Het gelijk van Albert Delahaye.

Steeds meer krijgt Albert Delahaye gelijk in zijn visie, dat de Karolingische traditie van Nijmegen vals is en de historische geografie in het eerste millennium berust op vele misverstane teksten. Steeds meer krijgt Albert Delahaye gelijk dat de aangenomen geschiedenis van ons land in het eerste Millennium onjuist is en niet in Nederland thuishoort. Steeds meer ontstaat ook eindelijk de discussie over "waar dan wel?".

Vanaf de Romeinse schrijvers tot de eerste Hollandse schrijvers zijn de buitenlandse teksten verkeerd begrepen en op Nederland van toepassing gedacht. Niet alleen wordt het gelijk van Delahaye keer op keer bevestigd door het ontbreken van archeologische vondsten, ook "tegenstanders" komen er niet meer onderuit hem nu gelijk te geven op veel punten.

Geen zinnig historicus praat meer over Karolingisch Nijmegen. Op deze eerste en voornaamste stelling heeft Albert Delahaye volledig zijn gelijk gehaald. Het Noviomagus waar Karel de Grote geboren en gekroond is en waar hij een nieuw en groots paleis liet bouwen, was Noyon en niet Nijmegen! Nijmegen kreeg pas in de 12e eeuw, door een erg vrije, maar niet minder foutieve latinisatie, de naam "Noviomagus".


En wanneer de Karolingische residentie Noviomagus niet in Nijmegen lag, dan kan de Peutingerkaart voor Nederland opgerold worden, daar de Romeinse traditie volledig geënt was op Karolingische Noviomagus. Het tweede gelijk van Delahaye.

Wie goed nadenkt over:
  1. de plaats van de taalgrens in België en waarom juist daar?
  2. de plaats "waar je de overkant kunt zien",
  3. de Romeinse archeologische vondsten in Nederland, die teruggevonden worden onder een dikke laag zeeklei,
  4. de namen Ooster- en Westerschelde in plaats van Noorder- en Zuiderschelde,
  5. het feit dat de steden in Nederland pas ontstonden ná de 10e eeuw en
  6. het ontbreken van enige eigen Nederlandse literatuur vóór de 10e eeuw,
ziet ZES onweerlegbare bewijzen van het gelijk van Albert Delahaye.


Dat de aangenomen geschiedenis zich nooit in Nederland heeft afgespeeld is momenteel wel duidelijk. Over "waar dan wel? " ontstaat nu eindelijk de benodigde discussie.

"Wetenschap is geen invuloefening, maar een avontuur dat noopt tot het inslaan van onbekende paden." (Bron: J.H.F.Bloemers, p.99).



Vooral geen discussie!
Het grootste gelijk van Albert Delahaye is geweest, dat de professionele historici zijn visie steeds hebben afgewezen, zonder in te gaan op zijn argumentatie. Zij hebben het verzoek tot een open discussie steeds afgeslagen, want "over zekerheden hoeft toch niet gediscussieerd te worden". Bij die afwijzingen is Albert Delahaye ook persoonlijk bejegend en belachelijk gemaakt (een dilettant, een gek) met ongemeen felle en soms onbeschofte reacties. Alsof Delahaye uit was op "rancune" of persoonlijk belang. Neen, hij was op zoek naar de pure historische waarheid en wilde de historie zuiveren van de false mythen. De meest fervente tegenstanders verwiepen hem ook steeds zonder iets van hem gelezen te hebben. Ze gingen en gaan er nog vaak prat op, dat ze deze houding hebben aangenomen en nog vertonen. De traditie is toch zo sterk en "aan de fabelschrijvers uit de 15e tot 18e eeuw valt toch niet te twijfelen?" menen zij. Zie bij Ongelofelijk.
"Dit verklaart echter niet de felheid - want dat is het - waarmede hij zonder argumentatie wordt afgewezen", aldus Carel Bloemen in De Nieuwe Limburger.

