| Terug naar de wetenschap. | Naar het overzicht in het kort. |
|
"Ik kan van de theorieën van Delahaye niet bewijzen dat hij ongelijk heeft." "Als zou worden aangetoond dat Delahaye op één onderdeel gelijk heeft, dan wordt zijn hele theorie veel waarschijnlijker." "Zijn werk lijkt wetenschappelijk nergens op", was een andere uitspraak van Hugenholtz. Als het dan wetenschappelijk nergens op lijkt, is het vreemd dat Hugenholtz nooit in staat is gebleken dat eenvoudig aan te tonen. "Delahaye doet het voorkomen alsof de historici tegen hem samenzweren. Ik spreek met collega's nooit over Delahaye. Er is dus geen sprake van een conspiratie! Zijn werk wordt terecht verwaarloosd." ![]() "Als Delahaye gelijk heeft, is mijn hele boek fout!" Prof. Hugenholtz: "Ik kan mijn tijd beter doorbrengen met creatief historisch onderzoek dan mij te vermoeien met de theoriën van de heer Delahaye". Deze professor stelde eens dat je "met de geschiedenis geen proefjes kunt doen". Blijkbaar wel creatief onderzoek! Hugenholtz heeft altijd felle kritiek geuit op de publicaties van Albert Delahaye, maar zelf nooit enig artikel of boek gepubliceerd over deze materie. Zijn "bewijsvoering" blijft dus onbekend en kan dus ook nooit weerlegd worden. In de Nieuwe Rotterdamse Courant (NRC.) van 14 juni 1958 noemt Hugenholtz de opvatting van Delahaye "dwaalwegen" en "gevaarlijke onzin" en raad hij Delahaye aan "zijn onmiskenbare intelligentie niet meer zo ernstig te misbruiken". Het mag frapant genoemd worden dat Hugenholtz, de grootste bewaker en kampioen van Karolingisch Nijmegen, als co-auteur van Het Bronnenboek van Nijmegen ontbreekt. Hier had Hugenholtz een flammend protest moeten laten horen tegen deze aanfluiting van historisch onderzoek. Tenminste als hij een beetje historicus van niveau zou zijn, wat hij volgens eigen opvatting was. Had Hugenholtz het niet steeds over het "niveau" dat bij Delahaye zou ontbreken? Met deze LINK verwijzen we naar enkele "wetenschappelijke uitspraken" van Hugenholtz. |
Hugenholtz, de man die denigrerend sprak over het "niveau" van Delahaye, dat hij te laag vond om met hem in discussie te gaan. De "universitaire" arrogantie ten top. Hugenholtz noemde zichzelf "vakhistoricus", terwijl hij ooit toegaf, alsof het een verdiente betrof, nooit enig onderzoek naar Karolingisch Nijmegen gedaan te hebben. Dat stond voor hem immers niet ter discussie. We weten nu wel beter. "Als zou worden aangetoond dat Delahaye op één onderdeel gelijk heeft, dan wordt zijn hele theorie veel waarschijnlijker." aldus een uitspraak van Hugenholtz. En laat nu Hugenholtz zelf dat ene bewijs (en er zijn er natuurlijk meer) aanvoeren, als hij in een interview met Charles Groenhuijsen in de Volkskrant van 6 oktober 1979, zegt: "Er waren meerdere plaatsen die Noviornagus werden genoemd. In een bepaalde tekst kan met die naam dus wel Noyon aangeduid zijn". Eindelijk is het hoge woord eruit en wordt door Hugenholtz toegegeven dat er wel degelijk een verwarring tussen Nijmegen en Noyon kan bestaan, kan hebben bestaan en heeft bestaan. En juist die verwarring is altijd glashard ontkend. Het onderdeel waarop de theorie van Delahaye is gebaseerd, namelijk de verwarring die ontstaan is in de interpretatie van klassieke teksten, wordt hier eindelijk en volmondig toegegeven. Na deze erkenning had alle weerstand van tafel gemoeten en had men moeten beginnen aan een grondig onderzoek naar waarheid en mythe van de vaderlandse geschiedenis. Dat is helaas achterwege