksels" en ook de vaste prik bleef niet uit: "Ik moet er een beetje om lachen".
    Nu is in de wetenschap maar zelden vooruitgang gebracht door brave borsten die keurig over de door hun voorgangers platgelopen paden gingen. Het waren wijwel altijd waaghalzen, gepassioneerden, dronkelappen, zenuwlijders van wie we het moesten hebben. En dat iemand niet serieus wordt genomen is haast een voorwaarde voor de waarachtige vooruitgang. Neem bij voorbeeld de idioot die destijds zo hardnekkig volhield dat de aarde draaide, of die amateur die de resten van het oude Troje vanonder het aardoppervlak opdiepte, of gewoon onze eigen grote geschiedkundige Huizinga, die in de jaren twintig met zijn Herfsttij der Middeleeuwen nauwelijks de aandacht van de vakpers trok, onder meer ondat het "maar een roman" was.
    Nu moet ik eerlijkheidshalve bekennen dat ook ik de grootste moeite heb met het idee dàt Bonifatius. die fatale dreun bij de Heilige Schrift niet in Dokkum, maar in Duinkerken zou hebben opgelgpen. Maar daar gaat het niet om.
    Het vervelende van die opmerking van de professor, dat hij een beetje heeft moeten lachen, vind ik dat de aard van de pret zo onduidelijk blijft. Wat mij dwars zit is: betreft het hier een nieuwsgierig, niet boos bedoeld grinnikgeluidje in de trant van: "nee maar, hoe komt die vent daarbij? Of hebben we wederom te maken met het gewonen in universitaire kring verbreide uitlachen, ener vakgenoot, dat zich meestal openbaart in stiekeme gniffels ondet de tafel met bijbehorende roddelpraat? (Aldus Etty Mulder in de Volkskrant van 13-10-1979).

    Of was het een ingetogen lachen als een boer die kiespijn heeft, en met schaamrood op de kaken moet toegeven van de hele materie geen snars begrepen te hebben?

  19. PROF. DR.F.W.N. HUGENHOLTZ meende Albert Delahaye te mogen weghonen wegens een niet ter zake dienend verschil van één lettertje in een naam. Vanwege dat ene lettertje verschil meende hij het betoog van Delahaye als van "minderwaardig niveau" te kunnen kwalificeren. Bij Hugenholtz zijn Gent en Gendt, maar één lettertje verschil, blijkbaar dezelfde plaats of kunnen Paris en Parijs, ook maar één lettertje verschil, onmogelijk dezelfde plaats zijn. In de historische geografie zijn meerdere voorbeelden te geven waarbij aan een lettertje verschil niet bij voorbaat verregaande consequenties kunnen worden verbonden! Daar is meer voor nodig dan slechts te kijken naar de schrijfwijze.

  20. PROF. DR.F.W.N. HUGENHOLTZ sloeg er af en toe in interviews onnozele argumenten uit, zoals zijn bewering dat Karel de Grote alleen een "houten boerderijtje" in Nijmegen heeft gehad. Dit verklaarde hij toen er maar steeds niets werd gevonden uit de Karolingische periode. En dat is in tegenspraak met de geschreven bronnen waarin staat dat het nieuwe paleis een "in pracht en praal opgetrokken paleis" was, volgens een nieuwe bouwwijze (dus in steen).

  21. PROF. DR.F.W.N. HUGENHOLTZ heeft vaker laten blijken van historische kennis geen hinder te hebben. Zo legt hij de grote biograaf Alcuinus in de mond, dat deze de stad Tours een "verachtelijk gat" (civitas despectibilis) genoemd zou hebben. Immers "Turonica Civitas" was bij Hugenholtz Tours, de stad waar Alcuines hoofd van de beroemde 'School van Tours' was. Met deze vertaling maakt Hugenhotz van Alcuinus een volstrekte idioot, die zich niet meer in Tours heeft kunnen vertonen! Echter het bedoelde "Turonica" was niet Tours, maar het stadje Tournehem, waarover Alcuinus het volgende meldt: "Wat zal ik van jou zeggen, TURONICA CIVITAS, klein wat muren betreft en nauwelijks het bekijken waard? Wie zal terwille van jezelf naar jou toe komen? Maar groot en lofwaardig ben je door het patronaat van St. Martinus. Omwille van de zekere gunsten van deze patroon trekt een menigte van Christenen naar je toe". En deze St.Martinus kerk was de parochiekerk van St.Willibrord. Hugenholtz erkent hiermee dat het in elk geval niet over Utrecht gaat, waarmee hij Delahaye dus gelijk geeft, die eerder stelde dat het hier niet over Utrecht gaat!

  22. PROF. DR.F.W.N. HUGENHOLTZ verklaarde eens zonder omhaal "als Delahaye gelijk heeft, is mijn hele boek fout!" Dat was ook de belangrijkste reden van zijn felle tegenstand ten aanzien van de visie van Albert Delahaye: er moest een boek gered worden. Hij verbood studenten van zijn universiteit derhalve ook aanwezig te zijn bij een lezing van Albert Delahaye. Dat verstond hij dus onder een wetenschappelijke discussie.

  23. PROF. DR.F.W.N. HUGENHOLTZ stelde bij het debat in Amsterdam in 1980 dat "de kern van de zaak is, de weinige bronnen goed te interpreteren". Voor de traditionalisten zijn er wellicht weinig bronnen, Delahaye heeft er zo'n 2000 bij elkaar gevonden. De bronnen die "niet passen" in de traditionele geschiedenis worden door de Nederlandse historici steeds verzwegen. Dan houd je er inderdaad maar weinig over.

  24. PROF. DR.F.W.N. HUGENHOLTZ zei bij datzelfde debat dat je bij het interpreteren van de bronnen "bij tijd en wijle op je intuïtie moet werken". Ofwel de bronnen interpreteren zoals het je uitkomt. En dat is nu precies gebeurd met de klassieke bronnen, die naar de intuïtie van enkele middeleeuwse fabelschrijvers geïnterpreteerd zijn. Daarna heeft niemand er meer serieus onderzoek naar gedaan, totdat Albert Delahaye die taak op zich nam en tot heel andere conclusies kwam.

  25. PROF. DR.F.W.N. HUGENHOLTZ: "Ik kan mijn tijd beter doorbrengen met creatief historisch onderzoek dan mij te vermoeien met de theoriën van de heer Delahaye". Inderdaad, het CREATIEF historisch onderzoek van Hugenholtz was blijkbaar niet gebaseerd op feiten, maar op eigen creativiteit, op eigen "bedenksels" ofwel verzinsels! [creatief=vormend volgens eigen verbeelding: Van Dale]. Maar stelde deze professor niet eens dat je "met de geschiedenis geen proefjes kunt doen"? Blijkbaar valt "creatief historisch onderzoek" daar niet onder!

  26. PROF. DR.F.W.N. HUGENHOLTZ heeft zich altijd opgeworpen als de grootste verdediger van Karolingisch Nijmegen. Het mag frapant genoemd worden, dat Hugenholtz ontbreekt als co-auteur van Het Bronnenboek van Nijmegen. We kunnen slechts vermoeden dat Hugenholtz zijn naam niet heeft willen verbinden aan dit broddelwerk, dat zelfs hem te gortig was. Hier had Hugenholtz een flammend protest moeten laten horen tegen deze aanfluiting van historisch onderzoek. Tenminste als hij een beetje historicus van niveau zou zijn, wat hij volgens eigen opvatting was. Had Hugenholtz het niet steeds over het "niveau".

  27. PROF. DR.F.W.N. HUGENHOLTZ stelde dat de Noormannen na hun bezoeken aan Nederland alle sporen van hun aanwezigheid hadden "opgeruimd". Dit is dus de verklaring van een professor bij het totaal ontbreken van relikten van de Noormannen. Wanneer een professor die in de knel zit, met zulke kinderlijke uitvluchten aankomt, moet hij in het belang van de wetenschap recht in zijn gezicht gezegd krijgen dat hij beneden niveau bezig is. Hugenholtz erkent hiermee in elk geval dat er in Nederland niets van de Noormannen gevonden is en geeft Delahaye dus (waarschijnlijk onbedoeld) gewoon gelijk! Maar dat zal Hugenholtz ook wel niet begrepen hebben. En als er acheologisch niets van de Noormannen gevonden is, zijn ze er dus niet geweest!

  28. PROF. DR.F.W.N. HUGENHOLTZ citeerde bij het debat in Amsterdam uit het hoofd en met stelligheid dat er in een bepaalde tekst wel degelijk "Wal" stond, waarmee hij wilde aantonen dat Delahaye historische citaten slordig gebruikt en moedwillig en kennelijk onvolledig en dus ondeskundig gebruikt. Bij het later naslaan van de betreffende tekst bleek er helemaal niet Wal te hebben gestaan, maar bleek het betoog van Delahaye helemaal juist te zijn geweest. Helaas werd het debat op dit punt niet meer gerectificeerd.

    Intelligente fantast!
    Door zijn gesprek met Prof. Hugenholtz in het Vervolg van 6 oktober 1979 houdt Charles Groenhuijsen (ongewild?) de mare in stand als zou Albert Delahaye een intelligente fantast zijn.
    Een hoogleraar die zo doorzichtig aangeeft het uit 1965 (!) daterende werk van Delahaye nooit grondig bestudeerd te hebben, zou zich niet mogen lenen voor een dergelijk verweer, laat staan te beweren dat het werk van Delahaye terecht wordt verwaarloosd.
    Nee, het wordt steeds duidelijker dat de theorie van Delahaye te bedreigend wordt voor de gevestigde historische orde.
    Maar zolang het wetenschappelijk gevoerde bewijs voor het ongelijk van Delahaye niet is geleverd, behoort men tenminste ruimte voor twijfel open te laten. Het is overigens beschamend en typerend voor Hugenholtz en zijn vakgenoten dat deze essentiële bewijsvoering als een . . . "aardige oefening voor studenten" wordt opgevat. Maar dan nog, wat lette Hugenholtz en zijn collega "wetenschappers" eigenlijk daarvoor dan eens een student te zoeken?
    Er is eerder gewerkt met studenten in deze complexe materie, ook door Hugenholtz. Ook de vorige keren bleek het geen werk voor studenten te zijn, want als hun hoogleraren deze materie al niet beheersen, wat mag er dan van hun studenten verwacht worden?
    Blijkbaar achten deze professoren zichzelf er niet toe in staat om de benodigde bewijsvoering tegen de visie van Delahaye, eenvoudig en snel op tafel te kunnen leggen.

G Terug naar boven.


Prof.dr.J.E.Bogaers.

  1. PROF. DR. J.E.BOGAERS heeft Delahaye eens "verweten" dat hij handig gebruik maakte "van de gave van het woord" en dat hij daarmee de lachers op zijn hand kreeg. Inderdaad is de hele fabel rondom Karolingisch Nijmegen één grote klucht, het lachen waard. En hoewel Albert Delahaye zeker gevoel voor humor had, is zijn studie dermate overtuigend, dat het lachen je al vlug vergaat bij alle blunders in de traditionele geschiedenis.

  2. PROF. DR. J.E.BOGAERS de aanvoerder van de Club van Nijmegen, verklaarde Delahaye voor "gek", nadat deze hem van wetenschappelijk bedrog had beschuldigd. Bogaers is immers als de beste op de hoogte van de consequenties van zijn eigen onderzoek, maar wil kost wat kost de mythe in stand houden. De rechtzaak die Delahaye had aangespannen tegen Bogaers vanwege aanhoudende beledigingen, werd door de Officier van Justitie te Arnhem geseponeerd, omdat hij de zaak beschouwde als een "uit de hand gelopen discussie". Zie de volgende opmerking.

  3. PROF. DR. J.E.BOGAERS heeft van meet af aan de theorieën van Delahaye zeer fel van zich afgeworpen en gold als een van de meest fervente tegenstanders van Delahaye. In zijn boek "Romeins Nederland" schrijft hij over een altaarvondst in de buurt van Nijmegen met het opschrift 'Municipii Batavorum': "met Municipium Batavorum kan moeilijk een andere plaats dan Nijmegen bedoeld zijn". De vraag blijft dan waarom dat altaar dan niet in Nijmegen gevonden is? Op enkele zeer opmerkelijke punten (de afwezigheid van het tiende Romeinse leger in 69 n. Chr. te Nijmegen tijdens de opstand van de Bataven, en de ouderdom van de kerk in Elst -10e eeuw-) geeft Bogaers ongewild Delahaye toch gelijk, ook al heeft Bogaers dat publiekelijk nooit erkend. Zie bij Onbegrijpelijk.

  4. PROF. DR. J.E.BOGAERS verklaarde de stellingen van Delahaye eens voor "klinkklare kletspraat". Op grond waarvan hij tot dit oordeel kwam heeft hij nooit duidelijk gemaakt. Het was duidelijk dat Bogaers met zijn mond vol tanden stond, niets kon weerleggen en met dat ene woord slechts het betoog van Delahaye wilde denigreren.

  5. PROF. DR. J.E.BOGAERS meende dat "Wetenschappers hun tijd beter kunnen gebruiken dan zich telkens maar weer met deze nonsens bezig te houden." Hij vindt bovendien dat Delahaye zijn stellingen "op een onfatsoenlijke manier" aan de man wil brengen, onder meer via "grove scheldwoorden". Albert Delahaye zegt daarover dat hij inderdaad voortdurend in de clinch ligt met profs uit Nijmegen (zoals Bogaers) en hen van onkunde, opzettelijk tekstvervalsingen, laster en wetenschappelijk bedrog beschuldigt. Ook werd Delahaye geïntimideerd om hem het zwijgen op te leggen. Blijkbaar staan er universitaire reputaties op het spel. "Maar ik blijf publiceren omdat ik weet dat ik op het juiste spoor zit", aldus Delahaye.