Dat de boeken van Albert Delahaye zelfs anno 2006 in literatuurlijsten verzwegen worden, bevestigt de onwetenschappelijke houding van de historische wetenschap. Waar men het niet mee eens is, of wat niet weerlegd kan worden, wordt verzwegen. Dit negeren bespaart de diverse auteurs de moeite om in te hoeven gaan op argumenten die de traditionele geschiedenis, die zij doorgaans volgen, weerleggen.


De Stedeatlas van Gorissen.
Het gelijk van Delahaye wordt ook aangetoond door andere historici, die of de traditie of elkaars opvattingen tegen spreken, zelfs door felle tegenstanders zoals P.Leupen. Zo wordt de "Stedeatlas van Nijmegen" van F.Gorissen op het belangrijkst uitgangspunten door P.Leupen tegen gesproken. Gorissen ging in zijn "Stedeatlas" uit van de aanwezigheid van een Karolingisch residentie in Nijmegen. Iets waarvan Delahaye in 1958 al heeft geschreven dat dat uitgangspunt nooit is bewezen, dus fout is. Leupen weerspreekt de aanwezigheid van een "burgus" als domeincentrum (Spiegel Historiael, dec.1980) en spreekt hiermee de plaats van de oudste nederzetting van Gorissen tegen. "Nergens in de bronnen wordt een burgus te Nijmegen genoemd", erkent Leupen, "en dat is een groot probleem". Blijkbaar begint Leupen te begrijpen hoe bronnen geraadpleegd dienen te worden. In datzelfde artikel erkent Leupen overigens dat er in de continuïteit van Nijmegen "nog altijd een tijdvak van meer dan drie eeuwen niet in te vullen blijkt". Let op het "meer dan", waarmee niet genoeg is gezegd. In het "gat van Nijmegen" zullen het er acht worden. Verder erkent Leupen dat Nijmegen nooit vrije Rijksstad in het Duitse Rijk is geweest (p.691).
Opvallend is ook dat er bij Leupen toch aarzeling begint te ontstaan omtrent het Karolingische karakter van de Keizer Karelstad, als hij schrijft: "Als Nijmegen evenals Ingelheim een koningshof bezeten heeft - wat toch wel aangenomen moet worden - dan moet de oudste parochiekerk ook zo'n Fiskalkirche geweest zijn." En dat was het niet, een Fiskalkirche, die oudste parochiekerk! (Bij een "Fiskalkirche" -vergelijk: viscus- was de pastoor behalve klerk van officiële akten, ook ontvanger van de tol of andere belastingen, in naam van de wereldlijke machtshebbers.) Ook dit gemis, wat onbestaanbaar is bij een Karolingische residentie, heeft Albert Delahaye in 1958 al aangegeven. In Nijmegen en verre omgeving is geen spoor gevonden van een wereldlijk of kerkelijk centrum te Nijmegen in de 8e en 9e eeuw en lang daarvoor of erna.

De Karolingische palts vertoont ook bij Leupen scheuren, als hij spreekt van "wat toch wel aangenomen moet worden". Aangenomen? Door wie moet dat aangenomen worden? Toch niet door Leupen, want die twijfelt daarover toch niet? Moet het aangenomen worden door de lezers van Spiegel Historiael? Of door de Nederlandse historici? Werd dat dan nog niet overal aangenomen? Blijkbaar brokkelt de Karolingische palts in Nijmegen langzaam maar gestaag af.

In het betreffende artikel krijgt Albert Delahaye zes keer gelijk, en dat nog wel van Leupen. En dan hebben we het nog niet over de andere kleinere "onvolkomenheden" in dat artikel, want het wemelt er van opvallende verschillen met de traditie en zelfs met het Bronnenboek.