gebleven, omdat de "vakhistorici" zich heel goed realiseerden welke enorme gevolgen dat zou hebben gehad. "We hebben een traditie sinds de Romeinen in handen", was steeds de stellige overtuiging van prof. dr.F.W.N. Hugenholtz. Als hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis aan de historische faculteit van de Universiteit van Amsterdam en Utrecht, was Hugenholtz steeds een van de felste tegenstanders van Albert Delahaye. Begrijpelijk: zijn deskundigheid als hoogleraar stond op het spel. De opvatting van Hugenholtz dat we in Nederland een traditie sinds de Romeinen in handen hebben, gaat uit van de veronderstelling dat: 1. er een continuïteit in bewoningsgeschiedenis zou hebben bestaan sinds de Romeinse tijd; 2. de veronderstelde geschiedenis sinds de jaren van ontstaan op Nederland werd toegepast. Beide veronderstellingen zijn onjuist. De opvattingen van Hugenholtz blijken nergens op gebaseerd te zijn. Hij beroept zich op de traditie met de traditie. In Nederland heeft vanaf de Romeinse tijd geen continuïteit in bewoning bestaan en de traditionele geschiedenis is pas vele eeuwen na het ontstaan voor het eerst op Nederland toegepast. Zie hierna. Het kan toch niet zo zijn dat alle historici het fout hebben en dat alleen Delahaye de waarheid heeft? opperde Hugenholtz in het interview met Charles Groenhuijsen in de Volkskrant van 6 oktober 1979. Het leek Hugenholtz onmogelijk dat alle historici het collectief fout zouden hebben en dat de visie van Delahaye juist zou zijn. Ook deze stelling gaat weer voorbij aan het feit dat er geen sprake is van een collectieve fout, hoogstens van collectieve naschrijverij. Bovendien is er al veel eerder en veel vaker getwijfeld aan de juistheid van de traditionele geschiedenis. Over de klassieke teksten van Julius Caesar bijv. over het Eiland der Bataven" is altijd verschil van mening geweest. Zelfs Leupen in "Het Bronnenboek" en Blok in "De Franken in Nederland" spreken regelmatig over enkele tradities hun twijfel uit. Historie bestond lange tijd, en bij sommigen nog steeds, uit klakkeloze naschrijverij van wat enkele fabelschrijvers vanaf de 15e eeuw beweerden. Persoonlijke opvattingen en beweringen werden als absolute waarheid aanvaard en iedereen die ze later tegensprak werd als charletan gekwalificeerd. Veel historici, waaronder Hugenholtz zelf, hebben nooit eigen onderzoek gedaan naar waarheid en mythe van de traditie. Bij het ontstaan van die traditie is belangrijk vast te stellen wie welke bewering het eerst heeft gedaan en op grond van welke argumenten. Hugenholtz heeft zelf ook nooit iets gepubliceerd over de argumenten van het gelijk van de traditie. Hij wist wel beter, want had hij dit gedaan, dan zou zijn werk zeker op dezelfde wijze als het Bronnenboek door Delahaye zijn weerlegd. In alle jaren van verschil van mening is het Hugenholtz niet gelukt de visie van Delahaye met wetenschappelijke argumenten te weerleggen. En dit terwijl er steeds geroepen werd, dat er van de studie van Delahaye niets deugde. Waarom zijn dan de argumenten om de visie van Delahaye te weerleggen niet meteen op tafel gelegd? Zelfs in 1980, toen er liefst 4 professoren het debat met Delahaye aangingen, is dit niet gebeurd. Hugenholtz is, als we het zo mogen noemen voor een professor, het schoolveerbeeld van een traditionalist, ofwel iemand die kost wat kost vasthoudt aan de traditie en nooit enige onderzoek heeft gedaan naar het ontstaan van die traditie en de toepassing ervan op Nederland. Hij volgde steeds de opvattingen van enkele middeleeuwse fantasieschrijvers in plaats van de argumenten te bestuderen die het tegendeel beweren. Zijn herhaaldelijke uitspraken (zie ook onderstaande -letterlijke- citaten) zijn tekenend om te ontdekken wat hij onder wetenschap verstond. De visie van Hugenholtz (Volkskrant, 6 oktober 1979). "We hebben een traditie vanaf de Romeinen in handen". Deze opmerking van Hugenholtz gaat uit van de onjuiste veronderstellingen dat de geschiedenis bestaat sinds de tijd dat deze zich heeft voorgedaan en dat er een continuïteit bestaat in de geschiedenis vanaf de Romeinse tijd. De continuïteit in de geschiedenis van ons land is er nooit geweest, zelfs in Nijmegen niet. Dat erkennen behalve veel historici (zie de Citaten over de bewoningsgeschiedenis van Nederland) ook het Bronnenboek van Nijmegen. dat (onbedoeld?) aantoont dat er een gat van 5 eeuwen zit in de bewoningscontinuïteit van Nijmegen tussen de 3e en 8e eeuw. Andere studies maken "het gat van Nijmegen" zelfs nog groter en wel van de 2e tot de 11e eeuw, ofwel 9 eeuwen. Belangrijk bij het vaststellen van de traditie is wanneer voor het eerst hierover geschreven werd. Het staat vast dat de eerste vermelding van St.Willibrord in Nederland pas in de 12e eeuw voorkomt. De vermelding als bisschop van Utrecht is pas voor het eerst in de 13e eeuw gedaan. De vermeende landingsplaats van St.Willibrord te Katwijk is pas voor het eerst in de 17e eeuw gesteld. Tot die tijd gold het Noord-Franse Gravelines als aankomstplaats: voor de abdij van Echternach is dat nu nog steeds de aankomstplaats. Eind 14e eeuw wordt voor het eerst vermeld dat Wijk bij Duurstede het Karolingisch Dorestadum zou zijn geweest en dat Dokkum de plaats zou zijn waar Bonifatius zou zijn vermoord. Nijmegen kreeg pas in de 12e eeuw door een erg vrije, maar niet minder foutieve latinisatie, de naam "Noviomagus". De traditie van Karolingisch Nijmegen blijkt te bestaan sinds het eind van de 15e eeuw, toen Willem van Berchen rond 1480 als eerste Nijmegen het Noviomagus van Karel de Grote noemde. Dat Nijmegen het Oppidum Batavorum van de Bataven is geweest, werd voor het eerst beweerd in 1645 door Johannes Smetius (dat is ruim 14 eeuwen na de feiten). De toepassing van de Peutingerkaart op Nederland is zelfs nog later ontstaan, namelijk pas in 1887-1888 en dat is ruim 15 eeuwen na de feiten. De traditie dat Nijmegen het Ulpia Noviomagus van keizer Trajanus zou zijn geweest, is zelfs pas in 1959 door een onbewezen bewering van prof.dr.J.E. Bogaers ontstaan. Dat is ruim 18 eeuwen na de feiten! Van een traditie vanaf de Romeinen is dus totaal geen sprake in de Nederlandse geschiedenis. Archeologisch wordt dit overal in Nederland bevestigd. Nijmegen bijv. mist ruim 8 (acht!!) eeuwen geschiedenis. Van enige continuïteit in de geschiedenis is in Nederland totaal geen sprake, wat door alle historici wordt erkend, zelfs door dr.D.P. Blok in de Franken in Nederland en door dr.P.Leupen in het Bronnenboek van Nijmegen. Zie daarvoor bij Citaten. "Die man is wel intelligent, maar ook een fantast". Een compliment naast een sneer, iets dat vaker gehanteerd werd door historici van professie: iemand met een compliment het graf inprijzen! "De theoriën van Delahaye zijn allemaal erg gewrongen. Van een aantal zaken die hij naar voren brengt kan ik niet bewijzen dat hij ongelijk heeft, maar het is allemaal wel volmaakt onwaarschijnlijk". Ondanks dat Hugenholtz niet kan aantonen dat Delahaye ongelijk