  6. PROF. DR. J.E.BOGAERS merkte op (Numaga 1982, p.73) dat Ptolemeus zelf meedeelt eerst de lengte, daarna de breedte te geven. Dit om aan te tonen dat Delahaye het met zijn westoriëntatie mis had.
    Natuurlijk zegt Ptolemeus dat zelf! Hij was een eerlijk man en meende wat hij schreef. Doch na zo'n mededeling moet men wel eerst gaan onderzoeken wat hij onder lengte en breedte verstaat, zeker als Ptolemeus de Pyreneeën in het westen van Gallia plaatst en de Oceaan in het noorden. Ook veel andere Romeinse schrijvers draaien de windrichtingen een kwartslag tegen de klok in, welk verschijnsel Delahaye de WESTORIËNTATIE heeft genoemd. Bogaers laat nu onmiskenbaar merken dat hij, en vele historici met hem, de westoriëntatie bij de klassieke schrijvers nooit heeft opgemerkt. En dat dit waar is, heeft hij nu eens en voorgoed zelf bewezen.

  7. PROF. DR. J.E.BOGAERS, archeoloog uit Nijmegen, heeft eens eerlijk bekend, dat, hoewel men aanvankelijk om "de voorspelling van Delahaye flink gelachen heeft", ze toch de bittere conclusie moesten trekken dat in de bodem van Nijmegen NIETS gevonden is uit de Karolingische periode, noch lang daarvoor, noch lang daarna, wat Albert Delahaye in 1965 al had voorspeld. Na de Romeinse periode kent de archeologie van Nijmegen een "gat" van 8 eeuwen!

  8. PROF. DR. J.E.BOGAERS liet slechts een "homerisch gelach" horen, toen een een journalist van Elseviers Weekblad (13 dec. 1980) hem om een weerwoord vroeg. Op de vraag of er uit het in het openbaar van leugenarij betichten van de hoogleraren een proces zal voortkomen, blijft prof. Bogaers lachen en zegt: "Kon nou toch" m.a.w. we gaan niet procederen. "Het is voor ons een afgedane zaak".
    De onafhankelijke lezer vindt dit wellicht vreemd. Immers, nu zou die geleerde wereld de kans van hun leven hebben om Delahaye in het openbaar op de knieën te krijgen. Waarom doen ze dat dan niet?
    Het antwoord is eenvoudlg. De heren van Nijmegen e.a. zijn er zich wel degelijk van bewust dat Delahaye gelijk heeft; zij hebben hem echter van het begin af aan (1955) beledigend behandeld, afgekraakt en weggehoond en durevn nu voor hun fatsoen (dat ze bij de afkrakerijk wel getoond hebben) niet meer terug. Ze moeten dus blijven lachen, spotten, honen en vooral Delahaye uit de weg blijven om niet in het openbaar door de knieën te hoeven gaan.

    Dat de betrokken hoogleraren in de geschiedenis van Nederland de door Albert Delahaye opgespoorde mystificatie niet ontdekt hebben, is hun niet kwalijk te nemen: zij waren te zeer doordrongen van wat geloofwaardige geschiedschrijvers van vorige eeuwen hadden verhaald. Wat men deze wetenschappelijk heren wel kwalijk kan nemen is hun hoongelach, spot en belachelijk maken van de ontdekkingen van Delahaye en zelfs van zijn integriteit als persoon. Het getuigt niet van de juiste wetenschappelijke instelling, die immers open dient te staan voor alles wat tot uitbreiding van kennis van hun onderwerp kan of zou kunnen bijdragen.

  9. PROF. DR. J.E.BOGAERS heeft op enkele zeer opmerkelijke punten (de afwezigheid van het tiende Romeinse leger in 69 n. Chr. te Nijmegen tijdens de opstand van de Bataven en de ouderdom van de kerk in Elst) Delahaye ongewild gelijk gegeven, ook al heeft Bogaers dat publiekelijk nooit erkend. Zie bij Onbegrijpelijk Bron: J.E. Bogaers, De gallo-Romeinse tempels te Elst in de Over-Betuwe, 1955, p.177.

  10. PROF. DR. J.E.BOGAERS, o.c. blz. 195 e.v. gaf Delahaye toch eens gelijk toen hij verklaarde dat "Bij de opgraving te Elst geen vondsten zijn gedaan, die gedateerd moelen worden in de periode van de 4e tot de 7e/8e eeuw". Daarmee weersprak hij de mening van Post e.a. volgens wie er op grond van een akte in 726 al een kerk stond stond in Elst. Zo kreeg Delahaye (onbedoeld?) gelijk van Bogaers.

  11. PROF. DR. J.E.BOGAERS betoogde dat met de St.Salvator-kerk te Elisthe-Marithaime uit een oorkonde uit 726 enkel de St.Salvator-kerk te Utrecht bedoeld kon zijn, en dat er in 726 geen aan Salvator gewijde kerk in Elst stond. Hij bestreed daarmee de opvatting van prof. R.R.Post die stelde dat St.Willibrord wel een Salvator-kerk in Elst had.
    Beide geleerde professoren menen van elkaar dat men het fout heeft. Laten ze nu beiden gelijk hebben in hun opvatting dat de ander ongelijk heeft. Ze hebben beiden gelijk, met dien verstande dat ze het inderdaad beiden fout hebben. Elst had in 726 geen kerk en Utrecht net zo min, daar beide plaatsen in 726 vele meters onder water lagen. Archeologisch is er ook geen enkele bewoning aangetoond in Utrecht, noch in Elst. En zonder bewoning zal er ook geen kerk geweest zijn, want zonder bewoners viel er niets te bekeren. De oorkonde gaat dan ook helemaal niet over Elst, maar over Oust-Marest in Noordwest-Frankrijk.

  12. PROF. DR. J.E.BOGAERS, archeoloog uit Nijmegen, heeft zich altijd opgeworpen als de kenner bij uitstek van de Gallo-Romeinse tempel te Elst in de Over-Betuwe. Het was ook het onderwerp van zijn proefschrift waarop hij promoveerde aan de universiteit van Nijmegen. Uit het opgravingsverslag blijkt zonneklaar dat Bogaers bij die opgravingen niet eens aanwezig is geweest. Zijn proefschrift heeft hij vlak voor zijn promotie op enkele cruciale punten nog even moeten corrigeren. Over welke deskundigheid gaat het dan?

  13. PROF. DR. J.E.BOGAERS vroeg in een brief aan Albert Delahaye (d.d. 11 mrt. 1981 - er is dus wel eens contact geweest tussen hen) welke recente publicate in Nijmegen naar een tekst uit 925 verwijst. Deze tekst handelt over de aanval van de Noormannen op de benedenstad van Noviomagus. Inderdaad moest Delahaye het antwoord schuldig blijven, immers in recente publicaties wordt deze tekst niet meer genoemd. Deze is uit de geschiedenis van Nijmgene zonder verdere toelichting verdwenen", waar deze tekst tot voor kort nog zo'n prominente plaats innam.

  14. PROF. DR. J.E.BOGAERS erkende in een interview in De Gelderlander van 31 dec. 1987, dat hij "het ook niet weet" of "wat het was" en "waarvoor het diende". Dit naar aanleiding van de vondst in 1987 van enige Romeinse muren aan de Waalkade. "Het probleem van die muren is dat we niet weten wat we gehad hebben". "Ik wil niet zuur doen", zegt Bogaers, "ik stel vast dat die muur weg is. De primaire taak van een archeoloog is overigens onderzoek en niet het behoud." Waarmee Bogaers goed probeert te praten dat dit stuk Romeins erfgoed niet behouden werd, maar verdween onder het nieuw te bouwen Casino. "Zo bijzonder was deze muur nu ook weer niet", aldus de ROB., de club waar Bogaers ooit voorzitter van was. "Vandalen!" stond er op enkele affiches die her en der werden aangeplakt door wél betrokken beschermers van historisch erfgoed.
    De waarheid is echter anders.
    Het betrof hier zonder twijfel een Romeinse muur die als waterkering gediend heeft. En dat zag Bogaers natuurlijk meteen, wat uiteraard verzwegen moest worden. En Bogaers doorzag meteen alle consequenties. De muur was een regelrechte bevestiging van het gelijk van Delahaye, vandaar dat het Bogaers ook niet speet dat de muur weg was. Vandaar dat Bogaers ook geen enkele moeite heeft gedaan om dit unieke stuk Romeins cultuurgoed te behouden.
    Deze muur was immers wel heel bijzonder. Het bewijst dat de Romeinen wel degelijk pogingen hebben ondernomen om het opkomende water te keren. De Romeinen hebben de boel blijkbaar niet "laten gaan", zoals D.P.Blok dat ooit beschreef. Deze muur was een onnavolgbare bevestiging van de visie van Albert Delahaye, dat Nijmegen vanwege de transgressies verlaten werd door de Romeinen. Bovendien bleek hieruit dat niet de Bataven, maar de Romeinen aan de Waalkade een nederzetting hadden gesticht. De traditie wil ons namelijk doen geloven dat na de overwinning van de Romeinen na de Bataafse Opstand, de Bataven als "goedmakertje" een nieuwe stad mochten stichten aan de Waalkade. Hun "oude" stad Oppidum Batavorum, die op het Kops Plateau gelegen zou hebben, was immers door eigen toedoen verwoest. Deze nieuwe stad aan de Waalkade zou de naam Noviomagus gekregenn hebben en zou, toen de Romeinen wegtrokken in 105 n.Chr. van keizer Trajanus zelfs stadrechten en de toevoeging "Ulpia" gekregen hebben. De Romeinen blijken nu een waterkering te hebben aangelegd om hun ergste vijanden -denk aan de Bataafse opstand- de Bataven te beschermen tegen het opkomende water. Dan hadden ze de boel toch zeker laten gaan? Zeker omdat zij hoog en droog op het Kops Plateau zaten? Of waren ze bevreesd voor een nieuwe "opstand" van de Bataven?
    Is de werkelijke geschiedenis van Romeins Nijmegen dan toch anders geweest?

  15. PROF. DR. J.E.BOGAERS heeft in 1968 de locatie van Castra Herculis van de Peutingerkaart "nauwkeurig onderzocht". Hij kwam tot de bevinding dat Castra Herculis de plaats Druten moest zijn. Deze locatie wordt momenteel (in 2007) door geen enkele historicus meer gevolgd, waaruit wel het nauwkeurige van dat onderzoek blijkt. Tevens blijkt weer eens de "deskundigheid" van Bogaers en het gelijk van Delahaye.

  16. Het stokpaardje van prof.dr.J.E. Bogaers (waarover ook zijn proefschrift handelde) was/waren de Gallo-Romeinse tempel(s) te Elst, zijn "levenswerk". De opvattingen van Bogaers over deze tempels, moeten fundamenteel herzien worden, nu gebleken is dat de oudste tempel niet van vóór 69 n.Chr. dateert, maar volgens recent onderzoek (Bron: H.v.Enckevort) op zijn vroegst uit 100 na Chr. Daarmee verdwijnt het uitgangspunt van Bogaers betoog over Romeins Nederland en komt het hele verhaal rond de opstand van de Bataven in 69/70 n.Chr. op losse schroeven te staan. De bouw van deze tempel komt daarmee in een compleet ander historische context terecht. Niet de Bataafse opstand, maar andere gebeurtenissen vormen de historische achtergrond van deze tempel. De opvattingen van deze 'deskundige bij uitstek", Bogaers, dienen dus herzien te worden en met deze, die van andere historici, die voortbouwden op de opvattingen van Bogaers! Het bewijst tevens dat de wijze van "archeologisch onderzoek" van Bogaers (en hoevelen met hem?) steeds gebaseerd is geweest op vooringenomen standpunten en naar bekende feiten toe is geredeneerd, en dat deze niet steunen op technisch onderzoek. Op hoeveel andere vindplaatsen in Romeins Nederland is dit ook zo gebeurd? Bogaers is niet de enige geweest zijn die op deze wijze archeologisch "onderzoek" gedaan heeft. W.A. van Es heeft hetzelfde principe gehanteerd bij zijn zoektocht naar Dorestad. Wat krijgt Delahaye hier weer eens gloeiend gelijk!
G Terug naar boven.


Prof.dr.W.A. van Es.

  1. PROF.DR.W.A. VAN ES beoordeelt het werk van Delahaye als volstrekte onzin. Alles wat Delahaye beweert is "baarlijke nonsens". Het raakt kant nog wal. Of het zijn werk beïnvloedt? O nee, het is alleen maar leuk, op zijn manier weet Delahaye mensen te interesseren voor geschiedenis. Schade berokkent hij er de wetenschap zeker niet mee, als hij zichzelf er niet mee beschadigt. Het lijkt me vervelend aan te nemen dat je gelijk hebt, terwijl niemand je daarin bijvalt.

  2. PROF.DR.W.A. VAN ES stuurde op 15 december 1981 een brief met bijlage aan Albert Delahaye. De brief luidde als volgt:
    Zeer geachte Heer Delahaye,
    Hartelijk dank voor Uw prachtige kaart uit het Franse Nijmegen. Maar vergeet U toch vooral ook Wijk bij Duurstede niet. Daar heeft, zeggen de Nederlandse archeologen, het ware Dorestad gelegen. Als een klein geheugensteuntje zend ik U hierbij een mapje dat wij enige tijd geleden over Dorestad uitgegeven hebben.
    Met de meeste hoogachting,
    Prof . dr. W.A. van Es.

    Het begevoegde mapje bevatte de archeologisch cahiers van Dorestad, waarin een summier verslag van de opgravingen te Wijk bij Duurstede. In dit mapje, maar ook in eerdere verslagen, is nergens een doorslaggevend bewijs gevonden van de determinatie Dorestad te Wijk bij Duurstede. Slechts op grond van "zeggen de Nederlandse archeologen" wordt Dorestad te Wijk bij Duurstede gelegd. Dat de klassieke bronnen en menig historicus dat tegenspreekt, wordt niet vermeld.
    Uit de brief blijft een minachting van Van Es voor het werk en onderzoek van Albert Delahaye. Het is steeds de houding van Van Es en anderen geweest, om Delahaye in diskrediet te brengen, door hem en zijn onderzoek belachelijk te maken. Ondertussen heeft de tijd geleerd dat veel bevindingen van Delahaye niet langer meer ontkend kunnen worden. In Spieghel Historiael van april 1978, dus 3 jaar vóór deze brief, heeft Van Es reeds lang vastgesteld dat de determinatie Dorestad voor Wijk bij Duurstede onhoudbaar is gebleken. Van Es liegt dus bewust over zijn eigen bevindingen van 3 jaar ervoor. Zie de volgende opmerking!