Wat wij niet van St.Willibrord weten.
Wat wij niet van St.Willibrord weten, schrijft prof.dr. P.P.V. van Moorsel in het Benedictijns Tijdschrift, 1990/1. "Het probleem kent twee kanten, enerzijds zijn de bronnen erg schaars, anderzijds is er in de loop der tijden een beeld van Willibrord gevormd waarvan - zacht gezegd- niet duidelijk is of het historisch wel klopt. Om met het laatste voort te gaan: niet alleen kennen vele ouderen onder ons Willibrord nog als benedictijn, maar bovendien staat hij hier bekend als eerste aartsbisschop van Utrecht. De door Alcuin in proza geschreven biografie van Willibrord kent hem deze titel al in het opschrift toe. Terecht wordt deze aanduiding echter in recente studies als onhistorisch van de hand gewezen. Willibrord was aartsbisschop van de friezen - en daar houdt het, juridisch gesproken, mee op. Utrecht was hem door Pepijn als residentie aangewezen. Maar dat is een andere zaak. Begrijpelijk zijn zulke 'epitheta' overigens wel. Ze zijn het logisch gevolg van een terug-projecteren naar het verleden van meer recente historische ontwikkelingen en feiten. Voor mij is Schenk van Toutenburg (1588) de eerste (echte) aartsbisschop van Utrecht".
Tot zover dit letterlijk citaat.

Hoe Albert Delahaye ook hier weer op drie punten gelijk krijgt: 1. of het in de loop der tijd geschetste beeld van St.Willibrord historisch wel klopt; 2. het terugprojecteren van meer recente historische ontwikkelingen naar het verleden toe, hèt probleem van de déplacements historiques; en 3. de eerste (echte) aartsbisschop van Utrecht was dus niet St.Willibrord.



De verwarring tussen Noyon en Nijmegen!
Het allereerste gelijk is behaald door de erkenning dat er wel degelijk altijd verwarring heeft bestaan over Noviomagus: was het Nijmegen of Noyon? Deze verwarring werd aanvankelijk door Hugenholtz, Post en Stolte weggehoond en belachelijk gemaakt, zodat niemand daarna de visie van Albert Delahaye nog serieus nam.
Maar in een interview met Charles Groenhuijsen van de Volkskrant moest prof.dr.F.W.N.Hugenholtz openlijk toegeven "dat er inderdaad teksten zijn over Noviomagus waar de interpretatie Noyon onontkoombaar is." Het lukte Groenhuijsen uiteindelijk dit hoge woord 'eruit te trekken'. Vooral geen discussies met die "gek" stelde de 'heren' historici! Maar de eerste overwinning in het debat was behaald: de verwarring tussen Noyon en Nijmegen werd erkend, zei het met veel tegenzin. En nog wel door Prof.Dr.Hugenholtz, de altijd meest kwalijk agerende tegenstander van Albert Delahaye. Voor Hugenholtz was deze erkenning echter geen reden de overige teksten over Noviomagus ook eens kritisch te gaan lezen, want daar had hij, naar hij later ook moest erkennen, zelf nog nooit onderzoek naar gedaan. Waarom zou je ook, de traditie was immers toch zo sterk?
Ook in het Bronnenboek van Leupen wordt deze verwarring tussen Noyon en Nijmegen nu openlijk erkend. Op veel andere punten erkent het Bronnenboek het gelijk van Delahaye even onmiskenbaar. Zie bij Bronnenboek.

Er is dus eindelijk en gelukkig een kentering aan de gang. Tegenwoordige historici willen eerst de boeken van Albert Delahaye wel eens lezen, voordat zij er een mening over geven. Dat is het volgende gelijk van Delahaye: zijn werken werden steeds ongelezen verworpen en belachelijk gemaakt. De discussies werden vooral vermeden. Blijkbaar voorzagen de historici alle consequenties reeds! Immers als je geschiedenis heb gestudeerd, ben je op de hoogte van de vele vragen uit het verleden die in de geschiedenis van ons land altijd hebben bestaan en steeds onbeantwoord zijn gebleven. Alle vraagstukken die zich voordeden zijn ook geen "uitvinding" van Delahaye. Hij was wel de eerste die op zoek ging naar de antwoorden en daaruit wel alle consequenties trok!