heeft, heeft hij dus wel ongelijk. Dat noemt Hugenholtz dus wetenschap. Maar als Hugenholtz niet kan bewijzen dat Delahaye ongelijk heeft, hoe denkt hij dan te kunnen bewijzen dat de traditie wel gelijk heeft? Bovendien heeft Hugenholtz niet begrepen dat juist die samenhang het sterkste punt in de visie van Delahaye is, juist omdat de mythe in samenhang tot stand is gekomen. Noviomagus, de Batua, de Noormannen, het Almere, de Renus, Dorestad, Trajectum enz. hebben ontegenzeggelijk met elkaar te maken. Verdwijnt de een uit Nederland, dan volgt de rest vanzelf, juist vanwege die onderlinge samenhang. "Met collega's heb ik eigenlijk nooit over het werk van Delahaye gesproken". De visie van Delahaye wordt bij voorbaat al verworpen. Verder merkt Hugenholtz op: "Collega's kennen het wel en weten dat het bestaat, maar gaan af op degene die het in vakbladen bespreken". En in vakbladen wordt het natuurlijk niet besproken door wetenschappers, maar door traditionisten: zij die vasthouden aan het geschrijf uit de 15e en 17e eeuw. Historische wetenschappers bespreken blijkbaar slechts zaken die niet in tegenspraak zijn met wat de wetenschap als vaststaand heeft vastgesteld. Wat daarvan afwijkt wordt dus meteen als onwaar betiteld. Het wordt dan wel eens tijd dat de wetenschappers eens kennis nemen van elkaars opvatting. Zie de hele lijst opmerkingen bij Citaten. (Gelukkig voor ons dat de medische wetenschap niet meer handelt naar de denkbeelden van de 15e en 17e eeuw!) "Het zou best eens allemaal onderzocht kunnen worden." Eindelijk een verstandige opmerking van Hugenholtz, echter tot heden (2007) is dat nog steeds niet gebeurd. "Wat Delahaye van het gemis aan verering van St.Willibrord zegt is wel interessant. Als het waar is tenminste en dat kan ik zo niet nagaan". Hoe deskundig ben je dan als professor, als je ter plekke met wat parate kennis niet enige historische feiten kunt verfiëren? Of is het toch allemaal boekenwijsheid dat men in Nederland hanteert? "Archeologisch is de aanwezigheid van Willibrord in Utrecht niet te bewijzen." Kan het nog duidelijker? In Utrecht is geen enkel spoor van bewoning uit de tijd van St.Willibrord gevonden. Wie of wat er dan te bekeren viel, heeft men zich blijkbaar nooit afgevraagd in wetenschappelijke kring. "In de geschiedenis hebben we geen bewijzen in de trant van twee-maal-twee-is-vier. Je hebt dus altijd een marge." Dus toch onzekerheid in die sterke traditie? Zijn dit de eerste barsten in het traditionele bastion van zekerheden? Maar die bewijzen zijn er wel, zelfs oogetuige verslagen. Blijkbaar heeft Hugenholtz nooit "Vraagstukken in de historische geografie" gelezen, want daarin worden zo'n 1900 teksten genoemd die het tegendeel van zijn stelling bewijzen. "Er zijn in Dokkum geen heel concrete dingen van Bonifatius teruggevonden." "Over de hele periode tussen de zevende en negende eeuw is er vreselijk weinig aan geschriften over. Er zitten grote gaten in de kennis. Dat zal geen mediaevist ontkennen." Dat er inderdaad grote gaten in de kennis zitten, vooral bij mediaevisten, zal inderdaad niemand kunnen ontkennen. En dan moet je als goed wetenschapper vooral proberen die kennis zoveel mogelijk te beperken door vooral alle teksten die Delahaye over deze periode verzameld heeft, niet te lezen. Teksten afkomstig uit Franse kronieken, waarmee al meteen duidelijk is, waar deze geplaatst moeten worden. Dat verstaat Hugenholtz blijkbaar onder wetenschap: teksten die in tegenspraak zijn met de traditie vooral verzwijgen. Er zijn genoeg teksten. In "Vraagstukken..." alleen al, staan er ruim 1900! "Ook hier (Dorestad zou Wijk bij Duurstede zijn) kun je het weer niet bewijzen. Maar er is zoveel indirect bewijs." Er is in Wijk bij Duurstede niets gevonden uit de periode van Dorstad (zie opgravingsverslag van W.van Es), maar zegt Hugenholtz, "de dingen die je er zou kunnen vinden, zijn er juist door de Noormannen geplunderd". Kun je een infantieler argument voorstellen van een professor? Eenzelfde redenering volgt Hugenholtz wanneer hij de bewering weerspreekt dat er in Nijmegen nooit een residentie van Karel de Grote heeft gestaan. Delahaye betoogt dat het oude Noviomagus niet Nijmegen maar het Noordfranse Noyon is. In Nijmegen betoogt Delahaye, is nooit iets teruggevonden wat de aanwezigheid van de keizer bewijst. Hugenholtz: "Er is ruimte voor die theorie. Er waren meerdere plaatsen die Noviornagus werden genoemd. In een bepaalde tekst kan met die naam dus wel Noyon aangeduid zijn. Je kunt dus kiezen." Eindelijk wordt dus toegegeven dat er wel degelijk verwarring bestaat tussen Noviomagus is Noyon of Nijmegen. "En als Delahaye spreekt over de residentie van Karel de Grote, dan moet hij wel bedenken dat vorsten in die tijd steeds rond reisden. En dat verblijf zal niet meer geweest zijn dan een grote houten boerderij. Daar hoef je dus niets van terug te vinden". Nog zo'n infantiele redenering van Hugenholtz die in flagrante tegenspraak is met de schriftelijke bronnen die spreken van een "in pracht en praal opgetrokken paleis", wat in die tijd betekende een paleis in steen, vergelijkbaar met het Karolingisch verblijf in Aken! Uit alle gegevens te zamen over Nijmegen, de Engelse missionarissen en Dorstad trekt Delahaye de conclusie dat de historici zich al eeuwenlang vergissen. Al die beweringen te zarnen maken het voor Hugenholte juist ongeloofwaardiger. "Toen Delahaye eenmaal had bedacht dat Nijmegen Noviomagus niet was, is hij consequent gaan doorredeneren. Allerlei teksten heeft hij naar het zuiden verplaatst. Wat hij nu over Trajectum en Dorestad naar voren brengt vind ik zo onwaarschijnlijk dat hij bijna zijn eigen ongelijk bewijst." Is dat niet wat een wetenschapper behoort te doen, teksten vergelijken en consequent doorredeneren? En zeker de teksten die in tegenspraak met elkaar lijken? Dat de hele visie ongeloofwaardig is moet een wetenschapper er niet van weerhouden juist onderzoek te doen. Hoe ongeloofwaardiger des te meer dringt de noodzaak tot onderzoek! Het meest ongeloofwaardige uit de Romeinse tijd, dat de Romeinen tot in Noord-Duitsland verschillende volkeren hebben bestreden zonder er ook maar één spoortje achter te laten, heeft men misschien om diezelfde reden ook nooit onderzocht. Het is te ongeloofwaardig voor woorden. Blijkbaar heeft Hugenholtz van de hele mystificatie weinig begrepen. Natuurlijk is er een samenhang tussen alle verschillende mythen. De ene mythe heeft bij het ontstaan de andere mythe veroorzaakt, wat weer tot gevolg had dat er nog meer mythen ontstonden. Noviomagus, Trajectum, Dorestad, de Batua, de Renus en het Almere worden in teksten over de invallen van de Noormannen als een samenhangend complex genoemd, in een beperkt gebied. Valt het doek voor Nijmegen, dan volgen automatisch de Betuwe, Wijk bij Duurstede, de Rijn, de Zuiderzee als vermeende locaties. Als Hugenholtz dit probleem niet doorziet, kan hij zich dan nog deskundig wetenschapper noemen? "Wanneer je deze periode van de geschiedenis bestudeert kun je zelden iets bewijzen. We kunnen wel sluitend maken dat in 1600 de Slag bij Nieuwpoort plaats had. Maar met de achtste en negende eeuw bestuderen we zaken die er niet meer zijn. Dan is er nooit een mathematisch bewijs mogelijk. Je kunt er geen proefjes meer mee doen. We kunnen alleen rnet de bronnen die we hebben de zaak zo goed rnogelijk in elkaar passen. Dan mag geen enkele bron er strijdig mee zijn. In dat geval moet je opnieuw beginnen. Het is bij ons een goede gewoonte om met goede tegenbewijzen te komen, maar die zijn er eigenlijk niet." En hier spreekt Hugenholtz zichzelf en de traditie tegen. Allereerst is er wel degelijk mathematisch bewijs mogelijk, echter in Nederland wordt dat niet gevonden. Bewijs 1 dat Delahaye gelijk heeft. Met de bronnen die we hebben de zaak zo goed mogelijk in elkaar passen heeft juist het ontstaan van de foutieve traditie veroorzaakt, Bewijs 2 ten gunste van Delahaye. En dan komt het: dan mag er geen enkele brond strijdig mee zijn. En dat is precies wat er wel aan de hand is: er zijn vele bronnen strijdig met de traditie. Bewijs 3 voor Delahaye. In dat geval moet je opnieuw beginnen. Hier spreekt Hugenholtz volkomen waarheid uit, echter dat is in Nederland NOOIT gebeurd. Men heeft de traditie kost wat kost overeind willen houden. Er is geen enkele nieuw onderzoek gedaan om de bronnen opnieuw en onbevooroordeeld te lezen. Bewijs 4 voor het gelijk van Delahaye. De gewoonte om met goed tegenbewijzen te komen is het 5e bewijs van het gelijk van Delahaye. want dat is nooit gebeurd. Veel bronnen die Delahaye aanvoert zijn nooit weersproken. Daartegen heeft men nooit gefundeerde kritiek geleverd. De hele zaak werd in zijn geheel en als eenheid belachelijk gemaakt. En dat terwijl dezelfde historici die de visie van Delahaye belachelijk maakten, hem in eigen werk soms gewoon gelijk (moesten) geven. Zie de vele Citaten die dit bevestigen. "The dark ages". De wetenschap verstaat blijkbaar onder 'the dark ages' niet over zaken praten die het daglicht niet kunnen verdragen. Is geschiedenis niet inherent aan "bestuderen wat er niet meer is"? Maar ook dit is een onwaarheid, die voor Nederland dan wel opgaat. Want wat men in Nederland juist wil aantonen dat er niet meer is, is er ook werkelijk niet meer. Waarmee aangetoond is dat wat er over beschreven staat, geen betrekking op Nederland heeft, maar op Noord-Frankrijk. En dat is de kern van het hele "mysterie van de Keizer Karelstad" en de andere mythen ui het eerste millennium. "Delahaye zegt dat hij tenminste het recht heeft om serieus genomen te worden. Maar als hij nu niet serieus is? Je kunt dat wel willen, maar het is dan een onredelijke eis. Ik ben overigens, zoals Delahaye suggereert, helemaal niet bang voor een confrontatie met hem. De theorie van Delahaye brengt mij niet aan het twijfelen, zegt Hugenholtz fier. Ik heb een historische traditie in handen vanaf de Romeinen. Die historische traditie geldt voor mij totdat er een serieus bewijs komt, dat er in de dertiende eeuw plotseling een andere opvatting over de geschiedenis is gekomen. Dat is voor mij zó onwaarschijnlijk dat de historische traditie onaangetast blijft. Ik moet er alleen een beetje om lachen. Een speciaal onderzoek is uit wetenschappelijk oogpunt onnodig. Ik zou het overigens wel leuk vinden als het waar was. Het is ook niet zo dat ik me dan in mijn hemd gezet zou voelen. Je zou je ook volstrekt onwetenschappelijk opstellen wanneer je niet in staat zou zijn om oude theorieën omver te kegelen. Daar zijn we juist voor". In de dertiende eeuw is geen andere opvatting gekomen, maar de eerste Nederlandse opvatting. In een leeg -HOL-land, waar voorheen geen bewoning was en er dus geen traditie bestond, vond die eerste traditie dus makkelijk ingang. Deze was namelijk niet in tegenspraak met welke bevindigen dan ook, want deze bevindingen waren er nog niet. De eerste bewoners hebben die eerste traditie aanvaard, zeker omdat er details in hun overlevering bekend waren en al enkele generaties een stuk van hun tradities en cultuur bepaalden. Dat is juist het kenmerk van de "deplacement historiques". Maar hier zal Hugenholtz als wetenschapper ook wel nooit van gehoord hebben, van "deplacement historiques". Ook de invallen van de Noormannen hebben bij Hugenholtz blijkbaar niet zo'n impact gemaakt, als bij de bewoners van toen. Deze vluchtelingen hebben zich elders gevestigd en behalve hun tradities en gebruiken vooral hun plaatsnamen meegenomen. Plaats hiernaast de deportatiepolitiek van Karel de Grote, waarmee de oorzaken van alle verwarring een compleet beeld gaan geven. "Je vindt de bronnen niet om het tegendeel te bewijzen. Er zijn geen ooggetuigenverslagen die het waterdicht kunnen maken." Ook hier zet Hugenholtz zich weer te kijk als wetenschapper. Teksten met ooggetuigenverslagen bestaan wel degelijk. Ze zijn te vinden in Franse kronieken, waarmee al meteen duidelijk is waar deze geplaatst moeten worden. Als er bij de plunderingen van de Noormannen gesproken wordt over veel slachtoffers onder de "de onzen", spreekt hieruit het verslag van een tijdgenoot: een ooggetuige verslag. Zijn deze teksten bij Hugenholtz niet bekend? Mag hij zich dan een deskundig mediaevist noemen? "Datzelfde geldt voor de theorieën van Delahaye. Je kunt vaak niet bewijzen dat hij ongelijk heeft. De middeleeuwse bronnen laten ruimte voor allerlei bedenksels". Als je deze denkwijze van Hugenholtz doortrekt, zou de traditionele geschiedenis ook een bedenksel kunnen zijn. Maar die tegenbewijzen zijn er wel degelijk. Dat er geen teksten tussen de 8e en 9e eeuw zouden bestaan is onjuist. Kent Hugenholtz bijvoorbeeld de heke series teksten over Karel de Grote, de Noormanen en de Engelse missionarissen dan eigenlijk wel? Kan hij zich dan nog een deskundig wetenschapper noemen? En weet hij dan niet dat al deze teksten in FRANSE KRONIEKEN staan? En dat deze dus niet naar het zuiden verplaatst worden, maar eerder naar het noorden verplaatst werden? Alle teksten staan in de boeken van Albert Delahaye, maar ja als je die niet leest, blijf je onwetend. En op onwetendheid mag een wetenschapper zich niet beroepen. De strijdigheid van teksten en interpretatie die Hugenholtz hier noemt wordt bewezen met Het Bronnenboek van Nijmegen. In dat geval moet je opnieuw beginnen concludeert Hugenholtz terecht. En dat is nu precies wat Albert Delahaye heeft gedaan, opnieuw beginnen. Maar dan niet in het jaar 1200, maar met de Romeinen, want met de teksten van Caesar en Tacitus is de eerste kiem gelegd die tot alle misvattingen heeft geleid. De traditie "sinds de Romeinen" moet dus ook vanaf de Romeinen opnieuw onderzochjt worden naar waarheid en mythe, te beginnen met de vermelding van Julius Caesar in 54 v. Chr. van de Rhenus en het Eiland van de Bataven. [De meeste van de hierboven geciteerde uitspraken zijn afkomstig uit het interview van Charles Groenhuijsen met professor Hugenholtz in de Volkskrant van 6 oktober 1979.] |