  3. PROF.DR.W.A. VAN ES, voormalig directeur van de R.O.B., beantwoordde eens met de kreet "Baarlijke nonsens van Delahaye!" het bewijs dat ons land nimmer door de Noormannen bezocht werd; en dat derhalve Dorestadum, een centraal punt in die Noormannen-berichten, niet in Nederland had gelegen. In de in april 1978 verschenen publikatie over 'Dorestadum' van "Spiegel Historiael" staat met klare woorden te lezen, dat hij ondanks zijn heroïsche kreet geen enkel archeologisch bewijs heeft gevonden voor Karolingisch Dorestadum te Wijk bij Duurstede. Op bladzijde 259 van dezelfde publicatie lezen we letterlijk "de bij Wijk bij Duurstede gevonden zwaarden vertonen geen elementen die op een Scandinavische herkomst zouden kunnen wijzen. Mijns inziens is er dan ook wel aanleiding tot de veronderstelling dat de meeste zo niet alle bij Wijk bij Duurstede gevonden zwaarden aan bewoners van die stad toebehoord zullen hebben". Binnenskamers (zo hebben wij uit zéér betrouwbare bron vernomen) heeft Van Es reeds lang zijn vergissingen erkend, "al kan hij dit tegenover Nederland maar moeilijk toegeven", zoals hij letterlijk heeft gezegd. Na zulke bekentenissen houdt in feite de hele discussie rondom Dorestad op.
  4. Het moet voor PROF.DR.W.A. VAN ES een obsessie geweest zijn, toen hij bij de miljoenen kostende graafwerkzaamheden in en om de plaats Wijk bij Duurstede niets omtrent Dorestad naar boven heeft weten te halen. Onder druk van zijn medewerkers schijnt de hoogleraar nu erkend te hebben dat hij met betrekking tot deze opgravingen heeft gefaald. Een luid bravo voor Albert Delahaye. Veritas Vincit, de waarheid overwint. (Bron: Steenbergse Courant, 16 nov. 1982)

  5. PROF.DR.W.A. VAN ES, de opgraver van Dorestad, maakte in 1996 voor de RVU radio melding van de 'vondst' van het Karolingische paleis van Karel de Grote. Kennelijk geïnspireerd door de opgravingen rondom het kasteel van Amsterdam beging hij deze inmiddels onsterfelijke, maar pertinente leugen. Het geluidsfragment kunt U hier beluisteren. De tekst luidt:
    "Nijmegen, daar was in... eh, en dat is ook archeologisch gewoon aan te tonen, eh, daar stond in de tijd van Dorestad, een eh, een eh paleis, een eh, een van de eh, Karolingische paleizen, op de eh, op de Valkhof!" "Dat is gevonden inmiddels!" "Ja! .... Ja!"

    En met zo'n grove leugen komt men weg in archeologisch en historisch Nederland. Ontslag op staande voet wegens grove ondeskundigheid, had hierop moeten volgen! Over "baarlijke nonsens" gesproken! Misschien is het voor Van Es ook vervelend dat niemand hem met deze ontdekking van het paleis van Karel de Grote te Nijmegen is bijgevallen, zelfs in Nijmegen niet!

  6. PROF.DR.W.A. VAN ES, voormalig directeur van de ROB. te Amersfoort, bleek ook besmet te zijn met de denkwijze, dat de Noormannen een eigen schoonmaakploeg hadden. Van alle plunderingen te Wijk bij Duurstede zijn geen archeologische overblijfselen gevonden. "Waarschijnlijk", aldus Van Es, "zijn de Vikingen in ons land kort, destructief bezig geweest en hebben ze alleen spullen meegenomen en niets gebracht!"

  7. PROF.DR.W.A. VAN ES, toen nog directeur van de ROB. te Amersfoort, zegt in een interview met de Telegraaf (28 aug. 1982) dat het verleden zo belangrijk is. "Vroeger waren er sagen, legenden en mythische verhalen. Tegenwoordig moeten die verhalen wetenschappelijk gefundeerd zijn".
    Het is toch verheugend te constateren dat ook tegenwoordige historici, waaronder Van Es, gaan begrijpen waar Delahaye al die jaren over sprak en schreef.

  8. PROF.DR.W.A. VAN ES, beweerde in 1984 dat de R.O.B. in Dokkum een put had ontdekt, waaronder zich de wijwaterput van St.Bonifatius bevindt, waarin hij de Friezen doopte. Dit hele verhaal is natuurlijk al te onnozel, maar ging er in als koek. Hoe wist de R.O.B. dat er onderin die put wijwater zou zitten? Het toont weer eens het gegoochel en het onzorgvuldig omgaan met feiten aan, om maar steeds de mythen bevestigd te zien. St.Bonifatius zou immers nooit dopen vanuit een wijwaterput. Paus Gregorius (731-741) had immers met nadruk verboden voor het dopen van heidenen tot christenen, gebruik te maken van bronnen en putten, juist omdat deze bij de heidenen in een geur van bijgeloof en heidense rituelen stonden. St.Bonifatius was zeer Rome-getrouw, zozeer zelfs dat hij menigmaal in conflict is geraakt met Gallische bisschoppen. En dan vindt de ROB. een wijwaterput van St.Bonifatius! Er werken blijkbaar geen katholieken bij de ROB., want deze heilige wordt even aangewreven dat hij de kerkelijke voorschriften van Rome zomaar zou overtreden.

  9. PROF.DR.W.A. VAN ES, voormalig directeur van de ROB. te Amersfoort, was een van de pannelleden bij het grote debat in 1980. Toen hij het woord kreeg begon hij met een dubbele bekentenis. De eerste was dat de boeken van Delahaye (die hij dus blijkbaar wel gelezen heeft) hem altijd gefacineerd hebben, zijn tweede bekentenis was dat hij "nooit precies begrepen heeft waar het om ging". De man wist blijkbaar niet eens waarom hij voor dit forum gevraagd was. En dan noemt hij zich wetenschapper en deskundige die wel eens een oordeel kan geven over de juistheid van de geschiedenis van ons land. Waarom hij er bij zat? Natuurlijk om te vertellen dat er in Wijk-bij-Duurstede niets gevonden was uit de tijd van Dorestadum. Echter dat heeft hij, voor hem en zijn companen wijselijk, helaas voor Delahaye, achterwege gelaten.

G Terug naar boven.


Prof.dr.D.P.Blok.

  1. PROF.DR. D.P.BLOK heeft Delahaye's theorie eens weggeveegd met de nodige arrogantie: "Met zoveel blunders is het moeilijk één blunder te benoemen." Zijn publicatie "de Franken in Nederland" vormt de pendant van de visie van Delahaye over de woonplaats van de Franken. Van de 1690 beschikbare namen wil Blok met 47 ervan aantonen dat de Franken inderdaad in Nederland woonden. Overigens plaats hij slechts 8 namen in het gebied dat hij voor de Franken in gedachte heeft. De overige van het land der Fiezen tot in de Alpenpassen. ACHT van de 1690, dat is nog geen half procent! Hoezo zoveel blunders? Waar laat Blok die overige 99,5% van de plaatsen?

  2. PROF.DR. D.P.BLOK vertaalde het woord Sclusas (uit een akte uit 828 over tolvrijheid voor de scheepvaart) met "de Alpenpassen". Hoe dit taalkundig in elkaar zit wordt niet vermeld. Hoezo tolvrijheid voor scheepvaart in de Alpenpassen? Blijkbaar wil Blok Nederland in de 8e eeuw al een internationale Europese handel geven. Terwijl het hier om de plaatsnaam Sclusas handelt, wat Lécluse is, bij Douai in Noord-Frankrijk. Dat je op de taalgrens ook meer rekening moet houden met de uitspraak dan met de schrijfwijze, ontgaat Blok blijkbaar ook volledig.

  3. PROF.DR. D.P.BLOK maakt van Amorica in "De Franken in Nederland" een onbekende rivier. Anderen maken er de Amer van (maar die bestond toen nog niet vanweg de transgressies), weer anderen de Eem, ofwel men weet het niet! In de "Lex Frisorum" (wet van de Friezen) staat dat deze wet geldt van Sincfal tot aan Armorica, dus van het Zwin in België tot aan Armorica (de streek tussen Normandië en Bretagne, al bij de Romeinen en nu nog steeds onder dezelfde naam Armorique bekend). Blok durft de naam Armorique blijkbaar niet te noemen, want met het gebruik van die naam zou hij zijn eigen misvatting bevestigen. Het gemis van de letter -r- in de naam Armorica in sommige teksten (kopieën!) heeft onder enkele historici tot felle discussies geleid. Wellicht hebben deze historici ook fel gediscussieerd over de namen Amstelredam en Amsterdam, of Gorkum en Gorinchem (en zo zijn er veel meer voorbeelden te geven), wat bij hen natuurlijk steeds twee verschillende plaatsen zijn.
    De discussie of er nu Amorica of Armorica gelezen moet worden, krijgt een bijzondere wending als we bij Byvanck, o.c.p.626 lezen: Daar is Carausius met het territoriale commando belast geweest "per tractum Belgicae et Armoricae", dat wil zeggen aan de kust van Vlaanderen, bewesten de Schelde, en van Normandië. Hij had zijn hoofdkwartier te Bononia (Boulogne-sur-Mer) en zijn voornaamste taak was de afweer van de zeerovers. Uit later tijd dateerde het commando van een Dux tractus Armoricani et Nervicani. Afdelingen van Milites Nervii en Equites catafractarii Ambianenses, die ons worden genoemd, zijn waarschijnlijk in de eerste helft van de vierde eeuw geformeerd. Zonder twijfel was er langs de kust van Vlaanderen en Normandië een reeks garnizoensplaatsen.(Einde citaat Byvanck)
    En wat schrijft Julius Caesar zelf in zijn Commentarii de Bello Gallico? In boek VII 75.1 lezen we "quaeque eorum consuetudine Aremoricae appellantur" wat is "die men algemeen de naam Aremorica geeft". Blok kent zijn klassieken dus slechts.
    Ook in Franse studies is steeds sprake van "le peuple Armorique", met -R- dus, dat aan de kust woonde. Aremorici is: are=bij, more=mer=zee. Bron: A.Grenier. Ook hier krijgt Albert Delahaye dus weer eens gelijk en wel zowel van Caesar, als uit Nederlandse en Franse hoek.
    Vaak gebruikt men de naam Aremorica als de oude naam van Bretagne, de naamgever van het grote Bretagne t.w. Groot-Brittannië (=Engeland)! Lang dezelfde weg komen ook de verhalen van "Koning Arthur en de ridders van de Tafelronde" vanuit Bretagne in Brittannië terecht.

  4. PROF.DR. D.P.BLOK maakt door de vondst van één munt van Dorestat (opschrift: DORESTAT FIT , in Dorestat gemaakt) waarvan er in heel Europa honderden gevonden zijn, van Wijk bij Duurstede een belangrijk handelscentrum. Zie ook de volgende opmerking.

  5. PROF.DR. D.P.BLOK maakt door de vondst van één munt -nota bene een munt van Noyon- van Nijmegen een "belangrijke Merovingische nederzetting. ("De Franken in Nederland", p. 25, 27, 36, 74, 77 en 106). Zie ook de vorige opmerking.

  6. PROF.DR. D.P.BLOK was een van de deelnemers aan HET DEBAT in januari 1980 in Amsterdam. Blok was van mening dat Delahaye "geen kaas heeft gegeten" van het interpreteren van klassieke bronnen en hekelde Delahaye's etymologische kennis. Met 161 blanco plaatsen op een totaal van 206 is die kennis van Blok dus blijkbaar veel beter.

  7. PROF.DR. D.P.BLOK hoonde, bij datzelfde debat, Delahaye weg met de konklusie "dat hij eigenlijk zijn tijd zat te verknoeien". Het enig juiste antwordd was dat hij inderdaad gelijk had. Hij zou beter thuis zijn gebleven om oude handschriften te leren lezen. Dat hij daar nog niet veel verstand van had, mag blijken uit zijn verkeerde citaten (zie Holle Boomstammen, p. 168-171) uit de befaamde Livius-codex.

  8. PROF.DR. D.P.BLOK meende, bij datzelfde debat, dat hij geen tijd genoeg had om alles te weerleggen. "Ik heb nu al genoeg tijd verloren". Dat daarop afkeurend boe-geroep volgde vanuit de zaal was heel begrijpelijk. Blijkbaar had Blok nog wat tijd nodig om de 161 nooit gevonden plaatsen uit de oorkonden van Werethina te zoeken.

  9. PROF.DR. D.P.BLOK opperde eens dat "het voor Delahaye voldoende was als het eerste lettertje van een oude plaatsnaam overeenkomt met de naam van een plaats in Noord-Frankrijk. Dan volgen de overige letters vanzelf wel". Een determinatie van Attingahem als Autingues is volgens Blok niet aannemelijk, ook al zijn er meerdere letters gelijk dan alleen "het eerste lettertje". De localisatie van Blok van Attingahem als Nederhorst den Berg, zijn woonplaats, is natuurlijk veel aannemelijker. En dan is de determinatie van Blok van Sclusa als "de Alpenpassen", natuurlijk ook veel aannemelijker dan het Ecluse van Delahaye. Of Amorem dat bij Blok "een rivier" is, waar Delahaye van Armorem -met R- er Armorique van maakt, de kust van Normanië en Bretagne die nu nog steeds zo heet. Zo zijn er ruim 1690 plaatsen te noemen waarvan Blok in Nederland niet eens "dat eerste lettertje" kan vinden. En al die plaatsen waarvan Blok "het eerste lettertje" al niet kan vinden, blijven dus blanco en worden verder verzwegen. Dat is wat Blok en de Nederlandse historicus blijkbaar onder wetenschap verstaat. Vooral niet al die plaatsen opnoemen waarvan je niet terug kunt vinden, waar die ooit gelegen hebben.

  10. PROF.DR. D.P.BLOK zei na afloop van datzelfde debat: "Ach het ging niet om winst of verlies. Ik verwachte niet, dat een van de partijen van standpunt zou veranderen". Toch vond Blok het best een aardige discussie! Blijkbaar stond Blok niet open voor een andere mening. En dan noemt hij zich wetenschapper.