Het Eiland der Bataven.
Het is niet langer houdbaar gebleken, dat het Eiland der Bataven door Julius Caesar genoemd in zijn "De Bello Gallico" overeenkomt met de Betuwe. Mede het totale gemis aan archeologische vondsten stelt Albert Delahaye volledig in zijn gelijk, dat de woonplaats der Bataven niet de Betuwe was, maar in Noord-Frankrijk gelegen heeft. Ook andere historici en archeologen (zie bij "Citaten") geven dat inmiddels volmondig toe. Julius Caesar is nooit hoger geweest dan de taalgrens, die nog steeds op dezelfde plaats ligt. De later vermelde geografica bij Tacitus en Einhard, die dezelfde landstreek in gelijke bewoordingen omschrijven, horen onmiskenbaar ook bij dezelfde Franse landstreek thuis. Juist omdat de vermeende aanwezigheid van de Bataven in de Betuwe, zo sterk geënt was op de teksten van Julius Caesar en schijnbaar een bevestiging vonden in die van Tacitus en Einhard. Deze mythe moet als afgedaan beschouwd worden, evenals de aanwezigheid van Drusus in onze streken. Immers zijn aanwezigheid wordt slechts herleid uit de teksten van Julius Caesar. De consequenties die dit heeft zijn in de boeken van Albert Delahaye duidelijk te vinden. De veronderstelling dat Drusus in 12 vóór Chr, de Friezen in het noorden van Neerland al onderworpen zou hebben, voordat er één Romein in Nederland is geweest, is te zot voor woorden. Deze deductie uit een verkeerde deductie moet naar het rijke land der fabelen verwezen worden. Ook het idee dat de Romeinse Renus overeen zou komen met de Nederlandse en Duitse Rijn, zal losgelaten moeten worden. Vele bibliotheken aan boeken, en niet alleen in Nederland, dienen herschreven te worden.

De rivier de Renus.
Rhenus, Rhin, is een keltische naam, die waterloop of stroom betekent. Het heeft dezelfde betekenis als het woord "Rin" (= beek), een naam die in Boulogne en Normandië meermalen voorkomt. Andere voorbeelden van deze naam met eenzelfde betekenis, naast de Reno in Italië, zijn in Frankrijk: Reins of Rhins en Renaison (departement Loire), Rinsonnet (bij Roanne), Le Rhénot en de Rhoin of Rains en Reins (Cote d'Or), Renon (Sarthe), Renne (Haut-Marne), Reigne (Haut-Saône), en de lacs de Rino (Corsica). De Cours-du-Rhoin (Cote-d'Or: Rains en Reins XIIIe eeuw)) wordt in direct verband gebracht met Rhenus. (Bron: A.Dauzat)


Volgens de opvatting van Albert Delahaye is de Renus niet de Duitse en Nederlandse Rijn, maar een complex van rivieren in Noord-Frankrijk. Het woord Renus moet ook meer gezien worden als de soortnaam van een grensrivier, dan als een eigennaam van één bepaalde rivier. Meerdere rivieren in Noord-Frankrijk en Vlaanderen, die in de Romeinse tijd nog lang niet allemaal al juist in kaart waren gebracht, vielen onder het begrip Renus.
Volgens Nederlandse historici is dit gegeven door Delahaye onjuist en enkel bedacht om zijn visie te onderbouwen. Bij hen is Renus altijd de Nederlandse/Duitse Rijn. Echter ook andere historici, zoals Byvanck en Van Es, vertalen het woord Renus in teksten met andere rivieren, zoals Maas of Waal, omdat de vertaling met Rijn niet klopt met de inhoud van de rest van de tekst.
Zelfs M.Gysseling, de toponymist uit Vlaanderen, erkent dat "Renus" en "Schelde" van hetzelfde grondwoord afkomstig zijn. Zie bij citaten.

Karolingisch Nijmegen.
Op de eerste en voornaamste stelling, namelijk dat Karolingisch Nijmegen één grote fabel is, heeft Albert Delahaye momenteel volledig zijn gelijk gehaald. Geen zinnig historicus praat nog over Karolingisch Nijmegen. Het is echter wel misplaatste collegialiteit, dat professoren en vakhistorici, overtuigd van de onwaarheid van de oude Karolingische fabel te Nijmegen, enige fanatiekelingen onder hen hun gang laten gaan en zij niet opkomen tegen deze misplaatste fabelschrijvers.
In de gemeentelijke informatiebrochures van Nijmegen, kom je Karel de Grote niet meer tegen, anders dan in de in 1954 (is dit toeval na de eerste publicties van Albert Delahaye over de waarheid van karolingisch Nijmegen?) in het leven geroepen Karel de Grote-prijs. Een prijs voor een kunstwerk dat de stad Nijmegen tot onderwerp heeft of erdoor is geïnspireerd, dan wel voor het gehele artistieke oeuvre van een kunstenaar of kunstenaarsgroep die behoort tot de culturele sfeer van Nijmegen. Wellicht dat Albert Termote, de ontwerper van het naamloze beeld op het Keizer Karelplein, nog eens voor deze prijs genomineerd kan worden. Het is immers een zeer toepasselijk beeld van een naamloze ruiter, die met zijn grimmige gelaatsuitdrukking aangeeft op de verkeerde plaats te staan.

Nijmegen 2000 jaar oud?
In de inleiding van het Bronnenboek van Leupen staat: "Welke andere plaats in Nederland wordt meer dan 70 maal genoemd in de periode 777 - 1000?" Blijkbaar ging bij Leupen bij deze vraag die hij zo zelf stelde, niet eens een lampje branden. Bestond er in Nederland werkelijk maar één stad: Nijmegen? Dan krijgt men wel een hikbui als in "Het Valkhof van Nijmegen" enkele malen vermeld wordt dat de stad in deze periode niet heeft bestaan. Dat de kroniekschrijvers zich vergist zouden hebben, zeg maar liever de indiceerders van de Monumenta Germanica, soit! Maar dat de keizerlijke en koninklijke kanselarijen oorkonden zouden uitgeven in een niet bestaande stad, dàt is toch iets teveel gevraagd. Alle oorkonden ondertekend met "Actum Noviomago" (en andere variaties) behoren dus toe aan een wèl bestaande stad: Noyon. Leupen kent de eigen publikaties van Nijmegen blijkbaar nog niet eens, en kan zich dus geen recht aanmatigen uitspraken te doen over Noyon!

De oudste stad Nijmegen!
De auteurs van het Bronnenboek (Leupen, Thissen) verkondigden met veel branie als "hun" ontdekking, dat de oudste stad beneden aan de Waal gelegen had, wat Albert Delahaye reeds in 1954 gepubliceerd had (zie De Gelderlander van 31 juli, 3 en 10 augustus 1954), wat toen als "onzin" werd bestempeld. Ook hier krijgt Albert Delahaye uit geheel onverwachte hoek weer gelijk! Het Bronnenboek van Leupen loopt niet alleen enkele decennia achter, maar trekt bovendien als historische slak een slijmerig spoor van plagiaat.

Numaga's embleem gecorrigeerd.(P.Leupen, Numaga XXX 1983, blz. 23)
"Niet alleen ons tijdschrift onderging een gedaanteverandering, ook het welbekende embleem van onze vereniging werd - zij het minder opvallend - gewijzigd. Het oudst bekende zegel van de stad Nijmegen, bevestigd aan een charter uit 1265, werd in een weergave van Jan van Vucht Tijssen vanaf de heroprichting in 1954 het kenteken van de vereniging Numaga. Maar het randschrift, luidend, SIGILLUM BURGERIENSIUM DE NUMEGEN (zegel der burgers van Nijmegen) bleek slechts gedeeltelijk juist te zijn. Op de foutieve weergave wees voorzitter Leupen in een ledenvergadering.
De juiste lezing is SIGILLUM BURGERIENSIUM DE NUMEGEN. Een historische vereniging is het aan haar stand verplicht deze correctie door inlassing van drie letters (-ERI-) te aanvaarden, zodat vanaf heden het embleem zich historisch verantwoord op tijdschrift, briefpapier en enveloppen presenteert."