  11. PROF.DR. D.P.BLOK vond het achteraf toch geen verloren avond, die van het debat. De beweringen van Delahaye natrekken, vond hij tijdverlies, want dat levert toch niets op. Misschien had Blok dat wel moeten doen, die beweringen van Delahaye natrekken. Misschien had hij die zoekgeraakte 161 plaatsen dan gevonden. Of was dit weer zo'n traditionele manier om vooral zonder verder onderzoek maar vast te blijven houden aan de traditie? Blok hoeft de bronnen overigens niet na te trekken, hij kent ze allemaal en weet dondersgoed dat Delahaye gelijk heeft. Dat toegeven zal hij, net als de andere historici, niet hardop durven zeggen. De eigen ondeskundigheid toegeven is immers wetenschappelijke zelfmoord.

  12. PROF.DR. D.P.BLOK had op aandringen van zijn studenten meegedaan aan het debat en in het forum plaatsgenomen. Erg overtuigend was zijn deelname dus niet en dit kwam ook zo over. Of was het de angst door Delahaye "afgemaakt" te worden als hij over zijn proefschrift van Werden zou beginnen? Want die bronnen kent Blok natuurlijk zeer goed en in dat proefschrift geeft hij Delahaye een aantal malen gewoon gelijk. En dat mocht natuurlijk niet aan het licht komen.

  13. PROF.DR. D.P.BLOK schrijft in zijn boek "De Franken in Nederland" dat in de 4e eeuw transgressie van de zee en een sterke actviteit van de rivieren plaats vond (p.19). Ondanks dat hij deze (Duinkerkse) transgressies noemt, trekt hij niet de enig juiste conclusie, namelijk dat daar waar het land overstroomd was, er in die periode geen bewoning mogelijk was. Zijn hele boek is derhalve in het water gevallen.

  14. PROF.DR. D.P.BLOK maakt van "husloth" uit de akte van 870 maar "huisbelasting", terwijl het om strandgeld of vondstengeld gaat of een premie op geredde schepen of goederen aan de kust. Het is Blok blijkbaar ontgaan dat het hier handelde over de tienden die het bisdom toebehoorden van schepen die op de kust van het Kanaal strandden. Bij Blok zijn hier zelfs de eerste twee lettertjes gelijk, toch is zijn determinatie volkomen fout.
    Daarnaast is Husloth ook de naam van een plaats, maar ook dat is bij Blok niet bekend, tenminste hij noemt de plaats nergens in "De Franken in Nederland". En typisch voorbeeld van verzwijgen, van wat niet bekend mag worden.
    In hoevrre kan Blok zichzelf een deskundig naamkundige blijven noemen, als hij van de ruim 2000 namen er slechts enkele procenten kan determineren en helaas nog foutief ook?

  15. PROF.DR. D.P.BLOK was het oneens met prof. R.R. Post met de manier waarop deze de lijsten van kerken van Echternach in Holland en Friesland benaderde. De opvattingen onder Nederlandse historici en tegenstanders van Albert Delahaye, was dus niet zo eenduidig als altijd beweerd werd. Post zag kennelijk niet, dat het verschillende lijsten waren, meende Blok. Post constateerde de vele onderlinge verschillen wel en constateerde de discrepanties ten opzichte van de oorkonde van 1063, echter die was voor hem maatgevend. Post leidde daaruit af dat de samenstellers van de lijstjes erg onnauwkeurig te werk gegaan waren en een aantal kerken vergeten waren. Post ging er blijkbaar van uit, dat het doel van de lijstjes geweest was om de rechten van Echternach op de Hollandse kerken volledig vast te leggen. Blok was eerder van mening dat de lijstjes van kerken niet bedoeld waren om een volledige opsomming na te streven, omdat ze zoveel kerken niet noemen.

    Laten nu beide heren historici het onjuist hebben! De oplossing van bedoelde lijstjes wordt gegeven in Ontspoorde Historie (tekst 75). De lijstjes met kerken en goederen van Trajectum en Aefternacum waren, na de vlucht van het klooster van Eperlecques voor de Noormannen, terecht gekomen in Echternach. Echternach ging na 1063 op zoek naar deze voormalige bezittingen, maar zocht ze in de verkeerde streek, namelijk in Holland en in Friesland. Waarom daar? Omdat daar ondertussen de Friezen waren gaan wonen. De lijstjes waren voorzien van aanwijzingen "voor broeders die op reis gaan" ("pro frateribus in via dirigendis") om de oude kloosterbezittingen op te zoeken. Uit de toegevoegde aanwijzingen verried Echternach de werkelijke opzet van deze reisbroeders. In naam van moeder de heilige kerk werd pure diefstal gepleegd, om het Echternach-imperium dat op sterven na dood was te redden en aan een grotere rijkdom en macht te helpen. Echternach deinsde er zelfs niet voor terug valse acten en oorkonden te produceren. Grote "gangmaker" van deze falsificaties was abt Theoderich van Echternach, die feitelijk verantwoordelijk gehouden kan worden voor het ontstaan van alle mythen in het eerste millennium. Immers de Willibrordusmythe staat aan de wieg van alle overige mystificaties. Toen de lijn Echternach - Utrecht eenmaal gelegd was, was de rest van de mythen een peulenschil. De Nederlandse en Duitse historici hebben deze mystificaties nooit doorzien en hebben de mythen achtereenvolgens versterkt met oneigenlijke argumentatie en overdreven nationalisme en fanaticisme, zonder acht te slaan op de vele argumenten die de mythen al vanaf het ontstaan tegenspraken.

G Terug naar boven.


Prof.dr.P.H.D.Leupen.

  1. PROF.DR.P.LEUPEN (De Gelderlander, 17 juli 1981): "Delahaye hoeft niet wetenschappelijk te werk te gaan! Wij staan in feite met de rug tegen de muur, omdat wij uitgaan van nauwkeurig onderzoek en gefundeerde bewijsvoering nodig hebben".
    Waar dat nauwkeurig onderzoek (door studenten?) uit blijkt, blijft onbekend, en waar die gefundeerde bewijsvoering in het Bronnenboek te vinden is, eveneens! Op grond van nauwkeurig onderzoek komt Leupen tot de slotsom dat er geen twijfel over kan bestaan dat in Nijmegen een Karolingische palts gelegen heeft. Dan vraagt een onafhankelijke lezer zich toch af hoe nauwkeurig dat onderzoek is geweest als er binnen 2 jaar een tweede herziene versie van het Bronnenboek verschijnt, waarin een aantal cruciale zaken gewijzigd zijn. Dit nadat op het eerste Bronnenboek een epistel aan commentaren van Albert Delahaye gegeven werd. Heel wat teksten die in het eerste Bronnenboek stonden, bleken in het tweede Bronnenboek verdwenen, ofwel werden plots aan Noyon gelaten! Zie bij
    Noviomagus.

  2. PROF.DR.P.LEUPEN stelde in hetzelfde artikel dat "onze antwoorden vragen grote achtergrondkennis over een tijd waarover erg weinig bekend is". Dat er bij Leupen weinig bekend is over de Karolingische periode verklaart wellicht dat er in het Bronnenboek zo weinig over te vinden is. Blijkbaar heeft Leupen "De Ware Kijk Op" van Delahaye niet geraadpleegd. In het Bronnenboek komt Leupen welgeteld tot 9 (negen!!) teksten over Karel de Grote en kent hij blijkbaar maar een kleine honderd teksten tussen het eind van de Romeinse tijd tot 1047. Delahaye heeft over diezelfde perioden een kleine 1000 teksten besproken in zijn boeken. Maar ja, deze teksten kent Leupen dus niet, want hij leest de boeken van Delahaye immers niet (beweert hij, maar die boeken heeft hij wel degelijk gelezen!!).

  3. PROF.DR.P.LEUPEN geeft in datzelfde artikel Delahaye voor het eerst gelijk dat er wel degelijk verwarring bestaat tussen Nijmegen en Noyon. "Ook de Franse stad Noyon heette Noviomagus, en ook daar verbleven Karolingische vorsten". Het hoge woord is er dus eindelijk uit. Nu moet Leupen alleen nog accepteren dat het woordje "ook" in de voorgaande zin beide keren weggelaten moet worden.

  4. Een citaat uit het Bronnenboek (tekst 21):

    PROF.DR.P.LEUPEN laat van de oorspronkelijke tekst 7 (zeven) namen weg, t.w. Flethite, Lisiduna, Hemi, Hengistscoto, Fornhese, Mocoroht, Widoc. Deze zijn blijkbaar voor Leupen evenveel vraagtekens. Leupen vindt in de weggelaten namen blijkbaar ook geen argumenten om zijn betoog te bevestigen, dat het genoemde Niumaga in de ondertekening, Nijmegen zou zijn. Bovendien geeft hij, en dat is juist opvallend, geen vertaling van de plaatsen Upkirika en Dorestad. Toen het Bronnenboek in 1980 uitkwam, was ondanks de kostbare opgravingen van Van Es te Wijk bij Duurstede vóór 1979, het bewijs geleverd dat dààr het gezochte Dorestad niet lag. Daarvan was Leupen blijkbaar ook zo overtuigd, dat hij de vertaling van Dorestad en Ubkirica, stilzwijgend, dus zonder verdere toelichting, maar achterwege heeft gelaten.
    Het niet vertalen van Dorestad en Ubkirica is des te opvallender, omdat Vetus Trajectum, Lockia en Rhenus, uiteraard suggestief, wel worden vertaald met Utrecht, Lek en Rijn. De priester Albricus blijft verder onvermeld, aangezien deze niet in Nederland te vinden is. Het is altijd een waarschuwing voor de allerte lezer als Leupen geen vertaling geeft. Hetzelfde gebeurt bij de gedenksteen van Frederik Barbarossa. Ook daar ontbreekt de vertaling. Dan is er blijkbaar iets te verbergen, wat ook meteen bewezen wordt.
    Ook de betekenis van het woord 'ripaticum' moet blijkbaar verborgen worden, immers ripaticum is "een steil afbrokkelende oever" en waar deze langs de Lek gezocht moet worden, blijft ook een raadsel!

  5. PROF. DR.P.LEUPEN wilde als pure "wetenschapper" niet allen de uitspraken van bisschops Muskens over St.Willibrord overtreffen, maar zich ook boven hem stellen door als HISTORISCHE PAUS van Nijmegen, deze stad een bisschopszetel te bezorgen. Dit alles door te beweren dat bisschop Harduinus van Noyon best bisschop van Nijmegen geweest kon zijn. Leupen stelde dat de schrijver van de Gesta, en niet hij, zich misschien wel eens vergist kon hebben met die bisschop!

  6. PROF.DR.P.LEUPEN profileert zichzelf graag als "wetenschapper", maar laat keer op keer blijken dat hij de boeken van Albert Delahaye niet gelezen heeft. Onder wetenschap verstaat hij blijkbaar, dat je vooral de visie van anderen niet onderzoekt. Leupen gaat naar eigen zeggen dus wel "wetenschappelijk" te werk en benoemt als historische paus van Nijmegen in 1980 een BISSCHOP VAN NIJMEGEN. Leupen is als "wetenschapper" geheel afgegaan op de foutieve indices in de "Monumenta Germaniae Historica Scriptorum". Had hij "Vraagstukken..." uit 1965 van Delahaye gelezen, dan had hij zich deze blamage kunnen besparen. Dat is bij Leupen wetenschap: vooral niet de visie van je opponenten bestuderen.

  7. PROF.DR.P.LEUPEN stelde eens dat "Delahaye door deskundigen niet voor vol wordt aangezien". Het is dan wel erg navrant dat Leupen met de ontdekking van Delahaye plagiaat pleegt, dat de oudste stad van Nijmegen beneden aan de Waal gelegen heeft. Kwam Leupen er in 1981 pas achter, Albert Delahaye had dat in 1954 reeds gepubliceerd (zie de Gelderlander van 31 juli, 3 en 10 augustus 1954). In hoeverre is Leupen zelf dan een "deskundige" en in hoeverre gaat hij wel wetenschappelijk te werk?

  8. PROF.DR.P.LEUPEN verkondigde: "De opvattingen van Delahaye worden wetenschappelijk nergens ondersteund". Dat de conclusies van Delahaye ten aanzien van Karolingisch Nijmegen allang door vrijwel alle Nederlandse historici buiten de Club van Nijmegen zijn aanvaard, is Leupen blijkbaar ontgaan. Zie de volgende opmerking, maar vooral het hoofdstuk "Bevestiging", waar zelfs "tegenstanders" van de visie van Albert Delahaye duidelijk maken, dat ook zij twijfels hebben bij de veronderstelde geschiedenis en door hun uitspraken (onbedoeld?) zelfs medestanders worden. Zie ook bij "Het gelijk van Delahaye".

  9. PROF.DR.P.LEUPEN erkent bij de presentatie van zijn tweede Bronnenboek dat hij de boeken van Albert Delahaye nog nooit gelezen heeft. Dat verstaat Leupen dus onder nauwkeurig wetenschappelijk onderzoek: de werken van iemand met een gefundeerde andere mening niet eens bekijken en ongelezen verwerpen.

  10. PROF.DR.P.LEUPEN in 'Spiegel Historiael" van december 1980 (blz.689) "Bij het controleren van de juistheid van de naam Noviomagus zijn wij vrij voorzichtig geweest; een bekende mededeling als die uit het jaar 925 bij Flodoard van Reims werd niet opgenomen in het Bronnenboek, omdat Noviomagus hier genoemd wordt tezamen met Franse steden als Beauvais, Amiens en Atrecht. Dat wil overigens niet zeggen dat deze vermelding dus niet op Nijmegen betrekking kan hebben. Zolang nog geen diepgaand onderzoek naar het gebruik van plaatsnamen bij Flodoard geschied is, moet men rekening houden met de mogelijkheid dat toch op Nijmegen en niet op Noyon gedoeld wordt". Dit soort onzin sla je er als professor doctor dus uit, als je de boeken van Albert Delahaye weigert te lezen, waarin dit diepgaand onderzoek van de tekst van Flodoard reeds lang gedaan is! Hoe komt die man aan die titels?

  11. PROF.DR.P.LEUPEN hanteerde eens als argument dat de Germaanse vorm NUMAGA in bronnen genoemd, altijd op Nijmegen moest slaan, eenvoudig omdat een Germaanse naam niet op het Romaanse Noyon betrekking kon hebben. Dit in navolging van prof.Stolte die ooit hetzelfde argument hanteerde. Bij hen ligt Aken blijkbaar in Nederland, Aachen in Duitsland en Aix-en-Chapelle in Wallonië of Frankrijk. Ook in het Bronnenboek wordt ditzelfde argument gehanteerd. Leupen is blijkbaar nooit in Duitsland geweest, waar je lang kunt zoeken voor je Nijmegen gevonden heb. Net over de grens met Duitsland heet zijn stad immers Nimwegen!

  12. PROF.DR.P.LEUPEN schrijft in de inleiding van het Bronnenboek: "Welke andere plaats in Nederland wordt meer dan 70 maal genoemd in de periode 777 - 1000?" Het antwoord "geen", zet zelfs Leupen niet aan het denken. Nijmegen zou als enige stad in Nederland bestaan hebben, overigens in allerlei Franse teksten, tussen allemaal FRANSE steden. Verrassend is dan dat in "Het Valkhof van Nijmegen" enkele malen vermeld wordt dat de stad Nijmegen in deze periode niet heeft bestaan. Dat de kroniekschrijvers zich vergist zouden hebben, zeg maar liever de indiceerders van de Monumenta Germanica, dat zou kunnen! Maar dat de keizerlijke en koninklijke kanselarijen oorkonden zouden uitgeven in een niet bestaande stad, dàt is toch iets teveel gevraagd. Alle oorkonden ondertekend met "Actum Noviomago" behoren dus toe aan een toen wèl bestaande stad: Noyon.

  13. PROF.DR.P.LEUPEN laat keer op keer merken, dat hij, hoewel hij ervoor geleerd heeft, feitelijk geen verstand heeft van geschiedenis. Zo roept hij triomfantelijk uit dat Delahaye een Duitse keizer in Noyon laat regeren! Achtergronden, toch onontbeerlijk om sobere teksten van kronieken te begrijpen, daar schijnt Leupen nog weinig van te weten. Hij is blijkbaar niet op de hoogte van het feit dat Noyon tot ver in de 12e eeuw een Duitse stad is gebleven, met een burcht van het H.Roomse Rijk. Zij lag territoriaal wel in Frankrijk, maar heeft lang niet bij en zeker niet aan Frankrijk behoord. Bovendien schijnt het tekenen van documenten door vorsten die zich in het "buitenland" bevinden, bij hem onbekend te zijn. In de archieven van ons eigen land zijn daarvan vele voorbeelden te vinden! Ook onze koningin tekent regelmatig stukken, als zij in het buitenland op haar vakantieadres is.
    Blijkbaar heeft Leupen ook nooit van "enclaves" gehoord, waar het in west-Europa van wemelde in de vroege en late Middeleeuwen. Het diskwalificeert zijn kennis van de Middeleeuwse geschiedenis op overtuigende wijze. Het ging met "enclaves" zelfs zo ver dat "ieder die binnen de parochies van O.L.Vrouw of van St.Pieter in Maastricht geboren was, onderdaan van Luik zou blijven, waar hij ook ging wonen". Ofwel, binnen de stad Maastricht was er sprake van een rechtsgeldige "enclave" van de stad Luik. (Bron: Dr.H.P.H.Jansen, p.165)

  14. PROF.DR.P.LEUPEN, wetenschappelijk medewerker van het Instituut voor Middeleeuwse Geschiedenis aan de Universiteit van Nijmegen en auteur van "Het Bronnenboek van Nijmegen", claimt zorgvuldig en nauwkeurig te werk te zijn gegaan met Het Bronnenboek. In het eerste Bronnenboek heet Gorissen gewoon dr., in het tweede Bronnenboek is hij opeens tot professor gebombardeerd, wat aantoont dat Leupen zijn eigen tekst niet eens korrekt kan overschrijven. Wat zal die man dan van vroeg-middeleeuwse teksten maken? Zo zal hij wel een "de Bisschop van Nijmegen" gekomen zijn.

  15. PROF.DR.P.LEUPEN heeft in het tweede Bronnenboek enkele namen van medewerkers geschrapt. Hebben zij zich vrijwillige teruggetrokken nadat zij zagen onder welk wanproduct zij hun handtekening hadden gezet? Of zijn ze geroyeerd als lid van de "Club van Nijmegen" wegens onvoldoende steun voor het Bronnenboek of omdat zij achteraf toch wel enige kritiek hebben gehad op het wanproduct waaraan zij hun "medewerking" hadden verleend? Laat een van hen (de namen zijn bekend: zie De Bisschop van Nijmegen p.147) eens de ware reden van hun afwezigheid in het tweede Bronnenboek vermelden. Het zal veel duidelijkheid verschaffen.
    Op vergelijkbare wijze verdwijnen er ook vaak plaatsen en jaartallen uit de geschiedenis van Nijmegen en/of van Nederland. Feiten waarmee aanvankelijk de waarheid van de traditie "bewezen" werd, verdwijnen stilzwijgend uit de boeken, zonder verdere toelichting waarom deze verdwenen zijn. Als bekendste voorbeelden mogen de invallen van de Noormannen in 880 en 925 in Nijmegen dienen. Zie ook de hele lijst van jaartallen in het overzicht over Noviomagus, Noviomus en Noviomo.

G Terug naar boven.


Prof.dr.B.H.Stolte.

  1. PROF.DR.B.H.STOLTE blijft geloven dat Karel de Grote in Nijmegen geresideerd heeft. dat er nooit sporen van een paleis zijn gevonden deert hem blijkbaar niet. Het is allemaal oude koek wat Delahaye schrijft (n.a.v. zijn nieuwe boek De Mythe van de Noormannen: NRC, 12=3=1977). Toen hij Novionagus naar Frankrijk liet verhuizen, moest de hele Betuwe rnee, Utrecht, Dorestad, de Friezen en de Noormannen, een kettingreactie dus. Zelfs Hamburg en Bremen moesten mee naar het zuiden. Ik heb bewondering voor zijn werkkracht en vastberadenheid, maar hij is niet voor rede (=redelijkheid -Van Dale) vatbaar." aldus Stolte. Nu is Delahaye wel voor redelijkheid vatbaar, maar de vraag is of Stolte wel over voldoende rede (denkvermogen -Van Dale) beschikt om de déplacements historiques" van Delahaye te begrijpen. De voorstelling die Stolte geeft is een karikatuur (wat misschien de bedoeling was?)

  2. PROF.DR.B.H.STOLTE heeft nog nooit een officiële historicus ontmoet die in Delahaye gelooft. Of hij Delahaye wel eens ontmoet heeft? Dat blijkt niet het geval (NRC. 12-3-77).
    Blijkbaar is bij Stolte iedere historicus die de opvattingen van Delahaye onderschrijft, geen officiële historicus meer. Er zijn immers genoeg historici te vinden die de opvattingen van Delahaye in eigen publicaties onderschrijven: zie bij
    Citaten!. Blijkbaar heeft Stolte daar geen weet van. In hoeverre ben je dan zelf een officieel historicus, als je niet op de hoogte bent van wat anderen publiceren.

  3. PROF.DR.B.H.STOLTE EN PROF.DR.R.R.POST stelden eens nadrukkelijk: "Zoals de oorkonde voor ons ligt, kan zij niet echt zijn!" De tekst werd onzuiver verklaard om moeilijkheden te voorkomen. Beter was geweest t.a.v. deze tekst te verklaren "Zoals de oorkonde voor ons ligt, kan zij niet op Nederland slaan!" Dat zou de juiste zienswijze zijn geweest!

  4. PROF.DR.B.H.STOLTE kermde in nr. 724 van de A&O-reeks van 29 aug.1958: "Een slag dreigt onze vaderlandse trots te verpletteren! Het kan een ramp worden van zo'n omvang, dat elke vergelijking mank moet gaan! Onze hele vaderlandse geschiedenis van vóór het jaar 1000 moet worden herschreven, indien de beweringen van Albert Delahaye juist zouden blijken te zijn". En dat ze juist waren is ondertussen -in 2008- wel gebleken! Karolingisch Nijmegen wordt door niemand meer serieus genomen! In het betreffende boekje voert Stolte overigens geen enkel bewijs aan dat de opvattingen van Albert Delahaye onjuist zijn, integendeel. Naast een uitvoerige uitleg van de Peutingerkaart komt hij niet verder dan de kreet "Nijmegen is toch Noviomagus!" Over het "Waarom dan?" geen woord!

    Dat de redactie van A.& O. de heer Delahaye ruimte bood voor een weerwoord en hij dat geweigerd zou hebben, is een pertinente leugen. Voor het verschijnen heeft Delahaye de betreffende brochure niets eens gezien. Na contact opgenomen te hebben met de redactie na het verschijnen van deze brochure, bleek er gewoon sprake te zijn van bewuste kwaadwilligheid. De redactie wilde (blijkbaar) kost wat kost de historische traditie redden. Met enkele leugens meer zal ook hiervan geen sprake zijn. De historische traditie is niet meer te redden, zelfs niet met leugens, waarop zij al te lang gestoeld is geweest.

  5. PROF.DR.B.H.STOLTE: "Gelukkig, we kunnen weer gerust zijn. We kunnen trots blijven op de roemrijke Bataven uit onze geschiedenis. Ze hebben in de Betuwe gewoond". Dat de Bataven pas in de 17e eeuw voor het eerst met de Betuwe in verband werden gebracht, heeft Stolte blijkbaar nooit geweten. En dat er in de hele Betuwe archeologisch geen spoor van die Bataven is teruggevonden, maakte Stolte blijkbaar ook niet zoveel uit! Hoewel er in de Betuwe wel sporen van enige bewoning zijn aangetroffen, is nooit enig bewijs geleverd dat het hier om Bataafse nederzettingen zou gaan.

  6. PROF.DR B.H.STOLTE schrijft over de Nederlandse opvatting over de Peutingerkaart (Tabula Peutingeriana): "Het is niet zo eenvoudig een weg van de Tabula te reconstrueren. Als de weg zelf niet wordt teruggevonden, hetgeen in ons rivierengebied tot nu toe niet altijd met zekerheid is gelukt (beter is te stellen: helemaal niet is gelukt), is men op een reeks vermoedens aangewezen, die niet steeds een afgerond resultaat geven. Dikwijls moet men zich met een aanwijzing van een mogelijkheid tevreden stellen." Je vraagt je wel eens af als je deze ontboezeming leest, waarom Stolte (en anderen) nog durven vasthouden aan de sterke traditie van onze vaderlandse geschiedenis, die op een reeks vermoedens in gebaseerd?

  7. PROF. DR B.H.STOLTE betoogde bij het weerleggen van de twijfel van Albert Delahaye t.a.v. de Peutingerkaart: "De meeste zekerheid heeft men als de naam uit de Romeinse tijd is blijven voortleven, zoals bij Blerick-Bleriacum en Nijmegen-Noviomagus, en als de door oude documenten opgegeven afstanden goed uitkomen!" Dat wordt zomaar even gesteld, terwijl de archeologie aantoont dat er GEEN enkele continuïteit in de bewoningsgeschiedenis van Nijmegen of Blerick heeft bestaan. Is de naam ter plekke meer dan 7 eeuwen dan een beetje in de lucht blijven hangen?

  8. Terwijl Albert Delahaye voor zijn nieuwe zienswijze op de Peutinger-kaart de hoogste lof krijgt van Franse deskundigen, roept PROF. DR B.H.STOLTE uit: "Hij heeft maar wat plaatsen genomen, die toevallig met dezelfde letter beginnen"! In de Nederlandse determinaties van de kaart is "toevallig" nogal vaak geen enkele letter gelijk. De Nederlandse determinatie laat zich het best typeren door de tot lachen uitnodigende nevenschikking Nigropullo - Zwammerdam!

  9. PROF.DR.B.H.STOLTE meende met het gezegde "Schoenmaker blijf bij je leest", dat Albert Delahaye zich niet moet bemoeien met de geschiedenis van ons land, maar dat moet overlaten aan de deskundigen, die oude handschriften kunnen lezen en naar wetenschappelijke bewerking kunnen interpreteren (Numaga, XIII, blz. 18). Nu is het lezen van oude handschriften voor Albert Delahaye als archivaris toevallig wel zijn "leest" en levert dan ook geen enkel probleem op. Waar Delahaye wel moeite mee had, en daar had Stolte dus "gelijk", is met het interpreteren van die oude teksten. Juist op de "wetenschappelijke bewerking" gaf Delahaye commentaar en had hij een andere visie, en daar was Stolte, voormalig leraar aan een middelbare school te Roosendaal, niet zo gelukkig mee. Schoenmaker blijf bij je leest: een leraar is nog geen historisch wetenschapper!

  10. PROF. DR B.H.STOLTE slaakte eens de triomfantelijke kreet "dat Delahaye geen Latijn kent" toen deze 'septentrio' met 'west' i.p.v. noord 'vertaalde'. In werkelijkheid betekende dit dat Stolte, en met hem alle klassici, de west-oriëntatie bij de klassieke schrijvers blijkbaar nooit had opgemerkt. Het niet opmerken van de west-oriëntatie ligt mede ten grondslag aan alle foutieve opvattingen over de historische geografie van westelijk Europa sinds de Romeinen. Als de Pyreneeën door Ptolemeus in het westen van Frankrijk worden geplaatst, moet men zich toch wel afvragen wat hij dan met de Noordelijke Oceaan bedoeld!

  11. PROF.DR.B.H.STOLTE heeft eens terecht opgemerkt dat Delahaye de lengte- en breedtegraden van Ptolemeus onderling verwisseld had, wat hij uiteraard lanceerde als een dodelijk argument ten opzichte van de visie van Delahaye. Helaas levert hij daarmee het volgende bewijs dat hij, en met hem veel klassici, de west-oriëntatie bij de klassieke schrijvers nooit opgemerkt heeft! Zij kunnen dus rustig opnieuw beginnen met het bestuderen en interpreteren van de klassieke schrijvers.

  12. PROF. DR. B.H.STOLTE hanteerde eens als argument dat de Germaanse vorm NUMAGA in bronnen genoemd, altijd op Nijmegen moest slaan, eenvoudig omdat een Germaanse naam niet op het Romaanse Noyon betrekking kon hebben. Bij hem ligt Aken in Nederland, Aachen in Duitsland en Aix-en-Chapelle in Wallonië of Frankrijk. Ook Leupen past dezelfde foutieve denkwijze toe in zijn Bronnenboek. Hij is blijkbaar nooit in het buitenland geweest, waar je lang kunt zoeken voor je Nijmegen gevonden heb. Net over de grens met Duitsland heet zijn stad immers Nimwegen!

  13. PROF. DR. B.H.STOLTE stelde eens dat in Noord-Frankrijk geen plaats was voor de Bataven, want daar woonden al de Ambiani, Caleti, Viromandui en Bellovaci. Een onnozeler argument kan men zich nauwelijks voorstellen. Als men zijn voorbeeld op onze tijd zou toepassen zou hij gezegd kunnen hebben dat in ons land al Zeeuwen, Hollanders, Brabanders, Utrechtenaren, Groningers, Friezen enz. wonen, zodat er geen plaats meer is voor Nederlanders.

    Professor Dr.B.H.STOLTE begreep maar al te goed dat toegeven aan het gelijk van Delahaye zijn historische zelfmoord zou betekenen. Dat verklaart ook de felheid waarmee hij Albert Delahaye bestreed. Hij liet daarbij geen middel ongebruikt. Zelfs zijn titel (die Albert Delahaye nooit gekregen heeft, ondanks zijn wetenschappelijke verdienste) werd daarbij als argument gebruikt. "Ik zal het als 'professor docter' toch wel beter weten dan zo'n simpel 'archiefambtenaartje'. Het mag blijken uit de teneur van zijn artikelen in Numaga waarin hij een weerwoord schreef op de visie van Albert Delahaye. De volgende titels spreken voor zich: - Demystificatie van het mysterie van de Keizer Karel-stad (1963-p.9) ; - Overbodige vraagstukken in de historische geografie van Nederland (1966-p.11) en - Driemaal Noviomagus (1966-p.233). Dat Stolte daarbij zelfs de meest onnozele argumenten aanvoerde die een professor maar kan bedenken, mag uit bovenstaande citaten blijken. En Stolte dacht blijkbaar daarmee iedereen te overtuigen. Hij wist wel beter. Dat verklaart mogelijk ook waarom hij tijdens het debat van 28 januari 1980 zo afwezig voor zich uit zat te staren. Opvallend maar veelzeggend is dat prof.dr.Stolte in het Bronnenboek van Nijmegen in de literatuuropgave geheel ontbreekt. Zijn artikelen hebben op de huidige generatie historici toch niet zo'n overtuigende indruk achtergelaten, dat deze nog als waardevol worden beschouwd en geciteerd zouden worden.

  14. PROF. DR. B.H.STOLTE promoveerde in 1949 op een studie van de Geograaf van Ravenna. Stolte is lang een van de felste bestrijders geweest van de visie van Albert Delahaye. Met Hugenholtz is hij er ook verantwoordelijk voor dat het boek "Vraagstukken..." in 1966 zo werd weggehoond dat niemand er meer aan begon. Hij schreef in 1949 zijn proefschrift over de Geograaf van Ravenna, dat van A tot Z dus onjuist is. Om dit niet bekend te laten worden, reageerde hij met de regelmaat van een klok op alle publikaties van Delahaye, maar hij sprak daarbij nooit over de Ravennas. Dit pijnlijke punt mocht niet aan de dag komen. Van de na-oorlogse promovendi is hij het dichtst bij de oplossing van de mythen geweest; daar de teksten van de Ravennas warempel wel duidelijk zijn, tenminste wanneer men de west-oriëntatie ontdekt en precies hier miste Stolte de boot. Hij bleef maar schermen met Noviomagus en de Peutinger-kaart, wat hem een professoraat in Nijmegen opleverde. Maar bij al zijn aanvallen en grofheden - hij alleen kent Latijn! - had hij vergeten "Germania" van Tacitus te lezen.

  15. PROF.DR.B.H.STOLTE is van mening dat het boek van Delahaye beter niet geschreven had kunnen worden. Het ontbreekt aan elke wetenschappelijke bewerking van het verzamelde materiaal, Het is een product van slecht diletantisme, het wemelt van de slordigheden en onnauwkeurigheden, van blijken van schrikbarende onkunde op bijna elk gebied dat hij betreedt. "Wij stammen af van de Batavieren", stelt Stolte nadrukkelijk. Met zoveel "botte beweringen" zou je het bijna gaan denken.
    In de onlangs verschenen T.V.-productie "Het verleden van Nederland" wordt erkent dat wij niet afstammen van de Batavieren. Wat had Albert Delahaye in 1965 al een vooruitziende blik en zat Stolte er toen al faliekant naast.

G Terug naar boven.


Prof. dr. R.R.Post.

  1. PROF.DR.R.R.POST heeft zich al eerste heftig tegen de opvattingen van Albert Delahaye gekeerd. Hij verklaarde deze als lariekoek en volstrekt onmogelijk. Post meende dat hij als kerkhistoricus ook verstand had van andere vakgebieden. Hij begaf zich bewust op een voor hem onbekend terrein en fouten konden dan ook niet uitblijven. Toch begreep Post terdege dat Delahaye volkomen gelijk had met de tekst uit 1024, waarin een bisschop van Noviomagus genoemd wordt, dat dit nooit de bisschop van Nijmegen geweest kon zijn. Over dit detail heeft hij altijd gezwegen als het graf. Zijn betoog tegen Delahaye blijkt de tand des tijds niet te hebben overleefd. Tegenwoordig lees je niets meer over Post. Ook het Bronnenboek van Nijmegen vermeldt hen niet.

  2. PROF.DR.R.R.POST: over de akte uit 777 waarin sprake is van een schenking van Karel de Grote aan de kerk van Trajectum. De ondertekening met Niumaga moet "zonder de minste twijfel" als Nijmegen worden opgevat, meende Post. Immers de akte handelt over een schenking aan de kerk van Utrecht, en de korte afstand tussen de schenking en de plaats van de oorkonde maakt de interpretatie van Nijmegen dwingend. Het is onvoorstelbaar, dat dit argument kwam van een hoogleraar in kerkgeschiedenis! Het is een onvergeeflijk vergrijp tegen de historische methodiek, daar men zulke konklusie niet mag trekken. Zou zij opgaan, dan zou men ook alle plaatsen van de gehele wereld, in de bullen van de Paus genoemd, in de omgeving van Rome moeten lokaliseren. Zelfs als het inderdaad een schenking aan Utrecht was geweest (maar dat was het niet), dan doet het niet terzake op welke afstand die uitgegeven is.

  3. PROF. R.R.POST: "Dit Noviomagus moet Nijmegen zijn, omdat het zo dicht bij Aken ligt." Zie de vorige opmerking.

  4. PROF.DR.R.R.POST en PROF.DR.B.H.STOLTE stelden eens nadrukkelijk: "Zoals de oorkonde voor ons ligt, kan zij niet echt zijn!" De tekst werd onzuiver verklaard om moeilijkheden te voorkomen. Beter was geweest t.a.v. deze tekst te verklaren "Zoals de oorkonde voor ons ligt, kan zij niet op Nederland slaan!" Dat zou de juiste zienswijze zijn geweest!

  5. PROF. R.R.POST publiceerde in Numaga -een tijdschrift dat zich met de oude naam van Noyon heeft getooid- een artikel "Uilen naar Athene dragen" om daarmee aan te geven dat er geen enkele reden was te twijfelen aan de Karolingische traditie van Nijmegen. Net zo min als het nodig was om wijsheid naar Athene te brengen, leek het onnodig om de Karolingische traditie te betwijfelen.
    Had men maar wat van die Uilen van wijsheid naar Nijmegen gebracht!

  6. PROF. DR. R.R.POST (De Tijd, l0 mei 1958): "Het geheel is een tragisch raadsel; hoe is het mogelijk dat een man, die zoveel materiaal weet bijeen te brengen en zich zo vindingrijk in het argumenteren betoont, zich zó door een dwaas idée heeft laten leiden, dat hij wat daarmede duidelijk in strijd komt verzwijgt of wat niet zo duidelijk is, naar zijn mening tracht om te buigen" (hij bedoelde de akte van 777).

  7. PROF. DR. R.R.POST en PROF. DR. F.W.N. HUGENHOLTZ hebben in 1965 ook het boek "Vraagstukken..." tot verboden lektuur aan de universiteiten verklaard. Bij lezingen voor hogeschool-studenten kreeg Delahaye keer op keer het verwijt te horen dat zij nooit van "Vraagstukken..." hadden gehoord. Dan is studenten vlug aan het verstand te brengen, dat zij met dit verwijt aan het adres van hun professoren Hugenholtz en Stolte moesten zijn, die als ter zake deskundigen de universiteitsbibliotheek een censuur opgelegd hebben ten aanzien van hen niet welgevallige uitgaven. Over open staan voor discussies gesproken.

G Terug naar boven.


Dr. M.Gysseling.

  1. Dr.M.GYSSELING, een Vlaams toponymist, vindt zichzelf een eminent vakman, maar liet, gezeten in het midden van de gebieden waarover de diskussie gaat, heel wat steekjes vallen. Aangenomen moet worden dat hij alle of minstens de belangrijkste oude bronnen op namen heeft onderzocht. Dat hij de honderden volle of gedeeltelijke doublures in de plaatsnamen tussen Nederland en zijn eigen streek niet heeft opgemerkt kan men hem niet kwalijk nemen, omdat hij evenals de anderen verblind was door de mythen. Maar Delahaye had van deze indirect bij de zaak betrokken Maurits Gysseling op zijn minst verwacht, dat hij alle aangevoerde plaatsnamen die Delahaye steeds in de discussies opvoerde, tenminste onderzocht zou hebben. Zijn aprioristische stellingname met kategorische afwijzing van zelfs maar de mogelijkheid van vergissingen, zegt voldoende dat en hoe de naamkundigen zich in fundamentele zaken vergisten en op welke grove wijze zij hun eigen discipline teloor hebben laten gaan.

  2. Dr. M.GYSSELING, een bekend Vlaams naamkundige, verklaarde eens dat hij "Delahaye eens ging aanpakken". Dit nadat Delahaye had aangetoond dat Gysseling er in zijn Toponymische Woordenboek (dat Gysseling zelf ooit verouderd noemde) maar een potje van maakt. Zo slaat hij ruim 1600 plaatsen (gemakshalve?) over, maakt hij nauwelijks onderscheid tussen Romaanse en Germaanse plaatsnamen, voor een toponymist een "doodzonde", en heeft hij ook nooit de hoeveelheid doublures tussen plaatsen uit Frans en Belgisch Vlaanderen en het noorden van Nederland en Duitsland opgemerkt. Natuurlijk is zijn weerstand en misnoegen zo groot, omdat Delahaye ontdekte wat hij had moeten ontdekken. Hier is tevens sprake van een grove ondankbaarheid tegenover het streven van Albert Delahaye om Vlaanderen en Frans-Vlaanderen hun historisch eigendom terug te geven.

  3. Dr. M.GYSSELING stelde in "De Franse Nederlanden, 1980" dat "Geen enkele bewering van Delahaye bevat waarheid. Hij houdt zijn lezers met een beroep op de absolute Waarheid die God is, op een grandioze manier voor de gek. Ik heb mijn tijd nodig voor creatief werk."
    Herleidt Gysseling die absolute waarheid uit de titel van het boek van Delahaye, dat immers begint met het woord "Vraagstukken..." Of uit de vele vragen die hij hierin stelt en die de wetenschap voor grote raadsels plaatst? Gysseling is net als Hugenholtz blijkbaar een wetenschapper die nogal eens creatief - uitbeelding naar eigen opvatting (Van Dale)- te werk wil gaan. Dan mag je vraagtekens zetten bij zijn bevindingen "naar eigen opvatting" en die dus nergens geverifieerd kunnen worden. Geen wonder dat Delahaye kritiek op die "eigen opvattingen" had. Het verweer van Gysseling komt er op neer dat alleen hij de enige is die de waarheid kent. De conclusie is: Gysseling weet het beter.

  4. Dr. M.GYSSELING gebruikt in zijn betoog tegen Delahaye herhaaldelijk het woord "onmogelijk". "Alle identificaties van Delahaye zijn onmogelijk". Als toponymist zou hij als eerste moeten weten dat in naamkunde alles mogelijk en niets onmogelijk is. Waar mensen spreken en anderen schrijven ontstaan de meest onmogelijke schrijfwijzen en uitspraken. Als toponymist zou Gysseling moeten weten dat daar op de taalgrens, waar plaatsen steeds 2 namen hebben, vanaf de Romeinse tijd soms zelfs 3 of 4 of meer, alles mogelijk is. Het zal Gysseling toch wel bekend zijn dat de streek rond Calais (=Kales) tussen 1346 en 1558 ruim 210 jaar in Engelse handen is geweest en er op het gebied van naamgeving dan niets onmogelijk is. Of kan hij de relaties tussen Lille en Rijssel eens vlot verklaren? Of die tussen Gesoriacum, Bononia, Boulogne en Boonen?

  5. Dr.M.GYSSELING zou als naamkundige toch als eerste een verklaring moeten geven waarom Gallo-Romaanse namen in het Germaanse taalgebied terecht gekomen zijn. Hij roept uit dat de uitleg van Delahaye "onmogelijk" is, als hij deze namen in het Romaanse taalgebied terug weet te vinden. Bovendien dient Gysseling ook aan te tonen dat er een continuïteit heeft bestaan tussen de Romeinse en Middeleeuwse plaatsen, voordat je er zomaar een naamkaartje op plakt. Hier is de visie van Gysseling wellicht de juiste, want het aantonen van die noodzakelijke continuïteit is inderdaad "onmogelijk".

  6. Dr.M.GYSSELING, Vlaams toponymist, maakt van Mannaricium, een plaats uit de Romeinse periode, de plaats Maurik, waarop hij vervolgens het argument bouwt dat Trajectum DUS Utrecht is, immers het lag er vlak bij. Voor deze stelling voert Gysseling (ondanks al zijn titels) geen enkel bewijs aan. Ook de dan benodigde continuïteit in bewoning tussen het midden van de 3e eeuw en de 7e eeuw voor Maurik of Utrecht (die er volgens de archeologie niet is) wordt door hem ook niet gegeven.