Albert Delahaye heeft eerder gewezen op dat eerste stadszegel, om aan te geven dat in 1265 de latinisatie Noviomagus voor Nijmegen nog niet bestond. Zie De Ware Kijk Op, deel 1, blz. 384, waar we lezen: "Oudste zegel en wapen van Nijmegen. Het opschrift luidt: Sigillum burgeriensium de Numegen - zegel der burgers van Nijmegen. Opvallend is dat in deze latijnse zin Numegen staat, wat bewijst dat de latinisatie Noviomagus in Nijmegen in 1265 nog niet bestond."
Opvallend dat Delahaye ook hier weer gelijk krijgt en dan nog wel van Leupen, zij het wel erg onopvallend. Onopvallend fouten erkennen is de laatste jaren vaker voorgekomen bij correcties van de geschiedenis van ons land. Nu de rest van de mythen nog, immers "een historische vereniging is het aan haar stand verplicht" correcties te aanvaarden, zoals "Numaga" dat zelf schrijft!

De naam van de kapel op het Valkhof!
De St.Nicolaaskapel op het Valkhof toont onweerlegbaar aan dat de geschiedenis van Nijmegen (na de Romeinse periode) weer begint rond 1100. Deze kapel wordt nu, ook in de officiële informatie van de gemeente, St.Nicolaas-kapel genoemd en niet langer meer foutief "heidense kapel" of "karolingische kapel". De naamgeving van "heidense kapel" was gebaseerd op de verkeerde veronderstelling dat de kapel door de Romeinen, die immers als heidenen beschouwd werden door de Middeleeuwers, de bouwers van de kapel zouden zaijn geweest. Bovendien was in de muur van de kapel een steen gemetseld met Romeinse inscriptie, die lange tijd aanleiding was tot een hele mythevorming. Mythen die in Nijmegen nog steeds -zij het nu nog gedeeltelijk- het uitgangspunt zijn van vele veronderstellingen in de aangenomen geschiedenis. De naamgeving van "heidense kapel" geeft meeteen de stand van de historische wetenschap weer, in de tijd dat de Nijmeegse tradities ontstonden.
Het feit dat deze kapel de oudste parochiekerk van Nijmegen was, werd in 1965 nog ten stelligste ontkend en fel bestreden. Het bevestigt tevens dat men ook in Nijmegen de fabel van Karolingisch Nijmegen nog steeds niet heeft losgelaten. Aanvaarding van de naam St.Nicolaaskapel voor deze oudste parochiekerk van Nijmegen betekent immers het volledig toegeven van de valsheid van de Karolingische traditie, juist omdat deze mythe het sterkst op deze kapel was vastgepind! Het is het volgende gelijk van Delahaye!

De archeologie in Nijmegen!
Prof.Dr.J.E.Bogaers, archeoloog uit Nijmegen, heeft eens eerlijk bekend, dat, hoewel men aanvankelijk om "de voorspelling van Delahaye flink gelachen heeft", ze toch de bittere conclusie moesten trekken dat in de bodem van Nijmegen NIETS gevonden is uit de Karolingische periode, noch lang daarvoor, noch lang daarna, wat Albert Delahaye in 1965 al had voorspeld. Na de Romeinse periode kent de archeologie van Nijmegen een "gat" van 8 eeuwen!