  7. Dr.M.GYSSELING, Vlaams toponymist, verweet Delahaye eens (Limburg Aktueel, 23 dec. 1980) dat hij gebruik maakte van hopeloos verouderd materiaal. Het betrof zijn eigen Toponymisch Woordenboek uit 1950, dat blijkbaar niet aktueel meer is. Delahaye verwijten dat zijn eigen woordenboek hopeloos verouderd is ofwel dat er veel fouten in staan, is nu precies wat Delahaye ook gedaan heeft. Het woordenboek van Gysseling is niet alleen hopeloos verouderd, maar ook vaak foutief. Maar Gysseling wist alles toch beter? Over welke deskundigheid hebben we het dan nog als hij zijn eigen boek hopeloos verouderd vindt?

G Terug naar boven.


Caspar van Heel.

  1. CASPAR VAN HEEL herhaalde in het Nederlands Archievenblad (1982 - p.241) met een stalen gezicht, wat professor Hugenholtz eerder betoogde, namelijk dat "de Noormannen na hun bezoeken aan Nederland alle sporen van hun aanwezigheid hadden "opgeruimd" . Wat aantoont hoe besmettelijk die infantiele beweringen kunnen zijn.

  2. En om aan te tonen dat zo'n infantiele bewering echt besmettelijk is, verklaart de Gelderlander (een krant uit de omgeving van Nijmegen) het gemis aan enige Karolingische relikten in Nijmegen met "dat men moest aannemen dat Karel de Grote bij zijn vertrek alles zo netjes had opgeruimd dat er niets meer van zijn verblijf te vinden is!"

  3. CASPAR VAN HEEL noemde in een recensie het boek "Holle Boomstammen" van Delahaye weinig wetenschappelijk, omdat Delahaye geen bronnen geeft. (Nederlands Archievenblad, 1982 - p.359). Hoewel Van Heel in die recensie zelf vermeldt dat het om een populaire versie van "Vraagstukken in de historische geografie van Nederland" betreft, heeft hij dit laatste boek blijkbaar nooit gelezen, want hierin worden wel degelijk alle bronnen genoemd.

  4. CASPAR VAN HEEL gaf aan dat hij het boek "Holle Boomstammen" van Delahaye met ergernis en tegenzin heeft gelezen (Nederlands Archievenblad, 1982 - p.359). Voor iemand die zich "wetenschapper" wil noemen wekt het vernemen van een andere opvatting dus ergernis en tegenzin op.

  5. CASPAR VAN HEEL noemt "de bisschop van Nijmegen" van Leupen ook een blunder (Nederlands Archievenblad, 1982 - p.238), maar verdedigt de Nijmeegse selectie waarin alle teksten over Noviomagus waar ook maar een luchtje Noyon aan zit zijn weggelaten. Van tekstkritiek en historische naamkunde heeft Van Heel blijkbaar nooit gehoord, daar hij instemt met twee residenties van Karel de Grote die allebei Noviomagus heten.

  6. CASPAR VAN HEEL verkondigt in dezelfde recensie de pertinente onwaarheid dat Delahaye de bouw van een nieuw paleis door Karel de Grote te Noviomagus weggelaten zou hebben. Blijkbaar heeft hij het boek "Holle Boomstammen" toch niet goed gelezen, want op blz. 40 wordt dit wel degelijk genoemd.

  7. CASPAR VAN HEEL heeft Delahaye beschuldigt van "overslaan", maar vindt het blijkbaar heel vanzelfsprekend dat "Het Bronnenboek van Nijmegen" de 130 plaatsen in Batua overslaat, die in de oorkonde van Lorsch genoemd worden. Wat Delahaye dan wel allemaal overslaat blijft onvermeld.

  8. CASPAR VAN HEEL heeft van de Peutingerkaart blijkbaar niet zo veel begrepen. Hij heeft op die kaart "een truc" (zoals hij het zelf noemt) toegepast. Met tegenwoordige geografische berekeningen komt hij met Lugdunum ergens tussen Knokke en Katwijk uit: in elk geval in Nederland, zoals hij betoogt. Er zou eens een kollekte voor hem gehouden moeten worden, zodat de man zich een atlas kan aanschaffen en eens kan opzoeken dat Knokke allerminst in Nederland ligt. Voordat hij 'een truc' zou gaan toepassen, had hij misschien ook de Peutingerkaart wat beter moeten bestuderen. Dan had hij meteen al bij een eerste oogopslag kunnen zien dat een kaart van 36 cm. hoog en ruim 6 meter lang verre van overeen kan komen met welke geografische werkelijkheid dan ook. Dan had hij misschien ook gezien dat Rouaan (Ratumagus) op dezelfde hoogte ligt als Boulogne (Bononia). In werkelijkheid is het verschil in geografische breedte tussen beide plaatsen 145 km.

G Terug naar boven.


G.Th.M.Lemmens.

  1. G.Th.M.LEMMENS, directeur van het voormalig Nijmeegs Museum 'Commanderie van St.Jan' heeft in 'Het Valkhof te Nijmegen' de medewerkers van het Bronnenboek geprezen "om geen zinloze discussie met tientallen detailargumenten aan te gaan over de kwestie, of Karel de Grote wel ooit in Nijmegen is geweest". Verbeeld je toch! We gaan toch zeker niet discussiëren over de zaak waar het juist om gaat! Bij hem staat het vast dat Karel de Grote wèl in Nijmegen is geweest! Daarvoor is een discussie bij voorbaat belachelijk. Waarom er dan een Bronnenboek noodzakelijk was, anders dan om juist dit aan te tonen, blijft een vraag!

  2. G.Th.M.LEMMENS verheugt zich in 'Het Valkhof te Nijmegen' over de nieuwe interesse voor het Valkhof, zowel in het gebouw als zodanig als in de ermee samenhangende ontstaansgeschiedenis van Nijmegen.
    "In historisch verband kan men de laatste tijd niet over de vroege geschiedenis van de burcht spreken zonder de met groot elan naar voren gebrachte theorieën over de zogenaamde 'blunder' van alle historici te noemen, die zich in de localisering van de gebeurtenissen uit de eerste tien eeuwen van onze jaartelling maar liefst honderden kilometers vergist zouden hebben".Daarmee doelt hij duidelijk op de opvattingen van Albert Delahaye, zonder zijn naam echter te noemen. Deze houding van Lemmens staat symbolisch voor de wijze waarop men in Nijmegen met
    wetenschap omgaat. Bovendien hebben niet alle hitirici zich vergist, want er is altijd twijfel geweest over een aantal "zekerheden" uit die traiditionele geschiedenis. Zelfs Blok en Leupen spreken die twijfel uit.

  3. G.Th.M.LEMMENS erkent in datzelfde boek dat de St.Nicolaaskapel uit de 11e eeuw stamt. Dat hij daarmee Albert Delahaye volkomen in het gelijk stelt, heeft hij blijkbaar niet begrepen. Immers de hele Karolingische traditie van Nijmegen was juist vastgepind op die "Karolingische" kapel, waarvan geen steen Karolingisch blijkt te zijn.

  4. G.Th.M.LEMMENS stelt dat op grond van reisroutes en dateringen van oorkonden de palts Numaga te Nijmegen gelegen moet hebben. Let vooral op dat "moet".
    Hoe Lemmens op grond van reizen tussen 2 plaatsen en data van oorkonden, meent te kunnen vaststellen welke plaatsen dan bedoeld zouden kunnen zijn, wordt echter verzwegen. Hoe Het Bronnenboek i.c. Leupen kan aantonen met een reis tussen Haristallio en Niumaga hieronder dus Nijmegen begrepen moet worden, zal iedereen ontgaan.

  5. G.Th.M.LEMMENS erkent in de inleiding van hetzelfde boek dat het niet onomstotelijk te bewijzen is dat die Karolingische bouwwerken op het Valkhof stonden. Niet "onomstotelijk te bewijzen?" Er is gewoon geen enkel bewijs. Archeologisch staat in elk geval vast dat er op het Valkhof niets is gevonden uit de tijd van Karel de Grote! Zie daarvoor ook de mededelingen van prof.dr. J. de Waele.

  6. G.Th.M.LEMMENS presenteert een hele serie 'commissie-leden' die het Bronnenboek besproken hebben en het na discussie, zoals de inleiding nadrukkelijk zegt, uiteindelijk goedkeurde. Er is derhalve dus wel discussie geweest, alleen degene die er een heel andere mening op na hield, was voor deze discussie niet uitgenodigd. Uit oogpunt van wetenschappelijke objectiviteit dus uiterst verwerpelijk.

  7. G.Th.M.LEMMENS verkondigt ook 'met enige trots' en verdedigt dat ook, dat Leupen, een van de samenstellers van het Bronnenboek, het boek "Vraagstukken..." van Albert Delahaye nog nooit heeft gezien, laat staan gelezen heeft! Het is een tekenend voorbeeld van wat de "Club van Nijmegen" onder een wetenschappelijke discussie en wetenschappelijk onderzoek verstaat. Vooral geen kennis nemen van feiten die de eigen standpunten tegenspreken.

G Terug naar boven.


Opmerkelijke opmerkingen van andere historici.

  1. Dr.H.HALBERTSMA staat te boek als dè deskundige op het gebied van Oud-Friesland. Hij noemde Albert Delahaye in Elseviers Weekblad van 14 mei 1966 een "warhoofd" en zijn opvattingen "science fiction", omdat hij Friesland en de Betuwe in Frankrijk wilde leggen. Dat had Halbertsma dus niet goed begrepen.
    Halbertsma meende dat Delahaye in Klundert woonde (dat moest dus Zundert zijn) en dat hij van de Lauwers in Friesland misschien de Loire in Frankrijk wilde maken, iets wat Delahaye overigens helemaal nooit beweerd heeft. Wie is er dan een "warhoofd"?
    Uit alle opmerkingen van Halbertsma blijkt overigens dat hij van de studie van Albert Delahaye niets gelezen heeft, in elk geval niets begrepen heeft. Als je zelfs Klundert en Zundert door elkaar hebt, kun je niet blijven volhouden een deskundige te zijn.
    Halbertsma stelde ook dat de moordenaars van St.Bonifatius vanover de Lauwers, dus uit de provincie Groningen kwamen, wat in geen enkele klassieke tekst staat. Dat is een eigen fantasietje van Halbertsma. Wie bedrijft hier nu "science fiction"?
    Halbertsma is de archeoloog die, tegen de mening van andere archeologen in, blijft beweren dat hij te Dokkum de bron van St.Bonifatius heeft opgegraven. In zijn mening over de geschiedenis van Dokkum en de moord op St.Bonifatius ter plaatse, is hij altijd een fel tegenstander geweest van de opvatting van Albert Delahaye die dit als legendarisch beschouwde. Heeft Albert Delahaye gelijk, dan gaat de deskundigheid van Halbertsma teloor, vandaar zijn felheid tegen de opvatting van Delahaye.
    Dat St.Bonifatius ooit met bronwater gedoopt zal hebben, is ook zo'n "warhoofdige" opmerking van Halbertsma. De Paus had expliciet verboden om met bronwater te dopen. St.Bonifatius was zeer Rome-getrouw en zou nooit tegen de regels van de kerk in gehandeld hebben. Ook daarvan heeft Halbertsma dus ook nooit iets begrepen.

  2. MGR.DR.G.P.J.BANNENBERG die eens een boekje schreef over de kerk van Waarle, heeft een rotsvast geloof in de authenticiteit van de Brabantse Willibrorduskerkjes. Dat er een vergissing in landstreek is ontstaan die Delahaye voor de hand liggend vindt, omdat er tussen het overlijden van St.Willibrord en het ontstaan van het Liber Aureus niet minder dan drie eeuwen zitten, gelooft hij evenmin. (Eindhovens Dagblad, 1980)
    Het mag natuurlijk een groot goed genoemd worden, dat rotsvaste geloof van deze heemkundige monseigneur. Maar alleen met geloven komt men er niet in historische geografie. Daarvoor spreken de teksten toch duidelijke taal. En dat men van het hele paleis van Karel de Grote in Nijmegen niets heeft teruggevonden, verklaart Bannenberg door te stellen dat het wel een (houten) koningshoeve geweest zal zijn. En dat nu is in flagrante tegenspraak met wat Einhard en andere schrijvers vermelden dat het een in pracht en praal gebouwd paleis was, volgens de nieuwste bouwwijzen, dus in steen.

  3. MGR.DR.G.P.J.BANNENBERG schreef in bovengenoemd boekje dat met Waderlo uit een oorkonde van 704, elders Wadradoch of Waedritleum genoemd, het in de stadhuistaal genoemde dorp Waarle werd bedoeld. Blijkbaar was er al een stadhuis in Waarle voordat er een kerk was. Volgens Bannenberg kreeg St.Willibrord, bisschop der Friezen, van een Frankische vorst, dus een kerkje in Brabant. Het antieke Waderloo lag in de gouw Texandria (=weefland; denk aan het woord textiel!), wat onmiskenbaar in Noord-west Frankrijk in het land van de Fresones gelegen heeft (het beroemde Friese laken uit die streek is nog heden bekend). Waar er in de buurt van Waalre sprake is geweest van textielnijverheid heeft Bannenberg (of een andere historicus na hem) verder niet verduidelijkt.

  4. MGR.DR.G.P.J.BANNENBERG laat de Taxandergouw over een zeer groot gebied uitstrekken, over bijna geheel Noord-Brabant en een stuk van België, namelijk het dekenaat Beringen. Hij verwijst hierbij naar de grenzen van de oorspronkelijke Romeinse civitates. Daarbij heeft hij blijkbaar vergeten te lezen wat Byvanck*) hierover vermeldt en dat dit voor Nederland niet opgaat. Daar ontbreekt namelijk de voortzetting van de Romeinse civitates in de latere bisdommen. Waarmee ook meteen nog eens aangetoond wordt dat de Romeinse geschiedenis niet over Nederland ging.
    *) A.W.Byvanck, Nederland in den Romeinschen Tijd, Leiden 1943, p.4.