De archeologie in Nederland!
De archeologie in Nederland bevestigt onmiskenbaar ook het gelijk van Albert Delahaye door een volledig ontbreken in (laag) Nederland van archeologische vondsten tussen de Romeinse periode en de 10e eeuw. Op alle plaatsen die daarvoor in aanmerking kwamen is men driftig op zoek gegaan naar Merovingische en Karolingische overblijfselen. Tot heden heeft men NIETS gevonden van enige importantie, in Nijmegen niet, in Utrecht niet, in Wijk bij Duurstede niet, in Dokkum niet. Het ontbreken van enig archeologisch relikt toont aan, dat er in al die streken van bewoning nauwelijks sprake is geweest. Op plaatsen waar de machtige volkeren der Friezen, Franken of Saksen gewoond zouden moeten hebben, is daarvan NIETS teruggevonden.
De vondst van veel Romeinse relikten bewijst dat er na de Romeinse periode langdurige overstromingen hebben plaatsgevonden. De Romeinse overblijfselen worden in laag Nederland steevast onder een (dikke) laag zeeklei gevonden. Of het nu gaat om de schepen van Zwammerdam of die van Leidsche Rijn, de resten van een Castellum zoals fort Valkenburg of een nederzetting te Rijswijk.

De afwezigheid van de naam van Keizer Karel de Grote.
In Nijmegen weet men echt wel dat Karel de Grote er geen paleis heeft gehad. De eertijdse twijfel is omgeslagen in hedendaagse bevestiging. Ook op de Universiteit weet men dat. Twee simpele feiten geven dat aan. Allereerst ontbreekt op het standbeeld van de grimmig kijkende ruiter op het Keizer Karelplein de naam van de afgebeelde persoon. Slecht met gevaar voor eigen leven vanwege het rondrazende verkeer op dit verkeersplein, waar elke oversteekplaats naar het parkje ontbreekt, is dit beeld te bezichtigen. Blijkbaar wenst Nijmegen geen bezoekers bij dit standbeeld, dat er sinds 1962 staat, 4 jaar na het verschijnen van het boek "Het mysterie van de keizer Karelstad van A.Delahaye. Heeft men met gevaar voor eigen leven eenmaal het parkje midden op deze rotonde bereikt, dan moet men maar raden wie die ruiter is. Een opschrift ontbreekt. Blijkbaar durft men er in Nijmegen niet voor uit te komen dat deze ruiter Karel de Grote zou moeten voorstellen. Met zijn grimmige gelaatsuitdrukking geeft de ruiter beeldend aan, dat hij op de verkeerde plaatst staat.
Het tweede frappante voorbeeld is de naamgeving van de Universiteit. Gesticht in 1923 onder de titel "Keizer Karel-Universiteit", liet men dit predikaat vallen om het te vervangen door Katholieke Universiteit Nijmegen. Daarbij werd de motivering gegeven dat dit gebeurde om nadruk te leggen op het katholieke karakter van de universiteit, een enorme drogreden, omdat iedereen weet dat het sindsdien alleen maar bergaf is gegaan met dat katholieke karakter. De ware reden voor het veranderen van de naam is, dat bij velen in de eigen universitaire kring van Nijmegen de t w i j f e l aan Karolingisch Nijmegen al heel diep was doorgedrongen. Men wilde het risico niet lopen die titel nog op de voorgevel te hebben, wanneer het debakel zou losbarsten, dat men toch zag aankomen, en dat eenieder zich dan vrolijk zou maken om een Universiteit die haar onkunde op de gevel zou uitstralen. Daarom liet men de naamplaat bijtijds verwijderen in de hoop dat zij vergeten zou worden, overeenkomstig het bekende recept van het Bronnenboek voor het uitwissen van sporen.
Blijkbaar heeft historisch Nijmegen er ook nooit over gedacht de naam Keizer Karel-universiteit te handhaven, slinks verwijzend naar die andere keizer Karel (de V) die er ooit wel verbleven heeft (maar wie weet dat?). Zo goedgelovig is men blijkbaar niet op die Katholieke Universiteit.
Overigens is de nieuwe naam St.Radboud Universiteit die men sinds 2004 voert, een volgende historische "blunder". verwijzend naar een bisschop van Utrecht (899-917), blijkt het die van Tournehem (Fr.) te zijn. Of is deze naam misschien een listig verborgen verwijzing naar de ware locatie van Noviomagus?