  5. MGR.DR.G.P.J.BANNENBERG verklaarde eens (Eindhovens Dagblad, febr.1982) dat "Delahaye van goede huize moet komen" om de Brabantse traditie van St.Willibrord voor vals te kunnen verklaren. Nu hoef je niet "van goede huize" te komen om te ontdekken dat deze traditie uit de 13e eeuw stamt, dus zes eeuwen na St.Willibrord. In 1156 ging de abdij van Echternach plots 24 kerken in Holland claimen, die tevoren nergens zijn genoemd. En in de 13e eeuw werden door Echternach plots 4 kerken in Texandria, dat ondertussen als Brabant werd opgevat, geclaimd. Van een traditie die pas 6 eeuwen na de feiten ontstond, is niet zo moeilijk aan te tonen dat deze dus vals is. Zeker als men de pauselijke bullen erop naslaat, waarin de bezittingen van kloosters staan geregistreerd. Dan ziet men de vervalsingen "huizenhoog" geëtaleerd door de verschillen tussen de oorkonden van Echternach en die in Rome.

  6. PROF.DR.G.QUISPEL is van mening dat er geen enkele aanwijzing is dat Utrecht ten tijde van St.Willibrord onder water lag (Elsevier, 16 dec. 1967). Dat naar aanleiding van de transgressietheorie die Delahaye noemt in zijn boeken, waardoor de geschiedenis van St.Willibrord zich dus onder water moet hebben afgespeeld. Dr.Quispel vergeet zich blijkbaar af te vragen, waarom het Romeins in laag Nederand steevast teruggevonden wordt onder een dikke laag zeeklei en waardoor vermeende Romeinse forten zijn "weggespoeld", zoals te vaak als reden van het ontbreken ervan wordt aangegeven. Ook de aanwezigheid van het (vermoedelijk) Romeinse fort de Brittenburg ver uit de kust bij Katwijk, kan prof. Quispel dus makkelijk verklaren zonder in transgressies te geloven. Waarom hebben we dat nog nooit mogen vernemen?

  7. PROF.DR.G.QUISPEL neemt een belangrijke invloed aan van de vermaarde hogeschool van Utrecht, wier invloed in de 8e eeuw over geheel Nederland en Noord-Duitsland uitstraalde Elseviers Weekblad, 16 dec. 1967). Vraag aan Prof.Quispel: Waar in West-Europa kan op het punt van cultuurhistorie in de allerbreedste zin (onderwijs, religie, kunst, letteren, bestuur enz.) vóór dc 10e eeuw ook maar de kleinste relatie met Utrecht worden aangewezen? Die is er namelijk niet en die is ook nooit aangetoond. Zie bij Citaten en bij St.Willibrord wat andere historici hierover vermelden.

  8. PROF.DR.C. van de KIEFT heeft zich laten ontvallen nauwelijks bij de "commissie" die het Bronnenboek van Nijmegen samenstelde, betrokken te zijn geweest. Dit naar aanleiding van de rechtzaak die Albert Delahaye in 1982 aanspande tegen het wetenschappelijk bedrog dat het Bronnenboek is. Zijn verontwaardiging over die op hande staande rechtzaak is net zo hypocriet als zijn houding achteraf waarbij het Bronnenboek afvalt. Professor Van de Kieft heeft willens en wetens voor de inhoud van het Bronnenboek getekend door er zijn naam en reputatie als mediavist aan te verbinden om het Bronnenboek nog enig gezag mee te geven. Zich er nu van willen distanciëren is van hetzelfde wetenschappelijk niveau als het Bronnenboek zelf is.

  9. ARNOUD-JAN BIJSTERVELD, een Brabander die zegt historicus te zijn, meende eens te moeten opmerken dat van het werk van Delahaye geen zier deugd (Eindhovens Dagblad, 4 aug. 1981). Hij meent te weten dat de onderzoekmethoden van Delahaye vaak verre van wetenschappelijk zijn, dat zijn historisch inzicht bedroevend is, dat hij oorkonden domweg verkeerd vertaalt en dat hij goochelt met de schrijfwijze van middeleeuwse plaatsnamen. Bij deze beweringen blijft het dus in dit artikel, want Arnoud-Jan geeft zelf geen enkel bewijs waaruit blijkt dat hij het gelijk (van de traditie) aan zijn kant heeft. En dan durft Arnoud-Jan over "wetenschappelijk" te spreken! Heeft hij misschien met Leupen getelefoneerd en dat als "wetenschappelijk" beoordeeld?

  10. ARNOUD-JAN BIJSTERVELD, diezelfde Brabantse historicus van de vorige opmerking, spreekt van "domweg verkeerd", maar spreekt in zijn artikel over het "Belgische" Tournehem, een plaats die nog steeds in Noord-Frankrijk ligt. Verder meent hij te weten dat Delahaye Waderlo als het Belgische Waterloo ziet. Ook hier gaat Bijsterveld in de fout, want Delahaye verstaat er toch echt het Noord-Franse Wattrelos onder. Bijsterveld vindt namelijk dat Waderlo het Brabantse Waarle is, zonder er overigens een verder bewijs voor te geven. Net als een bekende Fransman, vindt ook Arnoud-Jan zijn Waterloo in Waderlo, maar dan het echte van St.Willibrord, niet in België, maar in Noord-Frankrijk.

  11. ARNOUD-JAN BIJSTERVELD meent dat "Delahaye vragen oproept bij de traditionele opvatting over de nog erg onbekende vroegmiddeleeuwse geschiedenis van Nederland". En dàn, na Delahaye eerst zelf zwart gemaakt te hebben, zegt Arnoud-Jan zoetsappig dat het jammer is, dat op de kritiek van Delahaye emotioneel en vaak heetgebakerd wordt gereageerd. Bijsterveld leest blijkbaar behalve de boeken van Delahaye, ook zijn eigen pennevruchten niet. Natuurlijk roept Delahaye vragen op, maar wel ten aanzien van zaken die nooit geklopt hebben in de traditionele geschiedenis. Zaken die Arnoud-Jan blijkbaar nooit heeft opgemerkt en er dus nooit vragen over heeft gesteld. En dan spreekt hij over "wetenschappelijk"? Komt wetenschap niet voort uit verschil van mening?

  12. ARNOUD-JAN BIJSTERVELD die zo graag de St.Willibrord traditie voor Noord-Brabant wil behouden en keer op keer Delahaye een beetje belachelijk maakt, erkent in een radio interview met Radio Brabant dat "men pas inde 16e en 17e eeuw in Brabant belangstelling heeft gekregen voor de Heilige". Ook erkent Bijsterveld dat "de kerken pas in de 16e en 17e eeuw hun Patroon kregen". Je vraagt je dan wel af welke historicus in Bijsterveld schuilt, als hij meent dat een patronaat en de tradtie van St.Willibrord zo'n 10 eeuwen onder de oppervlakte heeft gesluimerd, om pas in de 16e/17e eeuw geëffectueerd te worden.

  13. ARNOUD-JAN BIJSTERVELD zegt in datzelfde interview voor Radio Brabant, dat St.Willibrord NIET heel Noord-Brabant katholiek wilde maken. Hij zou er dus wel 2 of 3 kerken gewijd hebben, maar veel voorstelling moeten we er niet van maken en veel effect op de geloofsverkondiging heeft het niet gehad. Inderdaad heeft de geloofsverkondiging van St.Willibrord geen effect gehad in Noord-Brabant, hier heeft Arnoud-Jan volkomen gelijk, maar niet om wat hij meent, maar gewoon omdat St.Willibrord er nooit geweest is.
    Arnoud-Jan maakt van St.Willibrord wel even een schertsfiguur, die , hoewel hij in 1940 tot patroon van de Nederlandse kerkprovincie is uitgeroepen, weinig voor de geloofsverkondiging heeft betekend (tenminste niet in Brabant).

  14. PROF.DR. PIET DE ROOY laat, als samensteller van "het NIEUWE geschiedenisonderwijs" in Nederland, blijken niet echt deskundig te zijn op zijn vakgebied. Hij blijkt gezien de indeling in de tien tijdperken niet op de hoogte te zijn van nieuwe ontwikkelingen op historisch gebied. Hij blijft vasthouden aan de traditionele indeling en de traditionele verhaaltjes. Blijkbaar is hij in zijn historisch besef (en ik citeer uit een eigen opmerking van De Rooy) "blijven steken op de schoolplaten van J.H.Isings uit het boekje Kleine Vaderlandse Geschiedenis". Vraag blijft waar dat NIEUWE dan nu eigenlijk uit bestaat?

    De Canon van Nederland.

  15. De CANON VAN NEDERLAND is wat dat betreft ook weinig vernieuwend en zeker ook weinig realistisch. Er staan weer dezelfde traditionele gebeurtenissen in, ook van zaken die niet in Nederland thuis horen. Wat dat betreft kan bij de deskundigheid van de samenstellers wel een vraagteken gezet worden. Zo wordt Karel de Grote met zijn palts te Nijmegen, waarvan allang vaststaat dat die er nooit geweest is, afgebeeld als een heilige, terwijl het hier gewoon gaat om een massamoordenaar. Karel de Grote liet immers in 782 en 783 ruim 5000 gevangen genomen Saksen afslachten. Ook liet hij vele Saksen deporteren. Tegenwoordig noemen we dat genocide en volkerenmoord en komt men voor dergelijke etnische zuiveringen voor het tribunaal in Den Haag terecht.

  16. De CANON VAN NEDERLAND is ook wat de VOC. (Verenigde Oost-Indische Compagnie) betreft zeker niet vernieuwend en ook verre van juist. Slechts de glorie van de VOC. wordt genoemd en niet alle ellende die deze heeft veroorzaakt binnen de wereld. Als "uitvinders van de slavernij en het kolonialisme" plukken we daar internationaal heden nog de wrange vruchten van. Voor dit soort misdaden tegen de menselijkheid wordt men tegenwoordig veroordeeld, terwijl we in Nederland het sinds jaren de Gouden Eeuw noemen.

  17. De CANON VAN NEDERLAND is ook op veel andere terreinen niet vernieuwend en ook verre van betrouwbaar. St.Willibrord wordt nog steeds genoemd als prediker in Nederland, terwijl hij er nooit geweest is.

  18. De CANON VAN NEDERLAND is een wat wanhopige poging geworden om leven te blazen in wat in de meeste gevallen al heel lang morsdood is. De betrouwbaarheid van deze Canon is ook ver te zoeken nu er missers in staan van gebeurtenissen die misschien nu wel even indruk maken en belangrijk lijken, maar dat in lengte van jaren beslist niet meer zijn. Te denken valt aan Srebenica, Annie M.G. Schmidt, de televisie en zelfs de aardgasbel zijn tijdelijke gebeurtenissen, maar niet van betekenis voor de geschiedenis van een land, net zo min als de turfwinning -de aardgasbel van de middeleeuwen- er nog te vinden is. De Canon van Nederland is sinds zijn verschijnen niet voor niets voorwerp geweest van heftige disucssies. Zelfs onze (huidige-2007) minister van onderwijs, Ronald Plasterk, vond de canon teveel gericht op de "Alpha's".

  19. MAYKE DE JONG, hoogleraar middeleeuwen, is na een eerste rondgang door de canon, erg positief. Het idee om personen, voorwerpen en begrippen als kapstokken/vensters te gebruiken, werkt prima. Het doet me erg denken aan hoe ik zelf de vaderlandse geschiedenis heb geleerd. Op de lagere school hadden we oude schoolboeken, die in feite bestonden uit steeds een plaatje met een halve bladzij tekst eronder. Die mochten we naar hartelust kleuren, verknippen of tot collages maken. Die beelden (Jan van Schaffelaar, de Gebroeders de Wit) staan me nog op het netvlies gegrift, en het speelse van die beeld-tekst-combinatie vind ik terug in deze canon.
    Of er wel de goede keuzes gemaakt zijn - daarover wind ik me niet op. Dit is een duidelijke keuze, waarover je vervolgens over kunt gaan discussieren, zoals nu al gebeurt op de website. Helaas voeren oude gekken zoals meneer Delahaye daarbij de boventoon (die man die al 30 jaar roept dat Nijmegen eigenlijk Noyon was en de hele vroegmiddeleeuwse geschiedenis van de Nederlanden zich in Noord-Frankrijk afspeelde) maar dat is helaas niet te vermijden. Ik zal met plezier die canon met studenten bespreken, om te zien of zij tot andere keuzes komen, en waarom. Daar kan je best een werkcollege aan wijden.
    Wat mijn eigen vakgebied betreft, de middeleeuwse geschiedenis, en met name de periode tussen 500 en 1000: Willibrord en Karel de Grote vind ik een goede keus. Je had ook Bonifatius kunnen kiezen, die spreekt misschien meer aan vanwege het feit dat hij vermoord is (voor mij gold dit als kind zeker, lekker griezelen bij de martelaren), maar dat had ook trammelant met de Friezen gegeven, die - zie de reacties op Willibrord - denken dat ze 'vrije heidenen' waren, of zoiets dergelijks. De tekst van Karel de Grote is voor verbetering vatbaar. Het is lastig om geboortejaren te gebruiken als die omstreden zijn. Karel werd waarschijnlijk op 2 april 748 geboren, maar op de site hebben we 742. Hij werd koning in 768, alleenheerser in 771 - het eerste jaartal geldt als eerste regeringsjaar. Ik had 768-814, de regeringsjaren, erbij gezet, niet het omstreden geboortejaar. Niet belangrijk? Als je jaartallen geeft moeten ze kloppen.
    Blijkbaar is de historisch kennis van deze professor blijven steken op het niveau van haar lagere schooltijd: "naar hartelust knippen, plakken en kleuren" en "lekker griezelen". Tot een verdere nuancering dan Delahaye voor gek verklaren komt zij niet. Blijkbaar heeft zij de boeken van Delahaye nooit gelezen, want dan had zij geweten dat historisch onderzoek verder gaat dan "knippen, plakken, scheuren en griezelen" en dat het heeft te maken met kritisch bronnenonderzoek. Dan had zij ook geweten dat de visie van Delahaye nog "zo gek" niet is en dat Delahaye helemaal nooit en nergens ooit beweerd heeft dat Nijmegen eigenlijk Noyon was. Uit zo'n opmerking blijkt gewoon duidelijk dat mevr. De Jong voor haar vak als hoogleraard geschiedenis totaal ongeschikt is. Blijkbaar vindt deze mevrouw de professor figuren als Karel de Grote en St.Willibrord nog steeds tot ons "nationale erfgoed" behoren. Ook bij deze kenis is zij inderdaad stil blijven