De west-oriëntatie.
Reni Orientalis Ostrium en Reni Occidentalis Ostium worden door alle historici vertaald met noordelijke en zuidelijke monding van de Renus, terwijl er letterlijk staat oostelijke en westelijke monding. Afgezien of de juiste Renus bedoeld wordt, moeten zelfs tegenstanders van de visie van Albert Delahaye hem ook hier weer gelijk geven: het is een onmiskenbare bevestiging van de West-Oriëntatie. Onze eigen Ooster- en Westerschelde, die feitelijk Noorder- en Zuiderschelde zouden moeten heten, en de Noordzee en Zuiderzee (naamgeving vanuit Holland!), bevestigen deze West-Oriëntatie net zo onmiskenbaar.

Utrecht als bisschopszetel van St.Willibrord.
Geen enkele serieus historicus durft tegenwoordig nog de stelling te verdedigen dat St.Willibrord ooit bisschop van de Friezen in Utrecht is geweest. Er is archeologisch geen enkele spoor van de kerstening van Utrecht en verre omgeving, tot Dokkum aan toe, te vinden. Utrecht heeft als locatie van het Trajectum van St.Willibrord echt afgedaan. Het was Albert Delahaye die als eerste deze stelling verkondigde en aanvankelijk op een weinig wetenschappelijke manier werd uitgelachen en weggehoond. De lachers van toen staan nu met het schaamrood op de kaken bedremmeld toe te zien dat ze ongelijk hadden. Toegeven van hun ongelijk is blijkbaar erg moeilijk, dus wordt hun ongelijk angstvallig verzwegen.

De invallen van de Noormannen
Op een prachtige expositie in Parijs over de Vikingen merkt Willem van der Post (Algemeen Dagblad van 19 mei 1992) verrast op, dat er NIETS uit ons land te zien is. "Nederland is de grote afwezige op deze tentoonstelling. Bruiklenen uit Nederlandse Musea zijn er niet te vinden. Ons land staat ook niet aangegeven op de vondstenkaart in de fraaie catalogus." "Waar is bijvoorbeeld de Schat van Winsum, waar het Fries museum jaren geleden mee pronkte? Die zilveren en benen voorwerpen zijn nergens te bekennen. Een telefoontje naar Leeuwarden leert waarom. Conservator Mensonides: "Die schat bleek namelijk zo vals als wat!" Blijkbaar hebben de Vikingen in ons land niets achtergelaten.
Prof. dr. W. van Es van de R.O.B. in Amersfoort bevestigt dat. "Eigenaardig hè? Er valt niet aan te twijfelen dat de Vikingen in ons land zijn geweest", zegt hij. "Uit kronieken weten we b.v. dat ze Nijmegen (1) en Dorestad hebben platgebrand. Maar we hebben geen archeologische voorwerpen gevonden die op hun aanwezigheid hier duiden". "Bij opgravingen in Dorestad (Wijk bij Duurstede) hebben we alleen een brandlaag en 2 zilveren armbanden gevonden. Ik durf er echter mijn hand niet voor in het vuur te steken dat die uit Scandinavië komen". "Waarschijnlijk", aldus Van Es, "zijn de Vikingen in ons land kort, destructief bezig geweest en hebben ze alleen spullen meegenomen en niets gebracht!"
Bestaat er een onnozele uitvlucht, als je weet dat de Noormannen tussen 809 en 925 keer op keer Trajectum, Noviomagus en Dorestadum aangevallen hebben en een lange rij andere (overigens allemaal Franse en Vlaamse) steden, waar de sporen van berovingen wel gevonden zijn!
(1) Uiteraard staat er in die Franse kronieken niet Nijmegen, maar Noviomagus. Het zo omgaan met plaatsnamen is weinig zorgvuldig en erg suggestief.


Maar ook op het gebied van:
staat het gelijk volledig aan de kant van Delahaye. Wie het hiermee niet eens is moet dat dan maar eens duidelijk aantonen met schriftelijke bronnen en niet met onnozele uitvluchten! Zelfs het Bronnenboek van Nijmegen, waar toch de meest deskundige hiostirici aan gewerkt hebben, is daar niet in geslaagd.

Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf!