Citaten die het gelijk van Albert Delahaye bevestigen.

"Het grootste probleem bij mythen is, dat zij makkelijker ontstaan, dan opgeruimd worden."

Een van de meeste gehoorde tegenargumenten in de visie van Albert Delahaye is, dat hij nooit steun heeft gevonden onder historici van professie. Niets is minder waar.
Verschillende beroepshistorici en -archeologen bevestigen de zienswijze van Delahaye door eigen onderzoek of in eigen publicaties. Op zeer cruciale punten geven zij Delahaye gelijk, al vermelden zij dat niet expliciet!

"Vooral over de periode tussen Romeinse tijd en late middeleeuwen is veel gefantaseerd door latere schrijvers en veel daarvan is door weinig kritische auteurs weer overgenomen. Hier past grote voorzichtigheid en scherpe controle", aldus een citaat van W. Jappe Alberts die daarmee de kern van de mythevorming en de werkwijze van veel historici haarscherp aangeeft.

"Voor zover de historische waarheid te achterhalen valt, wordt deze niet door iedereen altijd even nauw genomen. Een bepaalde interpretatie kan voor de een immers net iets aantrekkelijker zijn dan voor de ander. Bewust of onbewust bestaat er soms een zekere voorkeur voor een weergave van het verleden die net iets eerbiedwaardiger, interessanter of spectaculairder is, dan de beschikbare bronnen doen geloven."
(Bron: I.Jacobs en K.Ribbens)

Op deze bladzijde zijn al 250 letterlijke citaten van verschillende historici -soms fervente tegenstanders van de visie van Delahaye- verzameld, die het gelijk van Albert Delahaye aantonen. Bij elke citaat vindt U een bronvermelding, zodat U de betreffende opmerking kunt verifiëren. In de schuingedrukte opmerkingen staan vanzelfsprekende conclusies, die de betreffende auteur niet altijd uit zijn eigen uitspraak heeft getrokken.



1. Over de Romeinen in Nederland.
2. Over Romeins Nijmegen.
3. Over de bewoningsgeschiedenis van Nederland.
4. Over de Germanen en de grote volksverhuizing!
5. Over de Transgressies!
6. Over de Franken, Merovingisch en Karolingisch Nederland!
7. Over St.Willibrord, Utrecht en Egmond!
8. Over St. Bonifatius en Dokkum!
9. Over Wijk bij Duurstede en de Noormannen!
10. Over de opkomst van het graafschap Holland!


1. Over de Romeinen in Nederland!

  1. Is Nijmegen gesticht door de Romeinse veldheer Gaius Iulius Caesar? Welneen. Toen Iulius Caesar tegen het midden van de laatste eeuw vóór Christus het grondgebied van het tegenwoordige Frankrijk en België bij het zich nog steeds uitbreidende, reeds uitgestrekte Romeinse rijk voegde, was het huidige stadsgebied van Nijmegen nog onbewoond. "Wij kunnen dan ook de telkens weer opduikende legende van een stichting van Nijmegen door Iulius Caesar veilig laten voor wat zij is. (Bron: Van Buchem).
    Aldus de eerste alinea uit een artikel in het eerste nummer van NUMAGA, het 'eigen' tijdschrift van Nijmegen, met de naam van Noyon, waarmee het probleem van de in Nijmegen altijd ontkende verwarring haarfijn wordt geëtaleerd. Julius Caesar is nooit in Nederland geweest en dan moet alles, maar dan ook werkelijk alles, dat voorheen van deze foutieve veronderstelling is afgeleid, uit de Nederlandse historie geschrapt worden. Dan was de Rhenus dus niet de Nederlandse Rijn, dan was de Betuwe niet het eiland der Bataven, dan vond de slag tegen de Ucipeten en Tencteren niet in Nederland plaats en woonden de volkeren als Cimbri, Cherusci en Suebi die Caesar uit eigen waarneming en treffen heeft beschreven ook niet in Nederland of zelfs ver in Duitsland. Julius Caesar is met zijn veroveringen nooit hoger geweest dan de huidige taalgrens. Dit leidt slechts tot één conclusie: de geschiedenis die Caesar beschrijft in zijn "De Bello Gallico" heeft zich ten zuiden van die taalgrens afgespeeld. Als men deze ene conclusie eenmaal accepteert, komt de geschiedenis in west-Europa vanzelf op de juiste plaats terecht.

  2. Julius Caesar heeft nooit een voet in België gezet. (Bron: De Morgen: febr.2006)
    De Gentse oud-hoogleraar dr. Hugo Thoen, een autoriteit op oudheidkundig gebied en oud-docent provinciaal-Romeinse archeologie, komt na een studie van 50 jaar tot de conclusie dat Julius Caesar nooit een voet in België heeft gezet (en dus al helemaal niet in Nederland). Zo ver noordelijk is Caesar nooit geweest. Voor de geschiedschrijving lijkt dit toch de nodige consequenties te hebben. In weerwil van wat voor de meeste historici nog geldt, staan de bevindingen van de archeologen haaks op de interpretaties van de (oud-)historici. Hiermee bevestigt prof.dr.Thoen onmiskenbaar de visie van Albert Delahaye. Zie ook de vorige opmerking.

  3. "Voor de Romeinse tijd in Nederland moet men zich behelpen met het in veel opzichten verouderde werk van A.W.Byvanck, Nederland in de Romeinschen tijd 2dln (Leiden 1943)" , (Bron: W.Jappe Alberts). Gezien hun literatuuropgave borduren veel hedendaagse historici nog steeds voort op het gedachtengoed van Byvanck, dat door hen nog steeds als een standaardwerk wordt beschouwd. Toch bekijkt men de publicaties van Byvanck tegenwoordig wat kritischer. Niet zozeer om hem af te vallen, maar voornamelijk omdat men de door Byvanck terecht geuite twijfel wil ontkennen en de door hem genoemde onzekerheden wil weerleggen. Men doet het voorkomen dat de tegenwoordige wetenschap een sprong vooruit heeft gemaakt ten opzichte van de tijd van Byvanck. Niets is minder waar, er is gewoon niets bijgekomen waarmee men de vermoedens die Byvanck uitspreekt zou kunnen omzetten in zekerheden, wat wel zonder enige toelichting steeds gebeurd.

  4. De zogenaamde Tabula Peutingeriana (een Romeinse wegenkaart uit het begin van de derde eeuw) biedt de huidige historici nog grote problemen. Met name valt het niet mee de daarop geschreven plaatsnamen in Nederland te lokaliseren. (Bron: H.P.H. Jansen)
    Het valt niet alleen niet mee, maar men is er nog helemaal niet in geslaagd één plaats met zekerheid te identificeren. Zie ook bij W.A. van Es, De Romeinen in Nederland. Jansen -de hier aangehaalde auteur- betoogt verder: "Maar het staat toch wel vast dat de plaatsen langs "de Rhenus" gezocht moeten worden langs de Oude Rijn in het huidige Nederland en niet in Noord-Frankrijk, zoals met onvoldoende argumentatie door Delahaye beweerd is". Ja, als je de boeken van Delahaye niet leest, mis je natuurlijk die argumentatie.

    De Peutingerkaart wordt internationaal op de 4e eeuw gedateerd. In Nederland hanteert men liever de 3e eeuw, omdat in de 4e eeuw de Romeinen Nederland al verlaten hadden en het niet aannemelijk te maken is, dat Nederland nog op een Romeinse wegenkaart zou voorkomen. En dit laatste is nu juist precies de visie van Delahaye! Albert Delahaye wordt in zijn visie met betrekking tot de Peutingerkaart in het gelijk gesteld door andere historici, o.a. C.Kirk, die onafhankelijk van hem de "bovenste wegen" van de kaart ook in Noord-Frankrijk plaatst. Ook al komt hij tot enkele andere determinaties van plaatsnamen, is het wel duidelijk dat de Patavia daar niet alleen beter past dan in Nederland, maar er gewoon aantoonbaar is.

  5. De vroegste vondsten van Romeinse oorsprong in ons land - afgezien van de lang in circulatie blijvende munten - dateren echter niet uit Caesars tijd, maar uit de regeringsperiode van keizer Augustus (27 v. Chr. - 14 n. Chr.). - Omdat vroeg-Romeinse vondsten uit de tijd van Caesar in ons land niet zijn aangetroffen, laten we om praktische redenen de 'Romeinse periode' ten onzent aanvangen in de Augusteïsche tijd. (Bron: J.Trimpe Burger)
    Toch laat (een deel van) historisch Nederland de komst van de Romeinen, ondanks het gemis van enig archeologisch relikt, nog steeds beginnen met de verovering van Gallië door Julius Caesar vanaf 54 v.Chr.

  6. Eerst in de tweede helft van de eerste eeuw na Chr. worden de Romeinse invloeden in het Deltagebied goed merkbaar. Waarschijnlijk vonden de vroegste contacten met de Romeinse voorposten reeds een eeuw eerder plaats, maar tastbare bewijzen hiervoor zijn nog niet gevonden. (Bron: De Nederlandse Delta, p.33)
    De bedoelde waarschijnlijke contacten gaan over de tijd van Julius Caesar, waarvan archeologisch nooit iets gevonden is. Het begin van de Romeinse aanwezigheid in het Deltagebied heeft op zijn vroegst halverwege de eerste eeuw plaats gevonden. De "Nederlandse Delta" laat de Romeinse tijd beginnen in 70 n.Chr. en eindigen in 275 n.Chr. Aardenburg staat hierbij model voor de Romeinse occupatie.

  7. Al heeft West-Brabant vier eeuwen deel uitgemaakt van het Romeinse Rijk, de sporen van de aanwezigheid of invloed daarvan zijn zeer gering. (Bron: J.H.Verhagen)
    Met die geringe sporen worden de losse vondsten bedoeld bij Rijsbergen, Oosterhout, Prinsenbeek, Alphen en Baarle-Nassau. Er wordt slechts Romeins importmateriaal gevonden. Of er nederzettingen hebben bestaan wordt hiermee niet aangetoond.

  8. Omtrent de ligging van de overige genoemde castella (Maurik, Kesteren, Opheusden, Driel, Huissen/Loowaard en Herwen) bestaan alleen op bodemvondsten gegronde vermoedens. Van de castella zelf heeft men ter plaatse nog nauwelijks enig spoor gevonden. (Bron: R.Borman)
    Met het "nog nauwelijks enig spoor" bedoeld de schrijver, gezien de rest van de tekst, dus gewoon "nog niets gevonden".
    Want dat is het grootste probleem in Romeins Nederland: de aangenomen geschiedenis komt helemaal niet overeen met de archeologische vondsten. Zie ook de uitkomsten van recent archeologisch onderzoek.


  9. In Zeeland dateert de vroegste vondst van Romeinse herkomst - munten weer buiten beschouwing gelaten - uit ca. 70 n. Chr., t.w. een scherf van een terra sigillata-kom van Zuidgallisch fabrikaat, gevonden in een inheemse nederzetting te Koudekerke op Walcheren. Omstreeks het begin van onze jaartelling (en daarvoor) was het kustgebied van Zeeland, op tal van plaatsen bewoond, maar van enige Romeinse invloed schijnt toen nog geen sprake geweest te zijn, al moeten we deze theoretisch wel voor mogelijk houden. (Bron: J.Trimpe Burger)
    Zie opmerking bij het vorig citaat. Dat enige Romeinse invloed "theoretisch" wel voor mogelijk moet worden gehouden, wordt ingegeven door de schriftelijke bronnen die anders niet op Nederland passen. Immers als de Renus als de Duitse en Nederlandse Rijn wordt beschouwd moet Julius Caesar zeker in Nederland geweest zijn. Hij beschrijft immers de Renus en een aantal volkeren die er woonden.

  10. Toen Julius Caesar in 57 v.Chr. Gallië veroverd had verklaarde hij kort en goed dat Nederland daar ook bij behoorde. In werkelijkheid klopt dat niet zo erg. Toen hij in 49 weer wegtrok was er in zuidelijk Nederland niets gebeurd en er was géén Romeins gezag. Julius Caesar had echter wel de Oude Rijn bereikt en het is mogelijk dat hij de Waal de Rijn heeft genoemd. (Bron: R.Pörtner)
    De werkelijkheid is dat Julius Caesar nooit verder is geweest dan Noord-Frankrijk. Daar lag ZIJN Renus: de Gallische Renus ofwel de Schelde. In Nederland is geen enkele archeologische vondst gedaan uit de tijd van Julius Caesar. De oudste vondsten in ons land zijn uit 12.v.Chr., al zijn deze vondsten uit de tijd van Drusus zeer discutabel en slechts gedateerd op grond van schriftelijke bronnen, waarvan men van mening was dat die op Nederland betrekking hadden.

  11. In de tijd van 12 tot 9 voor Chr., toen Drusus opperbevelhebber was in Gallië, zijn langs de oever van de Rijn meer dan 50 castella aangelegd. Van deze versterkingen, waarvan er ongetwijfeld ook wel enige aan de benedenloop van de Rijn moeten zijn gebouwd, is tot nu toe geen enkel zeker spoor in ons land ontdekt. Wel mag men op goede gronden vermoeden dat te Vechten (Fectio) een dergelijke vroeg-Romeinse vesting heeft gelegen! (Bron: J.E.Bogaers)
    Na deze ontboezeming van Bogaers vraagt men zich toch af, waarom juist Bogaers zo'n sterke weerstand had tegen de visie van Delahaye. Hij geeft Albert Delahaye hiermee gewoon gelijk. Zie ook de opmerking over de aanwezigheid van Julius Caesar bij het vorige citaat.

  12. In het voorafgaande zijn summier enige vestingen besproken die deel hebben uitgemaakt van de Limes Germaniae Inferioris. Hier moet bij opgemerkt worden dat een van de grootste lacunes van de provinciaal-Romeinse archeologie in ons land wordt gevormd door de omstandigheid dat we nog steeds geen overzicht hebben van het totaal van het Romeinse verdedigingssysteem langs het Nederlandse gedeelte van de Rijngrens. Dit geldt ook ten aanzien van de wegen die voor de noodzakelijke verbindingen moeten hebben gezorgd! (Bron: J.E.Bogaers)
    Na deze volgende ontboezeming van Bogaers vraagt men zich tot tweemaal toe af, waarom Bogaers steeds zo sterk ageerde tegen de visie van Delahaye. Hij geeft Albert Delahaye hiermee gewoon opnieuw gelijk.

  13. Romeins Nederland is nimmer de eer van een Colonia waardig geacht! (Bron: W.van Es)
    Het gaat dus te ver om aan de tijdelijke noordgrens van het Romeinse Rijk die importatie te geven die men er in Nederland zo graag aan geeft: het Romeins in Nederland is allerminst van internationale allure, zelfs in de tijd van de Romeinen was dat al zo!
    Men kan zich dan ook met recht afvragen of dit tijdelijke en onbelangrijke deel van het Romeinse Rijk nog op een Romeinse wegenkaart zou staan, als het gebied door de Romeinen allang verlaten is!
    Zie ook het hoofdstuk De Romeinen in Nederland van W.A.van Es.

    Zie verder bij de Romeinse Limes Germanicus.

  14. Romeins Utrecht heette Albiobola!
    De inscripties leveren het onwedersprekelijke bewijs, dat er op en in den omtrek van het Domplein te Utrecht eene nederzetting lag, die den naam colonia Albiobola Batavorum voerde. Albiobola is blijkbaar een belangrijk militair centrum geweest. (Bron: C.W.Vollgraff)
    Opgravingen op het Domplein in 1929 toonden onweerlegbaar aan dat Romeins Utrecht "Colonia Albiobola Batavorum" heette. Daaruit volgen enkele onweerlegbare conclusies: allereerst was er in Romeins Nederland dus wel een Colonia, n.l. Utrecht, iets dat Van Es verzwijgt (zie citaat hierboven). Op de tweede plaats volgt hieruit dat Romeins Utrecht dus niet Trajectum heette, dat heeft dus ergens anders gelegen. De opgravingsgegevens van Vollgraff zijn altijd "onder tafel gehouden" en verzwegen voor het gewone publiek, want het legt een bom onder de hele traditionele visie van Romeins en Middeleeuws Nederland. Bovendien weerlegt het de woonplaats van de Bataven in de Betuwe. Welk volk sticht immers een Colonia in eigen land? Op de derde plaats wordt met de opgraving van Vollgraff aangetoond dat Utrecht uit de 10e eeuw direct volgde op Romeins Utrecht. De Utechtse Dom is rechtstreeks op Romeinse fundamenten gebouwd. Net als Elst en Nijmegen vertoont de archeologie en dus de geschiedenis van Utrecht hetzelfde gat van ZEVEN eeuwen.

  15. Bij opgravingen aan de voet van de Utrechtse Dom zijn fundamenten van het eerste bisschoppelijk paleis van Nederland gevonden. Ook zijn resten blootgelegd van de Romeinse castellummuur die moest wijken voor de bouw van dit paleis. Nooit eerder was er iets te zien van dit paleis, dat in de 11e eeuw is gebouwd. Er is bij dit onderzoek een muurwerk tevoorschijn gekomen, dat was gefundeerd op grote granieten zwerfkeien. Tussen het puin bevonden zich ook enkele brokstukken van kleurrijk gedecoreerd Romeins pleisterwerk.
    Altijd werd aangenomen dat de Noormannen de westkant van de Romeinse castellummuur in de 9de eeuw hadden gesloopt om vervolgens aan het plunderen te slaan. De opgravingen hebben nu duidelijk gemaakt dat het niet de Noormannen, maar bisschop Adelbold is geweest die de muur liet afbreken. Na de grote brand van 1017 in het kerkelijk centrum van Utrecht gaf de bisschop opdracht voor een grootscheepse herbouw van ondermeer de Domtoren.
    (Bron: ANP. september 2008)
    Het elfde eeuwse bouwwerk was rechtstreeks op het Romeins gebouwd. Tussen de 3e en 11e eeuw was er in Utrecht niets. Na deze archeologische constatering kunnen we de hele discussie over St.Willibrord in Utrecht en de Noormannen in Nederland voorgoed beëindigen. Zeker omdat men (de historici) altijd beweerd hebben dat de z.g. eerste kerk van St.Willibrord op het domterrein zou hebben gestaan en geplunderd zou zijn door de Noormannen, waarvan overigens nooit iets is gevonden. Deze vondst bevestigt de visie van Albert Delahaye op alle fronten. Einde discussie.

  16. Na 47 n.Chr. was de Rijn voor de Romeinen zeker wat thans de Oude Rijn heet, maar het is erg de vraag of dat ook al voor Caesar gold. Niets wijst erop dat hij tot de Oude Rijn is doorgedrongen! (Bron: W.van Es)
    Deze opmerking van Van Es dringt door tot de kern van de mythen. Hij is alleen vergeten dit nader te onderzoeken, wat Albert Delahaye wel gedaan heeft en waarbij hij tot een onthutsende conclusie kwam.

  17. De samenstelling van de Romeinse grenzen langs de Rijn ten tijde van Caesar en gedurende de na hem volgende periode van dertig jaar, is niet bekend. Noch door opgravingen noch door luchtfoto's zijn et permanente bases van de Romeinen uit de periode tussen 50 en 20 jaar v. Chr. aan het licht gebracht. (Bron: M.Todd)

  18. Hoewel dat slechts voor enkele delen van de grens is aangetoond, mag men er toch van uitgaan dat de hele grensstreek - met uitzondering van de omgeving van Agrippina (Keulen), Traiana (Xanten) en Noviomagus (Nijmegen) - in principe militair gebied was, waarin de afzonderlijke territoria van legerkampen en castella samen een keten vormden. Deze waren, zoals uit andere provincies bekend is, door grensstenen (cippi) gemarkeerd. Daar waar ze ontbraken, zoals op Nedergermaans grondgebied, is geprobeerd om met behulp van de kartering van militaire dakpanstempels conclusies te trekken over de omvang en begrenzing van de militaire territoria; een methode die overigens ter discussie staat.(Bron: T.Bechert en W.J.H.Willems)
    Op grond van slechts op enkele plaatsen aangetoonde feiten, trekt men verregaande conclusies die men voor de hele grensstreek laat gelden. Inderdaad een methode die terecht ter discussie staat.

  19. Daarmee bleef ons land, voor zover het al effectief door de Merovingen beheerst werd - wat het was in Romeinse tijd: een outpost of progress, een randgebied van weinig betekenis voor de intelligentia dier dagen. (Bron: D.P.Blok)
    Ondanks het verkeerd interpreteren van de bronnen komt Blok toch tot bovenstaande conclusie. Hij bevestigt hiermee de visie van Albert Delahaye onmiskenbaar. De "Agri Decumates" van Tacitus kwalificeert de betekenis van de tijdelijke noordgrens van het Romeinse Rijk.

  20. Rond 50 v.Chr. vertonen de Romeinen zich voor het eerst in onze streken als Caesar door onze zuidelijke gebieden trekt. Archeologische resten daarvan zijn tot op heden echter nog niet aangetroffen. (Bron: J.H.F.Bloemers)
    Op grond van misverstane teksten dacht men dat de Romeinse periode in ons land begon met de verovering van Gallia door Julius Caesar. De archeologie weerlegt deze visie en tevens het begin van de traditionele geschiedenis van Romeins Nederland en die van Romeins Nijmegen.

  21. De schriftelijke overlevering biedt dan ook geen doorslaggevende argumenten om de Romeinse tijd in ons land met de periode van Caesar te laten beginnen. Archeologische aanwijzingen daarvoor zijn er al evenmin. (Bron: W.van Es)
    Het is niet langer houdbaar gebleken, dat het Eiland der Bataven door Julius Caesar genoemd in zijn "De Bello Gallico" overeenkomt met de Betuwe. Mede het totale gemis aan archeologische vondsten in de Betwuwe stelt Albert Delahaye volledig in zijn gelijk, dat de woonplaats der Bataven in Noord-Frankrijk gelegen heeft. Julius Caesar is nooit hoger geweest dan ongeveer de toenmalige en nog steeds op dezelfde plaats gelegen taalgrens. De later vermelde geografica bij Tacitus en Einhard, die dezelfde landstreek in gelijke bewoordingen omschrijven, horen onmiskenbaar ook bij dezelfde Franse landstreek. Juist omdat de vermeende aanwezigheid van de Bataven in de Betuwe, zo sterk geënt was op de teksten van Julius Caesar en schijnbaar een bevestiging vonden in die van Tacitus en Einhard. Deze mythe moet als afgedaan beschouwd worden, evenals de aanwezigheid van Drusus in onze streken. Immers zijn aanwezigheid wordt slechts herleid uit de teksten van Julius Caesar.

  22. In de tijd van Caesar woonden er nog geen Bataven in de Betuwe. (Bron: W.J. de Boone)
    Deze ene constatering weerlegt ook die hele traditionele geschiedenis van Romeins Nederland.

  23. "Bij Wijk bij Duurstede heeft in die periode een Romeins fort, een castellum genaamd Levefanum als onderdeel van de verdedigingslinie, de Limes, gelegen. Het fort is inmiddels verzwolgen door de rivier".(Bron: Archeologisch Kroniek provincie Utrecht 1988-1989) Ofwel het vermeende Romeinse fort is er nooit gevonden, wat ook wel bewezen wordt doordat men Levefanum tegenwoordig te Rijswijk plaatst, aan de overzijde van de (Oude) Rijn.

  24. Uit de natuurlijke ontwikkeling van een rivierkleilandschap, de bedijking en de aanleg van weteringen door de mens in de late middeleeuwen en de historische, voornamelijk agrarische ontwikkeling volgt tevens dat we Kesteren in de Romeinse tijd los moeten zien van het beeld van rivieren en dijken zoals die er nu zijn, maar dat we dit meer moeten bezien in relatie tot oudere rivierbeddingen met hun oeverwallen. In hoeverre de tegenwoordige Oude Rijn langs Kesteren - Lienden als de (open) Romeinse Rijn langs Kesteren beschouwd kan worden, moet op grond van bodemkundig en archeologisch onderzoek uitgemaakt worden. (Bron: K.J.Hoeksema)
    Voor de Romeinse tijd uitgaan van de HUIDIGE loop van de rivieren is dus een verkeerd en voorbarig uitgangspunt. Ook de loop van de Waal was in de Romeinse tijd anders dan nu. Zie het volgende citaat.

  25. Het vondstenmateriaal dat men in een dijk vindt - hetgeen uiteraard wel eens voorkomt - kan veel ouder zijn dan de dijk. Wanneer men klei gewonnen heeft op oude bewoningsplaatsen, kunnen met deze klei ook oude vondsten in het dijklichaam gekomen zijn. Vondsten van Romeins vaatwerk bijvoorbeeld, behoeven zeker niet de aanvangsperiode van de dijkbouw in een zo vroeg stadium te plaatsen. Anderszins geven op verschillende plaatsen in dijken gevonden laat-middeleeuwse kogelpotscherven en fragmenten van vroeg Duits steengoed aan, dat de dijken waarin dit materiaal werd gevonden, zeker niet ouder geacht mogen worden dan de 12de/13de eeuw. (Bron: G.D. van der Heide)
    Ofwel: de vondst van een Romeins relikt hoeft niet door een Romein achtergelaten te zijn op die plek!

  26. De Waal stroomde bij Tiel in de Romeinse tijd rechtdoor en de tak naar het zuidwesten bestond toen waarschijnlijk nog niet.(Bron: J.J.Jager)
    J.J.Jager wijst er in zijn artikel op (met een verwijzing naar bevindingen van Dr.W.A. van Es en andere historici), dat Bogaers er ondanks 'een heftige reactie' niet in geslaagd is aan te tonen, dat de hoofdtak van de Waal van Tiel naar het zuidwesten liep. De Waal liep dus in de Romeinse tijd, in tegenstelling van wat Bogaers beweerde, bij Wamel onvertakt rechtdoor en volgde het bed van de Linge. Maar dan wordt de Betuwe wel heel erg klein en dat "zag" Bogaers dus meteen, daar kun je dan onmogelijk het machtige volk van de Bataven plaatsen.

  27. Volgens soortgelijke criteria zijn ook ongeveer 25 castella aan de Nedergermaanse limes aangelegd; sommige zijn bij opgravingen aan het licht gekomen, van andere is slechts de naam bekend of is het bewijs door losse vondsten geleverd. (Bron: De Romeinse Rijksgrens tussen Moezel en Noordzeekust)
    Van castella waarvan slechts de naam bekend is, is deze gebaseerd op foutief begrepen teksten of de verkeerd geïnterpreteerde Peeutingerkaart. Ook losse vondsten leveren geen enkel bewijs op voor het bestaan van een castellum ter plaatse. Als we alleen de opgegraven castella tellen, waarvan dus het bestaan vaststaat, komen we net tot de helft.

  28. Dat de plaats waar nu het dorpje Driel ligt, belangrijk is geweest in de Romeinse tijd, getuigen de vele vondsten uit die periode. Uit het feit dat er in EIst twee Gallo-Romeinse tempels zijn geweest, zouden we kunnen opmaken dat niet alleen de soldaten, maar ook de burgers in Elst een belangrijke cultusplaats hadden. Het is opmerkelijk dat er toen al contact was tussen de bewoners van Driel en de Romeinen. Immers, 50 n. Chr. is de beginperiode van het Romeinse rijk. Dit contact is waarschijnlijk toe te schrijven aan de goede strategische ligging van de nederzetting langs de Rijn.(Bron: H.A.Gerritsen)
    Dat gebruiksvoorwerpen, gemaakt in ongeveer 50 n.Chr. in bijv. het jaar 100 nog in gebruik kunnen zijn geweest, wordt te vaak als mogelijkheid buitenbeschouwing gelaten. Vreemd blijft ook dat als Driel en Elst zo belangrijk zijn geweest, dan niet op de Peutingerkaart staan. De Romeinse vondsten zijn niet te ontkennen, de toepassing van de Peutingerkaart op Nederland wel.

  29. De uitbreiding van de weg op de linker Rijnoever tot via militaris en later limes, is naar alle waarschijnlijkheid al begonnen onder Marcus Agrippa, die in 20-19 v. Chr. voor de tweede keer stadhouder van Gallië was. De eerste mijlpalen dateren echter pas uit de tijd van keizer Claudius (41-54 n.Chr.) toen het gedeelte tussen Confluentes (Koblenz) en Batavodutum (Nijmegen) waarschijnlijk voor het eerst een verhard wegdek kreeg. Onlangs heeft men in Valkenburg ZH (Marktveld) met dendro-chronologisch onderzoek een bijna exacte bouwdatum vastgesteld: de aanleg van de daar gevonden weg kan in het voorjaar van het jaar 40 gedateerd worden. (Bron: De Romeinse Rijksgrens tussen Moezel en Noordzeekust)
    De Romeinse tijd in Nederland laten beginnen in 12 v. Chr. is dus een aanname die niet gebaseerd is op archeologische onderzoeksresultaten. En zoals nu nog steeds het geval is, werden eerst wegen aangelegd, voordat men Castella kon gaan bouwen. De mijlpalen geven een betere datering dan de "waarschijnlijkheid" van historici. De Romeinse occupatie in Nederlandse kan dus niet vóór het jaar 40 n. Chr. gedateerd worden. Daarmee verdwijnt na Julius Caesar, ook de Drususgracht (12 v.Chr.) definitief uit Nederland!

  30. OP ZOEK NAAR VERDWENEN SLAGVELDEN,
    "Tegenwoordig telt men ongeveer dertig slagvelden van Varus, elk ervan is voortreffelijk onderzocht en bewezen! De meeste ervan liggen tussen Eems en Weser".
    "Ook de veldslagen van Germanicus hebben de wetenschap een hele reeks harde noten te kraken gegeven".
    "Ook de zoektocht naar het slagveld van Idistaviso en de muur van Angrivariërs is tot heden niet afgesloten".
    "Nog erger staat het er voor met het Aliso-probleem. Drusus liet een vesting bouwen bij de samenvloeiing van de Lupias en de Elison. voor de Lupias komt alleen de Lippe in aanmerking. Maar naar de Elison heeft men vergeefs gezocht.
    Over de vermoedelijke locatie lezen we: "Er is niets bewezen, misschien is er zelfs niets bewijsbaar, maar toch wel 'waarschijnlijk', 'heel waarschijnlijk', enzovoorts, maar dat betekent op geen stukken na bewezen!" (Bron: R.Pörtner)
    De talrijke gissingen van de plaats van de verschillende slagvelden komen voort uit het misverstaan van de klassieke schrijvers, zoals Tacitus. In de traditionele veronderstellingen zijn de "gevolgde routes" onlogisch (zie als voorbeeld de tocht van Germanicus zoals de traditie zich die voorstelt), de plaats van de slagvelden in Noord-Nederland en ver in Duitsland zijn in de jaren voordat er één Romein in die gebieden is geweest niet mogelijk, maar ook archeologisch ontbreken de noodzakelijke gegevens. Vergelijk de veldtocht van Drusus naar Noord-Duitsland in 12 vóór Chr., terwijl er nog geen Romein in midden Duitsland geweest was. Trier b.v. is als een nieuwe plaats pas gesticht in 3 v.Chr. (Pörtner, o.c., blz.215)
  31. In de Kalkrieser-Niewedder Senke heeft blijkbaar een gevecht plaats gevonden, waarbij Romeinse troepen zware verliezen hebben geleden. Op goede gronden beschouwen veel onderzoekers de Kalkreise als de plaats van de Varusslag. Toch passen veel klassieke gegevens over deze slag uit het jaar 9 n.Chr. niet bij de vondsten in Kalkreise, zodat het ter discussie staat of hier niet de gevolgen van een gebeurtenis uit de zomer van 15 n.Chr. zijn te vinden, toen Aulus Caecina met vier legioenen op de terugtocht van de Weser bij de "Pontes Longi" in de hinderlaag van Arminius liep. (Bron: A.Thiel)
    Op de plaats die men voor de Varusslag in gedachte heeft, wordt deze slag uit archeologisch onderzoek niet bevestigd. Er kan net zo goed een andere slag hebben plaats gevonden, bijv. die van Arminius tegen Caecina uit 15 n.Chr. Of een slag die niet vermeld wordt in de ons bekende Romeinse literatuur. Immers de Varusslag vond in Noord-west Frankrijk plaats, want daar lag de Wisurgis. De Wisurgis was de Wimereux.

  32. Archeologische sporen van een Romeinse aanwezigheid ontbreken in de daarop volgende jaren tot nog toe. (Bron: A.Thiel)
    Archeoloog Andreas Thiel stelt op blz. 17 dan ook de terechte vraag "Germanien ohne Germanen?" De "daarop volgende jaren" zijn de jaren onder Tiberius (14-37 n.Chr). Er wordt over de veldtocht van Germanicus tegen de Marsen gesproken, over de strijd tegen de Brukteren tussen Eems en Lippe en de strijd tegen de Cherusken. Dit bleef verder zonder gevolgen. Er is niets van teruggevonden in Duitsland. In de volgende tweehonderd jaar, schrijft Thiel, is geen enkele Germaanse inval in Gallië bekend.

  33. Later kanaliseerde Drusus de Vecht met de Drususgracht en hij zou niet minder dan vijftig forten langs de Rijn hebben gebouwd. Bij ons is daarvan helaas niets teruggevonden. (Bron: R.Pörtner)
    Hieruit blijkt onomstotelijk dat die forten nooit in Nederland zijn gebouwd en tevens dat de Drususgracht er niet gelegen heeft. Andere historici localiseren de Drususgracht overigens op een andere plaats, ofwel men weet niet waar deze gracht gelegen heeft. De locatie van de Drususgracht tussen Rijn en IJssel zou, wat de Rijnvloot betreft, weinig nut gehad hebben. Immers de IJssel stroomde uit een afgesloten binnenmeer, zonder open verbinding naar zee! Zie het kaartje hiernaast van Romeins Nederland.

  34. Vreemd dat op de vermaarde Peutingerkaart Elst niet voorkomt, zal men zeggen. Het was toch zulk een belangrijk Romeins middelpunt. (Bron: A.P. de Kleuver)
    Daarom beschouwen sommige historici de tempels van Elst ook liever als een inheems Germaans of "Bataafs" heiligdom, gebouwd naar Romeins voorbeeld en met Romeinse hulp. Immers de Germanen zouden niet in staat geweest zijn de benodigde constructies te realiseren. Niet Romeinse vestigingen hoeven dan ook niet op een Romeinse wegenkaart te staan. Het ontbreken van Elst, Utrecht, Maastricht, Aken en Tongeren op de Peutingerkaart toont eens te meer aan dat die kaart helemaal geen betrekking op Nederland heeft.

  35. De schaarste aan vindplaatsen op de hoge gronden, zowel in het noordoosten, midden als zuiden, komt niet overeen met de aanname dat de hele noordelijke kuststrook tijdens de Romeinse tijd dichtbevolkt was. (Bron: R.O.B.)
    Deze opmerking spreekt voor zich en behoeft geen verder commentaar!

  36. Dit brengt ons tot een enkel woord over de continuïteit van de Romeinse cultuur op Nederlandse bodem. Die continuïteit ontbreekt. (Bron: W.van Es)
    Deze opmerking spreekt voor zich en behoeft eveneens geen verder commentaar!

  37. De grote tempel in Elst is naar het schijnt tegen het midden van de 3de eeuw buiten gebruik geraakt. De vondsten hebben geen antwoord gegeven op de vraag aan welke, ongetwijfeld Germaanse godheid de tempels gewijd waren. Beide bouwwerken mogen beschouwd worden als een centraal en ook nationaal heiligdom van de Bataven, maar als zodanig tevens als een symbool van het uitzonderlijke verbond dat de Romeinen met dit volk hadden gesloten. (Bron: J.E.Bogaers)
    Omdat de vondsten geen enkel bewijs hebben opgeleverd -er is niet eens bekend aan welke godheid de tempel was toegewijd- zijn de conclusies van Bogaers volkomen speculatief. Net zo makkelijk kun je stellen dat het helemaal geen Germaanse tempel was, maar een Romeinse. De bouw bevestigt dit onmiskenbaar. Slechts de plaats van deze tempel roept vragen op die Bogaers niet kan beantwoorden en er dus maar over fantaseert dat het een Bataafse tempel was. Immers bij Bogaers woonden de Bataven in de Betuwe en de Romeinen gaan toch geen tempel bouwen in een hun vijandig gezind gebied? Zou het niet gewoon een Romeinse tempel kunnen zijn van het in Nijmegen gelegerde garnizoen? Aangezien in de Betuwe geen Bataven woonden, viel er van hen ook niets te vrezen.

  38. Continuïteit tussen de heidense (Romeinse) tempel in Elst en de op dezelfde plek in de 8e eeuw gebouwde kerk is archeologisch niet aan te tonen. (Bron: J.E.Bogaers)
    De bedoelde kerk stamt uit de 10e eeuw. Dat Elst het antieke Heliste zou zijn is een gratis bewering van Bogaers, nergens bevestigd met welk bron dan ook. In Elst is geen enkel archeologisch relikt gevonden van tussen de 3e eeuw en de 10e eeuw. van continuïteit is geen sprake moet ook Bogaers erkennen en geeft Delahaye hier ontegenzeggelijk en cruciaal weer gelijk.

  39. Over de aard van de nederzetting die in de Romeinse tijd bij Domburg moet hebben gelegen, is niets bekend. Mede naar aanleiding van de vondst van 2 dakpanstempels mag men vermoeden dat in de nabijheid een basis van de Classis Germanica is geweest ter bescherming van de toegang tot de Schelde of meer in het algemeen tot het mondingsgebied der grote rivieren. In bouwkundig opzicht is van het Domburgse heiligdom zo goed als niets bekend. (Bron: J.E.Bogaers)
    Van twee dakpannen maakt Bogaers een complete vlootbasis! Het is symbolisch hoe de Romeinse aanwezigheid in midden-Nederland wordt "opgekrikt".

  40. De altaren uit de Oosterschelde hebben tal van gegevens verschaft over personen die omstreeks 200 een altaar of een beeld hebben gewijd in het heiligdom van Nehalennia te Colijnsplaat. Het is wel heel duidelijk geworden dat uit de namen van deze dedicanten (en dat geldt ook voor die van Domburg) geen conclusies mogen worden getrokken aangaande de inheemse bewoners van het gebied van de monding der Schelde in de Romeinse tijd. Het ziet er naar uit dat allen die een altaar of een beeld voor de plaatselijke of liever regionale godin Nehalennia hebben opgericht, op een of andere wijze betrokken zijn geweest bij de scheepvaart en de handel in een gebied dat zich uitstrekte van het Rijnland tot Engeland en Frankrijk.
    De altaren uit Colijnsplaat geven ons in menig opzicht meer inlichtingen dan die van Domburg. Dit betreft o.a. de plaatsen of streken van herkomst van tal van dedicanten. We kennen er thans twee van burgers uit Keulen, verder worden dedicanten genoemd afkomstig uit Trier, Besançon, Rouaan, Bordeaux, Lyon en Norfolk (Engeland).(Bron: J.E.Bogaers)
    Opvallend in dit rijtje is dat Bogaers nergens de plaats Municipii Batavodorum vermeld (tekst 17 in het Bronnenboek, wat dus Nijmegen zou zijn). Ook in de rest van dit boek wordt dit altaar niet vermeld. De vraag waarom hij juist dit altaar overslaat is behalve veelzeggend vooral tekenend voor de wijze van selectief omgaan met teksten, wat in de historische geografie van Nederland blijkbaar de gebruikelijke werkwijze is.

  41. Het zal uiters moeilijk, zo niet onmogelijk zijn de aanwezigheid van een nederzetting bij Colijnsplaat aan te tonen, aangezien Gallo-Romeinse tempels gewoonlijk niet in bevolkingscentra lagen, maar in de vrije natuur.(Bron: P.Stuart)
    Er is in Colijnsplaat geen Romeinse nederzetting gevonden, waarmee de traditionele visie herzien moet worden.

  42. De inscripties uit Domburg en Colijnsplaat geven in het algemeen de indruk dat ze betrekking hebben op zeevaarders en de zeevaart. De dedicanten blijken - voor zover hun beroep in de inscripties is vermeld - nautae of negotiatores te zijn geweest, dus schippers of reders, en handelaren. De meesten van hen die een altaar aan Nehalennia hebben gewijd, hadden - zo lijkt het althans - een voorspoedige zeereis achter de rug, van Gallia of Britannia naar de monding van de Schelde of van Germania Inferior naar Gallia of Britannia en terug. De dedicanten hebben meestal aan Nehalennia de gelofte gedaan om een altaar voor haar op te richten; deze gelofte is - zo wordt ons enige malen uitdrukkelijk medegedeeld - ingelost wegens Nehalennia's goede bescherming van de koopwaar.(Bron: J.E.Bogaers)
    Opvallend is dat Bogaers het niet over het altaar met de plaats Municipii Batavodorum vermeld, met welke tekst (tekst 17 in het Bronnenboek) hij in het Bronnenboek van Nijmegen het bewijs meent te kunnen leveren dat Nijmegen het Municipium Batavorum geweest zou zijn.

  43. Officieel bleef de Rijn tot aan de monding toe de grens van het Romeinse rijk, maar de lijst van vestingen, die Julianus versterkte: Bingen, Andernach, Bonn, Neuss, Tricesima bij Xanten,- Qualburg en Castra Herculis (waarschijnlijk Nijmegen), reikt niet zo ver; integendeel, Julianus herstelde ook een drietal vestingen langs de Maas, waarvan men er één in Kuik vermoedt. Het lijkt dus wel, dat de vestinggordel zich vanaf Nijmegen naar het zuiden boog en zo de gehele Rijndelta rechts liet liggen. Ook later onder Valentinianus komt men nièt meer ten westen van Nijmegen, ja het lijkt wel of dit gat van de delta tot in de 7de eeuw blijft bestaan. Ook archeologisch vindt men in dat deltagebied geen Romeinse sporen uit de 4de eeuw, tenzij men de Brittenburg in die tijd wil dateren en daarmee dus een vesting aan de Rijnmond zou willen plaatsen.. (Bron: D.P.Blok)
    Niet de Rijn, maar de Rhenus bleef de grens van het Romeinse Rijk. De afwezigheid van de Romeinse relikten vanaf de 4e eeuw geeft al aan dat de Rijn niet bedoeld wordt in de teksten die hierover spreken. Blok erkent dus dat de traditionele geschiedenis van de Romeinen in ons land niet klopt met de teksten.

  44. Romeins Nederland heeft voor zover we thans weten slechts twee echte steden gehad, en wel municipia. Coloniae, zoals b.v. Xanten (Colonia Ulpia Traiana), zijn uit ons land niet bekend. (Bron: J.E.Bogaers)
    De belangrijkste stad in Romeins Nederland was Nijmegen, dat op grond van een fragment van een reeds in 1857 te Pfünz in Beieren gevonden altaar, Noviomagus wordt genoemd. De naam van een tweede in Romeins Nederland gelegen municipium denkt Bogaers te lezen op een reeds lang bekende, veel omstreden, maar in ieder geval echte Romeinse mijlpaal, die rond 1500 is gevonden bij Monster of Naaldwijk (vindplaats dus onbekend!). De letters A MAC op deze mijlpaal werden door Bogaers gelezen als A Municipium Aelium Canninefatium. Hij heeft deze plaats gelijkgesteld met het van de Peutingerkaart bekende Forum Hadriani. De conclusies die Bogaers trekt werd door Van Buchem "een treffende gedachte" gevonden. Zie het volgende citaat.

  45. Reeds menige poging is gedaan om de vier letters A MAC op een te Monster of Naaldwijk gevonden Romeinse mijlpaal te verklaren. Nu is Bogaers op de treffende gedachte gekomen dat bedoeld kan zijn: A Municipio Aelio Canninefatium. Het door Bogaers veronderstelde municipium Aelium zou het op de Tabula Peutingeriana vermelde Forum Hadriani kunnen zijn. Dan zou er naast Nijmegen, als Bogaers het bij het rechte eind heeft, in de omgeving van Voorburg een municipium Aelium Canninefatium bestaan hebben. (Bron: Van Buchem)
    Deze "treffende gedachte" van Bogaers werd spoedig verheven tot "zekerheid", aangezien geen andere historicus er bezwaren tegenin bracht. Zo komt Nederland, en ook Nijmegen, aan haar geschiedenis: bij elkaar bedacht vanuit een deductie uit een deductie. Onderstreping in de letterlijk aangehaalde tekst mijnerzijds.

  46. De aanleg van het oudste Romeinse kamp te Valkenburg moet in het jaar 40 n.Chr. gedateerd worden, mits we mogen aannemen dat de aanleg van de eerste Romeinse weg op het Marktveld gelijktijdig met de oudste militaire aanwezigheid ter plaatse gecorreleerd kan worden. Een reguliere militaire bezetting moet tot ca. 240 doorgegaan zijn. In deze 200 jaar is het kamp tenminste vijf maal herbouwd. De bezettingseenheden die hier gelegerd waren, omvatten nooit meer dan één hulptroepeenheid van ten hoogste 500 man. In de vroegste castella is er zelfs sprake van een nog kleinere eenheid, niet meer dan een klein aantal legioensoldaten aangevuld met een detachement van een hulptroepencohorte. (Bron: Bloemers)
    Het kamp Valkenburg komt niet overeen met het op de Peutingerkaart afgebeelde Praetorium Agrippinae, wat gezien het gebruikte symbool een groot en belangrijk kamp geweest is. De archeologie bevestigt ook hier weer de visie van Albert Delahaye: Romeins Nederland bestond uit een summiere en slechts militaire Romeinse aanwezigheid, die niet overeenkomt met de beschrijvingen van de "Limes Germanicus".

  47. Een normaal wegenstelsel ontbrak in het uitgestrekte veengebied, zodat men voor transporten en verbindingen naar de buitenwereld aangewezen was op waterwegen.(Bron: J.Trimpe Burger)
    En in het lage veengebied van Holland localiseert historisch Nederland 2 belangrijke wegen van de Peutingerkaart, die men overigens in Nederland nooit gevonden heeft.

  48. Het begin van de bewoning in de Romeinse tijd moet in Cuijk gedateerd worden omstreeks het midden van de 1ste eeuw n.Chr. (Bron: J.E.Bogaers)
    Meer! Ofwel, voordat de Romeinen er waren bestond Cuijk niet!

  49. De vondst van enkele palen in de Maas bij Cuijk leidt tot de volgende ontboezeming!Deze palen kunnen o.a. op grond van het niveauverschil, bezwaarlijk overblijfselen zijn de laat-Romeinse wal. De kans bestaat dat ze behoord hebben tot een constructie van een Romeinse brug, maar het is ook heel goed mogelijk dat ze uit veel later tijd dateren en deel hebben uitgemaakt van een beschoeiing! (Bron)
    Op dergelijke verrassende bedenksels is meer van de Romeinse geschiedenis in ons land gebaseerd!

  50. Voor zover het middengedeelte van het castellumterrein is onderzocht, moest overal (in Cuijk) het ontbreken van laat-Romeins muurwerk geconstateerd worden. (Bron: J.E.Bogaers)
    En ondanks deze constatering wordt vastgehouden aan Romeins Cuijk tot in de 4e eeuw!

  51. Cuyk (volgens de Tabula Peutingeriana: Ceuclum) heeft zeer waarschijnlijk in werkelijkheid Ceudiacum geheten. (Bron: J.E.Bogaers)
    Dus het Cevelum -want dat staat er- op de Peutingerkaart is niet de Nederlandse plaats Cuijk, maar het Noord-Franse Chevilly. Het Romeinse Cuijk droeg immers de naam Ceudiacum.

  52. De enige volledig opgegraven inheemse nederzetting in het mondinggebied van de grote rivieren, die bij Rijswijk (Z-H.), blijkt in ieder geval niet voor het begin van de jaartelling te zijn gesticht. (Bron: ROB.)

  53. Renus en Schelde hebben een naamkundig verband met elkaar. Het Keltische Reno (=vloeien) zal dus oorspronkelijk een lokale Keltische naam geweest zijn van de Schelde. (Bron: M.Gysseling)
    Naamkundig kan met de Renus dus ook de Schelde bedoeld zijn. Doordenken op zijn eigen stelling schijnt er bij Gysseling niet bij te zijn!

  54. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat verscheidene Romeinse forten in het Nederlandse rivierengebied al in de 3e eeuw verlaten zijn. (Bron: H.P.H.Jansen)


  55. Terwijl in zuidelijker streken zoals Frankrijk, Wallonië en Zuid-Limburg de resten van talrijke Romeinse villae zijn gevonden, missen wij deze nagenoeg geheel in het noordelijker deel van het door de Romeinen bezette gebied. De resten van de villa, die bij de Plasmolen zijn gevonden en die van een villa onder Overasselt zijn dan ook te méér merkwaardig. Zelfs als het een landbouwbedrijf zou zijn geweest, dan nog kan men het maar een schamele bedoening noemen. (Bron: H.A.W. Hoogveld)
    In elk geval staat vast dat er van bewoning anders dan van militairen, in Romeins Nederland nauwelijks sprake geweest kan zijn.

  56. De sporen van zoutwinning uit de Romeinse tijd treffen we langs de Noordzeekust alleen aan in België. Uit Noord-Nederland kennen we geen duidelijke sporen van zoutwinning uit de Romeinse periode. De meest bekende zoutwinplaats aan de Noordzee, het Belgische De Panne, spreekt hier voor zich. Het veensteken voor de zoutwinning heeft vooral in de Middeleeuwen duidelijk sporen, zo niet littekens, in de bodem en landschap nagelaten, deze komen vooral in Zeeland en Friesland voor. (Bron: Jaarboek )
    De klassieke auteurs zoals Plinius en Tacitus vermeldden rond het begin van de jaartelling dat in Noord-west Europa plaatselijk zout werd gewonnen door het overgieten van een houtvuur met zout. Ook hier bevestigt de archeologie de visie van Albert Delahaye onmiskenbaar.

  57. Het is geenszins onmogelijk dat ook langs de Nederlandse kust in de Romeinse tijd zout is gewonnen, door verdamping van zeewater, eventueel door middel van het uit de middeleeuwen bekende darrink delven of moernering, waarbij zout veen in brand gestoken en met zeewater werd overgoten. Directe bewijzen zijn daarvoor echter naar het schijnt niet te leveren. Welbekend is een tweetal ere-inscripties uit Ariminum-Rimini, welke betrekking hebben op L. Lepidius Proculus, die zich als centurio van de Legio VI Victrix in Novaesium-Neuss in de tweede helft van de regering van Vespasianus (69-79) van staatswege verdienstelijk heeft gemaakt voor (de produktie?,) de aankoop (en het vervoer?) van zout dat gewonnen werd langs de Belgische en Noordfranse kust in de civitates, de 'departementen' van de Menapii en de Morini. In dit gebied is De Panne (aan de Belgische kust, dicht bij de Franse grens) een belangrijk centrum geweest, waar in de IJzertijd tot zeker in de Romeinse tijd zout is gewonnen.(Bron: J.E.Bogaers)
    Hier geeft Bogaers dus weer een direct bewijs van het gelijk van Albert Delahaye. Teksten van Tacitus en Plinius over zoutwinning hebben dus geen betrekking op Nederland, maar op de kust van Noord-west Frankrijk en Zuidwest België: De Panne, de Morini en de Menapii.

  58. Voor de ontwikkeling van haar beide heiligdommen was het van bijzonder groot belang dat ze gelegen waren op of vlak bij de grens tussen de provincies Gallia Belgica en Germania Inferior, die in het noordwesten wel grotendeels gevormd moet zijn door de Schelde. Het land vlak ten zuiden van de monding van deze rivier heeft zeer waarschijnlijk behoord tot het departement of de civitas van de Menapii en is vermoedelijk bewoond geweest door de Marsaci, wier territorium dan deel heeft uitgemaakt van de civitas der Menapii. Ten noorden van de Scheldemonding heeft zich waarschijnlijk de civitas van de Frisiavones uitgestrekt; op de daar gelegen Zeeuwse en Zuidhollandse eilanden kunnen overigens ook de Sturii gewoond hebben, die ongetwijfeld geen eigen civitas hebben gehad, maar mogelijk behoord hebben tot die van de Frisiavones.(Bron: J.E.Bogaers)
    In deze visie van Bogaers wonen de Frisiavones (Friezen) ten zuiden van de Bataven, maar in elk geval niet in Friesland. Ten aanzien van de loop van de Schelde moet echter niet uitgegaan worden van de huidige loop. Zie de opmerking van J.A.Trimpe Burger die in hetzelfde boek meldt: "Bovendien zijn vele van deze oudere sedimenten vooral gedurende de middeleeuwen (post-Romeinse transgressies) over grote gebieden weggespoeld, zodat een reconstructie van het landschap met zijn vroegere waterlopen hier een hachelijke onderneming is". Overigens klopt het verhaal van Bogaers hier aardig met de visie van Albert Delahaye. Je vraagt je steeds meer af waarom Bogaers zo fel tegen Delahaye ageerde. Hij geeft hem hier weer gewoon gelijk.

  59. Het is merkwaardig dat de Oosterschelde bij Colijnsplaat (nog?) geen vondsten van militaire aard heeft opgeleverd, zoals b.v. dakpannen met stempels van de vloot van Germania Inferior [C(lassis) G(ermanicae) P(iae) F(idelis)], die o.a. aan het licht zijn gekomen op het strand aan de west- en noordkust van Walcheren.(Bron: J.E.Bogaers)
    Waar geen militaire nederzetting was, kan er ook geen gevonden worden. Je vraagt je ook hier weer af waarom Bogaers zo fel tegen Delahaye ageerde. Hij geeft hem gewoon weer gelijk.

  60. Waarschijnlijk behoorde Zeeland - althans het grootste deel daarvan - met Vlaanderen tot de civitas der Menapii. Men neemt in het algemeen aan dat tot in de 3de eeuw de hoofdstad van deze civitas geïdentificeerd moet worden met de Noordfranse plaats Cassel (Castellum Menapiorum). In de laat-Romeinse tijd is Doornik de hoofdstad geworden. Ten zuiden van de Menapii woonden langs de kust de Morini. In de civitas van de Morini was Boulogne (Gesoriacum, later Bononia) als havenplaats en vlootbasis (Classis Britannica!) van de grootste betekenis. Het Zeeuwse en Zuidhollandse eilandengebied wordt - zij het zeer hypothetisch - ook wel toebedacht aan de Marsaci, Sturii of Frisiavones. Historische gegevens met betrekking tot deze streek zijn uiterst schaars en vaag. Hernieuwde studie in de laatste jaren van alle Late-IJzertijd- en Romeinse vondsten uit dit gebied en naaste omgeving (publikatie van de schrijver in voorbereiding) heeft waarschijnlijk enige nieuwe aanknopingspunten opgeleverd, al moeten we er ons terdege van bewust zijn, dat het riskant is, vastgestelde 'cultuurgebieden' zonder meer in verband te brengen met het territorium van een bepaalde bevolkingsgroep.(Bron: J.Trimpe Burger)
    En tussen de Menapii en de Morini woonden de Bataven. Dan moet het toch niet zo moeilijk zijn de Bataven op de juiste woonplaats te localiseren.

De slag tegen de Usipeten en Tencteren.

In zijn boek "De Bello Gallico" beschrijft Julius Caesar de veldtocht tegen de Usipeten en Tencteren toen hij in de jaren 58-55 v.Chr. Gallië veroverde. In Nederland wordt deze slag nog steeds in de buurt van Nijmegen gedacht. (Bron: H.A.W. Hoogveld)

Daartegen zijn de volgende argumenten in te brengen. G Terug naar boven.


2. Over Romeins Nijmegen!

  1. Willem van Berchen, een kanunnik van de St.Stevenskerk in Nijmegen, was de eerste die in 1465 over een vondst uit de Romeinse tijd schreef. Hij schrijft over een grafsteen, waarvan hij het opschrift in verband bracht met Gajus Julius Caesar. Latere historici meenden dat hij zich schromelijk vergiste. Hij was daarin niet de laatste. Steeds weer zien we dat nieuwe opgravingen en vondsten ons dwingen bestaande theorieën te herzien! (Bron: Stad aan de Waal)
    Je vraagt je in verwondering af waarom men zich dan zo vast blijft houden aan die door Willem van Berchen verkeerd vertaalde tekst en waarom men niet de consequenties trekt uit eigen zeer juiste conclusies! Het is dan ook onbegrijpelijk dat men in Nederland, en in Nijmegen, blijft vasthouden aan de traditionele onzekerheden vanaf de Romeinen.

  2. Nijmegen zag het levenslicht in de bloeitijd van het Romeinse Keizerrijk, zonder dat van het moment waarop dat gebeurde, concrete bewijzen zijn overgebleven. De archeologen die zich met deze materie bezighouden, baseren hun bevindingen noodgewongen op een combinatie van enkele vondsten uit opgravingen, summiere schriftelijke bronnen en hun kennis van de Romeinse geschiedenis. Hun conclusies zijn uit de aard der zaak steevast "voorlopig". (Bron: Numaga)
    Beter dan de heer Brabers het verwoordde, kan het niet gezegd worden. In Nijmegen is Romeins gevonden, maar dat was zo summier dat daar geen geschiedenis uit valt af te leiden. Men heeft de gegevens aangevuld met schriftelijke bronnen en de kennis van de Romeinse geschiedenis. En juist bij het toepassen van die schriftelijke Romeinse en Middeleeuwse bronnen op Nederland en Nijmegen zijn een aantal fundamentele fouten gemaakt en zijn verschillende misvattingen ontstaan. Daarbij is de verwarring tussen Nijmegen en Noyon, hoewel eenvoudig te weerleggen, één van de meest hardnekkige gebleken.

  3. Voor zover we weten is de eerste die over een vondst uit Romeins Nijmegen heeft geschreven, Willem van Berchen geweest, eens kanunnik van de Nijmeegse St-Stevenskerk. In zijn Gelderse kroniek "De nobili principatu Gelrie et eius origine'' heeft hij omstreeks 1465 een steen met een Latijnse inscriptie vermeld, die toentertijd was ingemetseld in de z.g. Karolingische kapel op het Valkhof, en die thans bewaard wordt in het Provinciaal Museum G.M. Kam. Het betreft een grafsteen die tussen 96 en ca. 104 is opgericht voor G(aius) Iulius Pudens, veteraan van de Legio X Gemina Pia Fidelis, en voor diens zoon Iulius Iunius.
    In "Noviomagus, op het spoor der Romeinen in Nijmegen" lezen we hierover: "De wijze waarop Willem van Berchen de tekst van de inscriptie heeft aangevuld, gelezen en becommentarieerd, grenst aan het ongelofelijke en is ronduit verbijsterend. ,,Alles is anders" zouden we met H.Brunsting kunnen zeggen."
    (Bron: Museum Kam)
    En ondanks deze zeer terechte constatering dat er niets klopt van de beweringen van Willem van Berchen, worden deze beweringen nog steeds voor volle waarheid gehouden en legt Willem van Berchen met zijn verhaal de kiem van de latere mystificaties in "de algemeen aanvaarde geschiedenis van ons land" en met name die van Nijmegen.

  4. In 55 v. Chr. is Julius Caesar in de omgeving van Nijmegen, maar nòch vondsten, nòch litteratuur geven ons nadere inlichting! (Bron: H. Brunsting)
    Je vraagt je dus in verwondering af hoe men dan aan deze veronderstelling komt! Op grond van de vertaling van een tekst door Willem van Berchen? Zie de vorige opmerking!

    Wat zegt het Bronnenboek van Nijmegen?
    De eerstgenoemde en oudste tekst in het Bronnenboek van Nijmegen dateert uit 50 na Chr. Hoewel deze tekst (over de Civitates Batavorum) allerminst op Nijmegen betrekking heeft, erkent het Bronnenboek hiermee wel dat alles wat daarvoor ligt, niet bij Nijmegen hoort! Het Bronnenboek vermeldt Julius Caesar en zijn beschrijving van het Eiland van de Bataven niet! De tekst van Willem van Berchen zoekt men tevergeefs in het Bronnenboek van Nijmegen, ofwel men erkent hiervan de valsheid en dat het hier niet over Nijmegen of de Betuwe gaat.
    Het Bronnenboek laat de Romeinse periode in Nijmegen dus beginnen in 50 n.Chr. en eindigen in de 3e eeuw. Dit is helemaal juist! De eerstvolgende tekst in het Bronnenboek is uit 770. Derhalve vertoont het Bronnenboek van Nijmegen zowiezo al een gat van 5 eeuwen. Dat gat zal allengs groter worden nu aangetoond is (zie de boeken van Albert Delahaye en hierna hoofdstuk 6) dat Karolingisch Nijmegen nooit bestaan heeft!


  5. "Noviomagus, op het spoor der Romeinen in Nijmegen."
    Het hierna volgende overzicht is samengesteld door vier archeologen die zich intensief bezighouden met de bestudering van het Romeinse verleden van Nijmegen en die een zo goed mogelijke interpretatie hebben willen geven van tal van vondsten. Vaak hebben wij ons tevreden moeten stellen met het uiten van vermoedens en het naar voren brengen van hypothesen; soms zijn wij het niet met elkaar eens. Veel materiaal moet nog diepgaand bestudeerd worden en over tal van problemen is nog een uitvoerige discussie noodzakelijk. Als gevolg daarvan zullen thans neergeschreven opinies in de al of niet naaste toekomst misschien gewijzigd dienen te worden. Bovendien beseffen wij allen terdege dat de in Nijmegen werkzame archeologen op grond van nieuwe, verrassende ontdekkingen reeds herhaaldelijk hebben moeten bekennen: ,,Alles is anders", en dat dit ook in de komende jaren bij voortgezet bodemonderzoek nog wel eens het geval zal kunnen zijn. (Bron: Museum Kam)
    Het 'hierna volgende overzicht' is de inhoud van het boek "Noviomagus, op het spoor der Romeinen in Nijmegen". Onderstreping door redactie toegevoegd!
    De twijfel die hierboven wordt uitgesproken ontstaat omdat de traditionele geschiedenis zoals men die altijd voor Nijmegen gedacht had, niet past bij de archeologische vondsten en een kritisch lezen van de authentieke bronnen. Albert Delahaye heeft altijd al getwijfeld aan die traditionele Romeinse geschiedenis in ons land, niet dat er Romeinen zijn geweest, maar aan de toekenning van plaatsnamen en gebeurtenissen aan de vindplaatsen van Romeins in Nederland.


  6. Aanwijzingen voor de aanwezigheid van een Romeins garnizoen te Nijmegen in ongeveer het midden van de 1e eeuw n.Chr. zijn er niet! (Bron: W.van Es)

  7. Gezien de schaarsheid aan vondsten uit de Augusteïsche tijd op het gehele terrein (van de Nijmeegse castra) is het echter ondenkbaar, dat toen een geheel legioen zelfs maar voor korte tijd hier heeft gebivakkeerd! (Bron: H.Brunsting)
    De tijd van Augustus was van 27 v.Chr. tot 14 n.Chr. De enkele vondsten uit die periode betreffen door de eerste Romeinse soldaten meegenomen kleinoden. Bovendien geven kleinoden niet een juiste datering. Een munt uit de tijd van Augustus, kan ook vele decennia later pas in Nijmegen terecht zijn gekomen. Zie ook de volgende opmerkingen.

  8. Tot nu toe zijn geen gegevens aan het licht gekomen die wijzen op bewoning van het terrein van de legerplaats in de tijd van Tiberius-Nero. (Bron: J.E.Bogaers)
    De tijd van Tiberius-Nero zijn de jaren 14-68 n. Chr.

  9. Oudste resten Romiens Nijmegen opgegraven. Volgens prof.J.Bogaers gaat het om de oudste tot nu toe gevonden resten van Ulpia Noviomagus, de belangrijkste en naar nu blijkt waarschijnlijk oudste stad in ons land uit de Romeinse tijd. Van de nederzetting die tussen 70 en 270 na Chr, heeft bestaan, zijn delen van een monumentale ommureing, een stadsgracht en twee pottenbakkersovens terug gevonden. (Bron: J.E.Bogaers)
    De oudste resten van Nijmegen dateren dus uit 70 na Christus. Op welke grond vierde Nijmegen dan in 2005 haar tweeduizend jarig bestaan? Het "naar nu blijkt" geeft meteen aan dat Nijmegen steeds een geschiedenis heeft gehanteerd die niet op feiten, maar op vermoedens was gebaseerd. In hoeverre zijn deze opgravingsresultaten, naar die vermoedens toe geïnterpreteerd? De aangetroffen scherven e.d. blijken uit het midden van de tweede eeuw te stammen, de munten zelfs uit de 3e eeuw.

  10. Reeds bij het eerste zien ervan (bedoeld zijn de archeologische vondsten ten oosten van de stad Nijmegen) viel terstond op, dat slechts twee ver uiteenliggende perioden erin vertegenwoordigd waren : de vroeg Romeinse, laten we zeggen tot het jaar 100, en dan ineens de laat-Romeinse vanaf ongeveer het midden der 3e eeuw. Van de tussengelegen anderhalve eeuw bleek ze, ook bij nadere bestudering, niets te bevatten. Deze hiaat was zo curieus, dat de te Nijmegen aanwezige verzamelingen er eens op werden nagezien. En het bleek toen, dat op het heuvelplateau overal dezelfde hiaat werd gevonden. De hoogten ten Oosten der stad moeten dus na het vertrek van de Romeinse bezetting lang verlaten hebben gelegen, de Bataven hebben dus minstens een anderhalve eeuw elders gewoond. (Bron: M.P.M. Daniëls)
    Een volgend hiaat in de geschiedenis van Nijmegen tussen 100 en 250 na Chr. Geen Romeinen op het heuverplateau en evenmin Bataven. Waarom schermt Nijmegen toch steeds met een niet bestaande continuïteit?

  11. Van de stad MAC. (Forum Hadriani) is dus wel uitermate weinig bekend. Van Noviomagus, dat ontstaan is na 70 n.Chr. en waarvan de einddatum rond het jaat 270 valt te bepalen, weten we dank zij diverse vondsten wat meer, ofschoon de bouwkundige overblijfselen die van deze stad aan het licht zijn gekomen, heel gering zijn. (Bron: J.E.Bogaers)
    De letters MAC. 'vertaalt' Bogaers met Foro Hadriani. De diverse vondsten en geringe bouwkundige overblijfselen in Nijmegen noemt hij, zonder verder onderzoek, van Noviomagus.

  12. Het tiende legioen dat in 69 en 70 n.Chr. in de Betuwe tegen de Bataven gestreden zou hebben, werd pas na het voorjaar van 71 vanuit Frankrijk (Norroy) naar Nijmegen overgeplaatst. (Bron: J.E.Bogaers)
    Dit feit wordt zelfs bij 4 verschillende Nederlandse historici genoemd: doordenken op de consequentie ervan schijnt er niet bij geweest te zijn. Als het Tiende Legioen bij de opstand van de Bataven in 69 en 70 n.Chr. nog niet in Nijmegen was maar in Frankrijk, dan heeft de strijd zich ook dáár afgespeeld: ergo verbleven de Bataven ook dáár!

  13. Aanvankelijk meende men dat deze nederzetting van de Bataven die door de Romeinse schrijvers vermeld wordt als 'Oppidum Batavorum', geziocht moet worden op het Kops Plateau. Thans neemt men aan dat de daar opgegraven resten verwijzen naar de vroegste Romeinse aanwezigheid in de omgeving van Nijmegen, al is niet precies duidelijk hoe lang zij bestaan heeft en waarvoor zij gediend heeft. Men denkt aan een Romeinse villa. (Bron: Stad aan de Waal)
    Een castellum, een nederzetting van Bataven of één enkele Romeinse villa? Als archeologen en historici daar geen verschil in onderkennen, moeten ze eens ophouden met hun zogenaamde "zekerheden".

  14. In het opnieuw opgebouwde kamp van Nijmegen, lag vanaf ongeveer 71 de Legio X Gemina. (Bron: De Romeinse Rijksgrens tussen Moezel en Noordzeekust)
    Zie de opmerking hierboven. Ook Bechert en Willems onderschrijven hiermee de visie van Albert Delahaye dat de Opstand van de Bataven zich NIET in de Betuwe heeft afgespeeld.

  15. De laatste Romeinse soldaten vertrokken in het jaar 406. Dan zwijgt de geschiedenis over Ulpia Noviomagus en er moeten eerst vier eeuwen verlopen, eer we de naam Noviomagum weer ontmoeten in de tijd van Karel de Grote. (Bron: Kroniek van Nijmegen)
    In "De Kroniek van Nijmegen" wordt dus openlijk erkend dat de "continuïteit" van Nijmegen nooit bestaan heeft, maar een gat vertoont van 4 eeuwen. Ook het Bronnenboek Nijmegen erkent dat er een gat is, zelfs een van ruim 5 eeuwen. Hoezo Nijmegen 2000 jaar stad? Bovendien is dat gat nog groter geworden tot zelfs ruim 7 eeuwen, nu door Albert Delahaye is aangetoond dat de Karolingische traditie van Nijmegen vals is.

  16. We kunnen er niet voor instaan dat alle Nijmeegse fibulae (sierspelden) werkelijk in Nijmegen gevonden zijn! Er is wel eens, meer dan eens, een exemplaar van elders in alle argeloosheid of om lucratieve redenen als van Nijmegen afkomstig aan beheerders der collecties aangeboden. Slechts weinige exemplaren hebben een nadere vindplaats, ook niet altijd even zeker, en stellig geen opzienbarende. Van geen enkele Nijmeegs exemplaar zijn vondstomstandigheden bekend die onze chronologie hebben kunnen ondersteunen of bevorderen: in dit opzicht hebben zij niets te bieden en hebben wij slechts van elders ontvangen! (Bron: H.J.H. van Buchem)
    En mede op grond van deze, van elders geïmporteerde museumkleinoden, baseert men in Nijmegen een groot deel van zijn zekerheden met betrekking tot de Romeinse geschiedenis van de stad. Nijmegen heeft meer geïmporteerde geschiedenis.

  17. Dr. W. C. Braat te Leiden herkende indertijd (1939) in een (vermoedelijk) in Nijmegen gevonden portretkop niemand minder dan Gaius Julius Caesar, die in het midden van de laatste eeuw v. C. Frankrijk, België en zuid-Nederland aan het Romeinse rijk toevoegde. De conclusie luidt dat het portret onder de regering van keizer Augustus (27 v.C.-14 n.C.) vervaardigd werd en dat hij, als de vindplaats (Hunerberg) juist is, vermoedelijk gestaan heeft in het sacellum (vaandelheiligdom) van de Nijmeegse vroegste legerplaats, die uit de tijd van Augustus.(Bron: H.J.H. van Buchem)
    Ook deze portretkop is later in Nijmegen terecht gekomen. In elk geval niet in de tijd van Julius Caesar, die immers nooit verder is geweest dan Gallië. Zuid-Nederland hoorde beslist niet bij Gallië, ook al willen enkele historici dat blijven beweren, omdat ze anders met de rest van de teksten over Romeins Nederland niet uitkomen. De aanwezigheid van Romeinen in de periode van keizer Augustus wordt nergens door opgravingen aangetoond of bevestigd. De kop is dus gewoon geïmporteerd en veel later in Nijmegen terecht gekomen. Dat dit juist is blijkt uit het feit dat de oudste antieke stukken te Nijmegen gevonden waarover meer zekerheid te geven is, uit de periode van Tiberius (14-37) en Claudius (41-54) stammen. Pas tegen het midden van de eerste eeuw is er meer zekerheid te geven, dat er werkelijk Romeinen in Nijmegen gelegerd waren. Het jaar 47 n.Chr. kan met meer zekerheid genoemd worden.

  18. In Numaga XIII, 1966, 187-199 heeft J. Ypey een gedegen beschrijving gegeven van de twee gezichtshelmen die door hem met zeer deskundig vernuft gerestaureerd werden. Beide -bezit van de gemeente Nijmegen en het museum Kam - zijn op de tentoonstelling (in Keulen) aanwezig. In de Gids (bij deze tenstoonstelling en opgesteld door Duitse deskundigen) worden zij uitvoerig besproken, waarbij in het bijzonder de datering opvalt. De helm uit de Waal (C 18; ook deze was van ijzer!) werd algemeen (Ypey t.p., p. 199) gedateerd omstreeks 100 n. C., maar in de Gids (dus door Duitse deskundigen) wordt dat de tweede helft van de 3e eeuw.(Bron: H.J.H. van Buchem)
    Toevingen tussen haakjes van de redactie. Liefst een verschil van ruim 150 jaar tussen de Nederlandse en Duitse interpretatie! Hoe zeker zijn de Nederlandse "zekerheden"?

    In dit verband wijzen we op de volgende opmerking: "Onder de talrijke vragen die bij het onderzoek van antiek cultuurgoed voor de onderzoeker opdoemen neemt naast de datering de vraag naar de herkomst der voorwerpen een voorname plaats in: waar zouden zij zijn vervaardigd en hoe kwamen zij b.v. in Nijmegen terecht". (Bron: M. H. P. den Boesterd)
    In Nijmegen, maar ook op andere plaatsen in Nederland, schijnen archeologen met deze terechte constatering wel eens te lichtvaardig omgegaan te zijn. Veel vondsten blijken bij nadere beschouwing helemaal niet uit de tijd te stammen die men er aanvankelijk voor in gedachte had. Te vaak worden vondsten naar de "gewenste periode" toegeschreven. Vondsten waarvan de vondstomstandigheden niet eens bekend zijn, zijn immers ongeschikt om een juiste datering te geven. Desondanks heeft men dat keer op keer toch gedaan! In Nederland liggen de musea er vol mee!
    Niet alleen Romeinse voorwerpen, maar zeker ook die uit de Karolingische tijd en de z.g. relikten van de Noormannen zijn naar de tijd toegeschreven. De schat van Winsum, waar het Fries museum jaren geleden mee pronkte, bleek namelijk zo vals als wat! Ook archeologisch Nijmegen bleek jarenlang bij de neus genomen te zijn door valse relikten. (zie bij Nijmegen: Archeologisch vondsten blijken nep)!


  19. Op de hierboven genoemde tentoonstelling was ook een bronzen beeldje te zien waarover ook de meningen uiteen liepen.
    Dit geldt ook voor het bronzen beeldje dat ik indertijd voorzichtigheidshalve puer pileatus gedoopt heb, jongen met een phrygische muts op zijn hoofd (C 113, taf.67). Ik heb toen voorgesteld er een ten hemel stijgende phrygische Ganymedes in te zien. De knaap Ganymedes werd door Zeus bemind en door diens adelaar naar de Olympos gedragen (zie nr. C24l). Maar, als men de Gids (door Duitse deskundigen samengesteld) mag geloven, is het probleem opgelost: het is een "Statuette eines tanzenden Attis". Ook dr. M. J. Vermaseren heeft er indertijd een dansende Attis hilaris, een vrolijke dansende Attis in gezien.
    (Bron: H.J.H. van Buchem)
    Als men het al niet eens is over de voorstelling van een beeldje, hoe kan men dan tot een verantwoorde datering komen?

  20. De legerplaats Nijmegen is kort na 175 n.Chr. opgegeven. De bewoning van de beide kampdorpen ten westen en oosten van de castra was na ongeveer 120 n.Chr. al grotendeels verdwenen. (Bron: W.van Es en H.Sarfatij)

  21. De tot nu toe in de Nijmeegse castra gedane vondsten maken het niet waarschijnlijk dat deze nog na ca. 175 bewoond is geweest. (Bron: J.E.Bogaers)
    In het aangehaalde artikel blijkt erg duidelijk dat het "waarschijnlijk" voortkomt uit de "oude traditie" en niet uit de archeologische vondsten. Er is immer niets gevonden uit de periode na 175.

  22. Ook de bij de legerplaats behorende grafvelden lopen niet verder door dan tot het midden van de 2e eeuw. Dat alles doet veronderstellen dat het amfitheater wel niet alleen door en voor de militairen gebruikt zal zijn. Toen die grotendeels vertrokken waren is het verder geëxploiteerd ten behoeve van de stadsbevolking. Handig, maar wel ongebruikelijk en eigenlijk nogal armoedig. Dat klopt ook wel, want Nijmegen is als Romeinse stad misschien nooit een groot succes geweest. (Bron: Jubileumboek ROB.)

  23. Ulpia Noviomagus is als stad misschien nooit een groot succes geweest. In ieder geval staat vast dat er na 270 niet veel van overbleef. Continuïteit naar de middeleeuwen is er zeker niet! (Bron: W.van Es en H.Sarfatij)

  24. De naam "Ulpia Noviomagus" is een verzinsel van dr.J.E.Bogaers en slechts gebaseerd op een in Pfünz (Beieren) gevonden gedenksteen. Bogaers verklaart de naam Ulpia bij Noviomagus als afkomstig van de Tribus Ulpia. Dr.Van Buchem bestreed dit bedenksel van Bogaers meteen al, omdat alle 35 Tribus (kiesdistrict) bekend waren. Een tribus Ulpia was daar niet bij. (Bron: Numaga)
    Bogaers komt tot dit bedenksel van de naam Ulpia Noviomagus op grond van het feit dat keizer Traianus Marcus Ulpius heette en zijn naam gegeven zou hebben aan dit Noviomagus (er waren in het Romeinse rijk meedere plaatsen die Noviomagus heetten). En omdat de gedenksteen afkomstig was van een Bataaf en de Bataven woonden nu eenmaal in de Betuwe, moest het bedoelde Noviomagus wel Nijmegen zijn. Immers Nijmegen ligt in de buurt van de Betuwe.

  25. De nederzetting die de Galloromeinse (!) naam Noviomagus van de ten onder gegane Romeinse stad bewaard had, kan niet omvangrijk geweest zijn. (Bron: F.Gorissen)

  26. Aangaande het bestuur van de stad Ulpia Noviomagus-Municipium Batavorum beschikken we over heel weinig gegevens, slechts aangetroffen op altaren die allen buiten Nijmegen zijn gevonden. De naam Municipium Batavorum is alleen bekend van enige inscripties die buiten Nijmegen zijn gevonden.(Bron: Museum Kam)
    In Nijmegen zelf is dus NIETS gevonden dat bevestigt dat het Municipium Batavorum daar gelegen was. De vondsten in Kapel Avezaath en Colijnsplaat bewijzen niets ten gunste van Nijmegen. Net zo min als de naam Noviomagus dat is, aangetroffen op gedenkstenen te Pfünz, Boedapest en Rome en die men altijd voor Nijmegen heeft opgevat! Met dit Noviomagus is natuurlijk gewoon Noyon bedoeld, dat ook in de vele teksten Noviomagus is.

  27. De loop der wegen tussen Xanten en Nijmegen is in de Geschiedkundige Atlas van Nederland, De Romeinse tijd, onjuist voorgesteld.(Bron: F.Gorissen)


  28. De vondsten die in 1971 en 1972 op de noordelijke helling van het Kops Plateau zijn gedaan, hebben geen argumenten opgeleverd om Holwerda's identificatie van de nederzetting op het plateau met Tacitus' Oppidum Batavorum te ondersteunen. (Bron: Museum Kam)
    Dr. J.H.W.Willems (voormalig directeur van de ROB. in Amersfoort) betoogde bij opgravingen op de Kopse Hof in Nijmegen: "We hebben op dit ogenblik (1989) zo'n 9000 m2 van 'Holwerda's Oppidum Batavorum (1)' opgegraven, maar zoals eigenlijk wel te verwachten was: we hebben het niet gevonden. Alles wat we tot toe hebben gevonden wijst erop dat het tussen 12 vóór en 70 n.Chr. op het Kops plateau een komen en gaan van Romeinse legeronderdelen is geweest. En als er hier al Bataven zijn geweest dan hoorden die dààrbij!"

  29. Dr. Holwerda concludeerde uit hetgeen hij gevonden had (op het Kops Plateau), dat dit het Oppidum Batavorum moest zijn, dat door Tacitus genoemd wordt in zijn berichten over de opstand der Bataven. Het is natuurlijk een beetje te grote sprong om uit de resten, die hoogstens vijftien gezinnen achter gelaten hebben, te besluiten dat een grote volksstam, die vele duizenden krijgslieden kon leveren, in zijn geheel geromaniseerd was. Reeds gedurende de opgravingen op het Kopse plateau zijn er van vele kanten bezwaren tegen de zienswijze van dr. Holwerda uitgesproken en in publicaties met argumenten uitvoerig behandeld. Bewijzen waren echter moeilijk aan te voeren tegen deze visie en gevoelsargumenten zijn daarvoor onvoldoende. Er is nergens een aanwijzing te vinden voor de theorie, dat de Bataven hier geplaatst zijn door de Romeinen. De stelling dat de Bataven al geheel geromaniseerd hier gekomen zijn, wordt door de vondsten niet bevestigd. Op het Kopse plateau zijn geen spinsteentjes aangetroffen. Dit zou er op kunnen wijzen dat de inlandse huisvrouw nooit op het Kopse plateau gewoond heeft. De vondsten wijzen veeleer op mannen en wel op militairen: het vele importgoed uit Italië bewijst dat. Hierbij is niets dat op vrouwen en kinderen wijst, veeleer op militairen met hun Romeinse officieren. (Bron: W.H.Kam)
    Er is dus geen enkel bewijs dat er Bataven op het Kops Plateau gewoond zou hebben. Daar gaan de mooie Nijmeegse verhaaltjes over het Oppidum Batavorum! Zie ook de volgende opmerkingen!

  30. Bij de opgravingen in de Betuwe is, zover mij bekend, nergens een nederzetting gevonden waar niet de meeste scherven uit inlands fabrikaat, eventueel nagenoeg geheel uit inlands aardewerk bestonden. De Romeinse scherven, die gevonden werden, waren steeds na 70 te dateren. Een inlandse nederzetting, die nagenoeg geheel uit Romeins aardewerk bestond met een groot aantal Arretijnse stukken, is nergens gevonden. (Bron: W.H.Kam)

  31. "Is het ook niet eigenaardig dat in Nijmegen nergens resten van Bataafse bewoning zijn gevonden waarin de golfrandige scherven voorkomen, zoals die in de Betuwe en in Overasselt gevonden worden? Het is natuurlijk onjuist alle inlands aardewerk Bataafs te noemen. Zo is ons geen Bataafse begraafplaats met urnen bekend. Holwerda en Braat wijzen daar al op. Het is dus onzin om van een zuiver Bataafs graf te spreken, wanneer een urnbijzetting in een Romeinse omgeving wordt aangetroffen. Dit moet een inlands graf heten, dat mogelijk uit de urnenvelden-tijd stamt, uit de ijzertijd of eventueel uit de bronstijd. Ook het inlandse aardewerk dat uit gemengd Romeinse brandgraven komt, is niet Bataafs. Het is nog steeds onbekend hoe de Bataven hun doden ter aarde bestelden, maar zeker niet in urnbijzettingen." (Bron: W.H.Kam)

  32. Na 235 werd het Romeinse Rijk ernstig verzwakt door de strijd tussen een groot aantal legeraanvoerders om de keizerstroon. De bewaking van de grenzen van het Rijk verslapte, waardoor Germaanse stammen konden binnendringen. In deze periode moet ook een einde gekomen zijn aan de bewoning van Ulpia Noviomagus: na 270 schijnt het grafveld niet langer gebruikt te zijn. Althans vondsten van aardewerk en munten van na die tiid ontbreken. Dat Noviomasus werd verlaten zal, behalve met de overlast van vreemde indringers in het gebied, ook te maken hebben gehad met een stijging van het waterpeil. Het is niet onaannemelijk dat zich in deze periode een klimatologische verandering heeft voltrokken, die gepaard is gegaan met een overvloedige regenval en met een verhoging van de grondwaterstand. (Bron: Stad aan de Waal)
    De transgressies worden ook hier niet ontkend. Opmerkelijk blijft dat Nijmegen ontvolkt was, men in Nijmegen toch blijft uitgaan van continuïteit in bewoning. Hoe kan Nijmegen dan als stad 2000 bestaan? Als Nijmegen in 154 n.Chr, een stad wordt (zie Stad aan de Waal blz. 21) en tussen 270 en 400 ontruimd is geweest, bestaat Nijmegen hoogstens, volgend eigen opgave, 1700 jaar! Met het verdwijnen van het Karolingisch paleis en de Merovingische en Karolingische periode komen daar nog vele eeuwen bij.

  33. Noviomagus Batavorum is misschien wel de enige plek in Nederland waar in de 4e eeuw na C. nog enige nakomelingen van Bataven woonden, want hun broeders waren omstreeks het midden van de 3e eeuw door het wassende water uit de Betuwe verdreven en o.a. in Noyon terechtgekomen; deze volksverhuizing heeft nog in onze tijd tot merkwaardige mystificaties geleid. (Bron: H.J.H. van Buchem)
    Uit deze ene zin zijn een aantal zeer opvallende conclusies te trekken!
  34. Tot ongeveer 175 n.C. werd de castra door verschillende legioenen als huisvestingsplaats gebruikt. (Bron: Stad aan de Waal)
    Na het jaar 175 zijn er geen aanwijzingen meer dat het castra in Nijmegen nog gebruikt werd, ofwel het was verlaten! Van een continuïteit in de Romeinse aanwezigheid in Nijmegen is dan ook verre van sprake. Ook de zo gewenste bewoning op het Valkhofterrein is nooit aangetoond. "Van het fort zelf is tot heden (1984) niets teruggevonden", lezen we op blz. 25 in Stad aan de Waal.

  35. Na het vertrek van de Romeinen verdween de stedelijke cultuur in onze streken, tot ongeveer de elfde eeuw. (Bron: Stad aan de Waal, blz.29)
    En dan blijft men in Nijmegen nog doodleuk beweren dat de stad al 2000 jaar zou bestaan. Men mist acht (!!!) eeuwen!

  36. Wat moet men zich voorstellen van Nijmegen na de Romeinse periode. Er is weinig bekend: zowel schriftelijke bronnen als archeologische gegevens zijn schaars. (Bron: Stad aan de Waal, blz.29)
    Deze gegevens zijn niet alleen schaars in Nijmegen, ze ontbreken gewoon. Indien de gegevsn schaars zijn gaan blijkbaar alle akten waarin sprake is van Noviomagus, niet over Nijmegen. Wat tot de 11e eeuw een zeer juiste conclusie is.

G Terug naar boven.


3. Over de bewoningsgeschiedenis en bewoningscontinuïteit van ons land!

  1. Het grote hiaat.
    Tussen 300 en 700 n.Chr. is er een groot hiaat in de bewoningsgeschiedenis. Na een periode van langdurige overstromingen was Zuid-Beveland in het jaar 800 in principe bewoonbaar, maar dat wil nog niet zeggen dat het inderdaad werd bewoond. De ontginning van de (Zeeuwse) eilanden werd omstreeks het jaar 900 ter hand genomen. Om zich te beschermen tegen de gevaren van storm- en springvloeden, bouwden de bewoners zogenaamde vliedbergen, waarop ze zich met hun vee in veiligheid konden brengen.
    In de zesde en zevende eeuw was er sprake van een doorbraak van de zee tussen het latere Walcheren en het Land van Cadzand. De arm die toen ontstond tussen de zee en de Schelde - ten oosten van Hontenisse - werd de Honte genoemd.
    Over de oudste aanleg van dijken is ons uit schriftelijke bron niets bekend. De aanwezigheid van dijken verraadt zich slechts door plaatsnamen die waren samengesteld met het woord 'dijk'. In het jaar 1025 kwam de naam Tubindic voor en in 1046 de naam Isendycke. In die tijd waren de dijken niet meer dan bescheiden kaden, wellicht voldoende om de mensen een gevoel van veiligheid te geven, maar beslist onvoldoende tegen een zware stormvloed.
    De plaatsnamen die verband houden met de bedijkingen zijn op de Bevelanden niet ouder dan de elfde eeuw. Dit geldt bijvoorbeeld voor: Kattendijke, Krabbendijke, Lodijke. Ellewoutsdijk en Wolphaartsdijk. De namen, samengesteld met -kerke zijn later ontstaan en wel ten tijde van de massale parochiestichting in de tweede helft van de twaalfde eeuw en in de eerste helft van de dertiende eeuw.
    (Bron: De Nederlandse Delta, p.35-38)
    We kunnen uit dit boek de duidelijke conclusie trekken dat ons land na het vertrek van de Romeinen in laag en midden Nederland onbewoond was tot in de 10e, zelfs 11e en 12e eeuw. Slechts op grond van foutief geïnterpreteerde (voornamelijk Franse) schriftelijke bronnen, krijgt dit verdronken land een geschiedenis toebedeeld, die duidelijk uit een andere streek stamde. Juist in de periode dat St.Willibrord in Zeeland geweest zou zijn (volgens de traditie), was er sprake van een verhoogde activiteit van de zee, dus een transgressie.

  2. Met het vertrek van de Romeinen valt Holland eigenlijk weer terug in de prehistorie. De invloed van de Romeinse cultuur in de inheemse nederzettingen van het zuiden van Holland was al niet groot. Bij opgravingen in Kethel bij Schiedam vond men een boerderij uit de tweede en derde eeuw n.C. Maar onder de gebruiksvoorwerpen die daar aangetroffen werden, was er slechts één van Romeinse oorsprong. ln het noorden van Holland hebben de bewoners weinig of niets van de Romeinen gemerkt. Men leefde in feite nog in het ijzeren tijdperk. De periode van de derde tot de zevende eeuw is wat archeologische vondsten betreft eveneens een 'stille tijd'. Terwijl in Europa de Volksverhuizing aan de gang was, het trekken van verschillende stammen en volkeren, bleef Holland een dunbevolkt, betrekkelijk geïsoleerd gebied aan de Noordzee. Slechts langs de monding van de grote rivieren en op sommige hoger gelegen gronden bleven nederzettingen bestaan. Een aantal werd in de loop der eeuwen weer verlaten. Het opdringende water en het steeds drassiger worden van de bodem speelden hierbij een grote rol. (Bron: C.Bunnik e.a.)
    En laten we de nergens vastgestelde Grote Volksverhuizing -die volgens de traditie overigens dwars door Nederland liep- even buiten beschouwing, dan bevestigt dit verhaal het gelijk van Delahaye: de Romeinse invloed is in Nederland nergens aantoonbaar en door de transgressies werd ons land onbewoonbaar.

  3. Ingrijpend gewijzigd is het beeld van de bewoning in de eerste helft van de derde eeuw na Chr. Zeer veel woonplaatsen zijn toen verlaten. Wij schrijven deze indrukwekkende verandering in hoofdzaak toe aan een omkeer in de hydrologische omstandigheden. Het water dat de mensen in het westen van ons land in die tijd op grote schaal heeft verjaagd, moet ook hier debet worden gesteld aan de breuk in de bewoning. Het is vooralsnog niet mogelijk te bepalen hoe tang deze natte periode, die in de eerste helft van de derde eeuw begint, heeft aangehouden. Dat zij er is gewees! staat onomstotelijk vast, aangezien zij over grote oppervlakten het Romeinse maaiveld heeft afgedekt.
    Het einde van deze Romeinse sedimentatieperiode valt misschien nog wel voor 400 na Chr.. De Romeinse bemoeiingen met het rivierkleigebied in de 4de eeuw zijn echter van zuiver militaire en strategische aard. De 'koloniserende' invloed uit de 2de eeuw keert niet weer. We hebben daarom slechts de beschikking over een zeer klein aantal gegevens uit de 4de eeuw. Zij zijn niet van dien aard, dat er veel met zekerheid over de bewoonbaarheid van het rivierengebied valt te zeggen. Toch nemen wij wel aan, dat deze gunstiger was dan in de eerste helft van de derde eeuw.
    De bewoning in de Merovingische tijd is een voortzetting van de in de Romeinsc tijd gevestigde tradities. Tal van streken, die kort na 200 zijn verlaten, blijven onbewoond; slechts in zeer enkele gevallen worden zij weer in cultuur gebracht. Een nieuwe impuls heeft de occupatie van de rivierkleigronden ontvangen in de Karolingische tijd (8e en 9e eeuw).-Het aantal nederzettingen neemt dan weer sterk toe. Men kriig de indruk, dat deze hernieuwde, Karolingische occupatie onder drang van buitenaf volgens een bepaald systeem is geschied. Het staat in ieder geval vast, dat in de 9e, 10e en 11e eeuw de omstandigheden gunstig zijn geweest voor wonen op de rivierklei. Het stramien van het tegen woordige nederzettingsbeeld dateert uit deze tijd.
    Ingrijpende wijzigingen hebben in de laatste driehonderd jaar van de middeleeuwen plaats gevonden door de bedijkingen. Ook hierin oeten wij weer een periode zien, waarin toenemende wateroverlast de mens tot bijzondere maatregelen heeft gedwongen. Vertrek naar elders kon geen oplossing meer brengen voor de reeds vrij aanzienlijke bewoning. Men heeft toen de strijd met het water eengebonden. De zeer sterke ophogingen van de woonplaatsen dateren uit de 14e en 15e eeuw.
    Samenvattende kan gezegd worden dat wij in het rivierkleigebied op het ogenblik drie natte perioden kunnen onderscheiden, die telkens door droge tijdvakken worden afgewisseld. Het is opmerkelijk dat deze ontwikkeling volkomen parallel loopt aan wat wij uit westelijk Nederland kennen. Daar spreekt men van transgressies en regressies. Het komt ons voor, dat deze bewegingen een uiting zijn van een veel algemener verschijnsel, nl. wisselingen in de waterhuishouding ten gevolge van klimaatsveranderingen.
    (Bron: P.J.R. Modderman)
    De bevindingen van Modderman sluiten feilloos aan bij de opvattingen van Delahaye. Het moet nu toch voor iedereeen duidelijk zijn dat er tussen de 3e en 9e eeuw nauwelijks of geen bewoning geweest is in het rivierengebied en in west Nederland. De vraag waar zich dan vele historische gebeurtenissen hebben voorgedaan, kan nu beantwoord worden: niet in de streken die men er in de traditie voor aangenomen heeft.

  4. Als er geen dijken waren, zou Friesland niet bestaan. (Bron: K.A. v.d.Hoek e.a.)
    De bouw van dijken kwam pas op gang in de 11e en 12e eeuw. Friesland ligt lager dan de zeespiegel van de waddenzee. Daarmee ontbreekt de bodem waarop veel historische gebeurtenissen zich in de 7e en 8e eeuw zogenaamd zouden hebben voorgedaan, zoals de prediking van St.Willibrord en St.Bonifatius. Deze hebben zich dan ook niet in het Nederlandse Friesland voorgedaan, maar in het Noord-Franse Frisia, het tegenwoordige Frans en Belgisch Vlaanderen.

  5. Wanneer men bedenkt dat het zeeniveau geen constant begrip is, evenmin zelfs in Nededand het landniveau, dan zit men reeds midden in de problematiek van de Nederlandse bewoningsgeschiedenis. (Bron: G.D. van der Heide)
    Er bestaat dus een problematiek in de Nederlandse bewoningsgeschiedenis. Dat probleem ligt in het gegeven dat er zich zogenaamd historische feiten hebben afgespeeld op momenten dat er geen bewoning mogelijk was o.a. door transgressies.

  6. Vóór de dijkbouw overstroomde het water bij iedere vloed uitgestrekte landstreken, waarin mens en dier een betrekkelijke veiligheid op de terpen of op de reeds hoog opgeslibde terreinen genoten.(Bron: G.D. van der Heide)
    Aangezien met de dijkbouw in Nederland pas in de 11e eeuw werd begonnen, mist de traditionele geschiedenis in het grootste deel van Nederland elke grond (letterlijk èn figuurlijk) van haar bestaan.

  7. De terpen zijn niet alle in dezelfde tiid ontstaan en men zou dan ook van verschillende 'generaties' terpen kunnen spreken. De vroegste terpen blijken uit de zesde of zevende eeuw v. Chr. te stammen toen de eerste kolonisten de droogvallende delen van de kleigebieden binnentrokken. Een volgende generatie ontstond aan het begin van onze jaartelling in een periode waarin het land opnieuw werd opengelegd. Hiertoe behoren vermoedelijk ook veel van de welbekende Friese nederzettingen. Een daaropvolgende generatie blijkt pas ontstaan te zijn na de grote Volksverhuizingen. (Bron: M.Todd)
    Het feit dat er blijkbaar terpen nodig waren om te overleven, bevestigen de transgressies op een onmiskenbare wijze. De periode tussen de eerste en tweede generatie terpen valt precies samen met de periode tussen de tweede en derde Duinkerkse transgressie. Ook hier weer een gelijk van de visie van Albert Delahaye.

  8. De klimaatschommelingen worden in het westen van Nededand o.m. duidelijk gedemonstreerd door afwisseling van veenvormingen en klei-afzettingen, door de afwisseling van re- en transgressiefasen, waarmee de veranderingen in de bewoning van het landschap ten nauwste samenhangen.(Bron: G.D. van der Heide)
    En onder die lagen zeeklei vindt men het Romeins terug in laag Nederland. Ofwel na de Romeinen vonden er langdurige overstromingen plaats.

  9. Jacob van Oudenhoven stak in 1654 in zijn "Out Hollandt, nu Zuyt Hollandt" al de draak met "het ontbreken van elke schriftuur", geen enkel geschrift, over de geschiedenis van Holland. Hij concludeerde terecht dat het onjuist moest zijn wat sommigen zeiden, namelijk "dat de eerste Hollanders ongeletterd waren en niet konden schrijven". "Het geeft geen pas", schrijft hij met verontwaardiging, "zo een ongeletterdheid te veronderstellen bij een zo vief volk als de Hollanders, maar de geschriften ontbreken omdat het land niet bewoond was". (Bron: J.v.Oudenhoven)
    Die oude Jacob had het perfect begrepen en het volslagen juist geformuleerd.

  10. Grote delen van de oude landschappen in West-Nederland zijn telkens overdekt met klei of ten prooi gevallen aan de zee. (Bron: L.P.Louwe Kooijmans)
    Veel Romeins in laag Nederland wordt gevonden onder een dik laag overslaggronden, soms wel 6 meter onder het maaiveld. De transgressies na de Romeinse tijd zijn niet langer meer te ontkennen, zoals uit meerdere studies blijkt. De overstroomde gebieden in west- en midden-Nederland waren vele eeuwen totaal onbewoonbaar, wat mag blijken uit het gebrek aan archeologische vondsten. "Dat alles is weggespoeld" is natuurlijk een erg goedkope uitvlucht. Immers ook op andere plaatsen is het "weggespoelde" nooit gevonden.

  11. Vóór de 10e eeuw was in het West-Nederlandse veengebied slechts incidenteel sprake van bewoning op plaatsen die op natuurlijke wijze ontwaterd werden. In de 10e eeuw echter is men in Holland op grote schaal veen gaan ontginnen: het begin van een ontwikkeling die in de 13e eeuw werd voltooid. (Bron: Jaarboek S.N.A.)
    Waar het grote volk der Friezen dan gewoond heeft blijft een vraag. Archeologisch is daarvan niets teruggevonden. Ook hier bevestigt de archeologie de visie van Albert Delahaye onmiskenbaar.

  12. Onze tegenwoordige duinen ontstonden pas in de eigenlijke middeleeuwen. (Bron: J.Romein)
    Uit meerdere studies blijkt dat de duinen pas gevormd zijn vanaf de 10e eeuw. Na die periode werden de overstroomde gebieden ook langzaam bewoonbaar, vooral door menselijk ingrijpen, zoals de ontginningen en het aanleggen van dijken. De nooit beantwoorde vraag blijft: "Waar woonde het omvangrijke volk der Friezen in al die eeuwen?" Archeologisch sporen ervan zijn er evenmin.

  13. Het is zeker dat de Romeinen geen hoge duinen langs de kust hebben gekend en dat deze pas in de 12e eeuw op de huidige plaats kwamen te liggen. Ze waren enkele eeuwen te voren, toen de kust nog verder westelijk lag, ontstaan. (Bron: L.P.Louwe Kooijmans)
    Uit meerdere studies blijkt dat de duinen pas gevormd zijn vanaf de 10e eeuw. Na die periode werden de overstroomde gebieden ook langzaam bewoonbaar, vooral door menselijk ingrijpen, zoals de ontginningen en het aanleggen van dijken. De nooit beantwoorde vraag blijft: "Waar woonde het omvangrijke volk der Friezen in al die eeuwen?" Archeologisch sporen ervan zijn er evenmin.

  14. Zo ontstonden in de eerste twee, drie eeuwen onze jaartelling de karakteristieke woonheuvels (terpen of wierden). waarvan men er bewesten het Flie enige tientallen kent, tussen Flie en Lauwers bijkans 1000 en tussen Lauwers en Eems ongeveer 400.(Bron: H.Halbertsma)
    Ongeveer 100 terpen in Friesland en Groningen werden onderzocht. Helaas is dit in de 19 eeuw dermate primitief en ondeskundig gedaan dat interpretatie van vondsten onbruikbaar werden. "Men beschikte echter nog niet over voldoende kennis om van de onderzoekingen ten volle profijt te trekken. Er trad eerst verbetering in, toen het aantal terpvondsten in korte tijd snel vermeerderde door de afgravingen wegens de vruchtbaarheid der terpaarde. Dit bedrijf nam sinds de veertiger jaren van de 19de eeuw een hoge vlucht doch beroofde de landen tussen Flie en Eems van veel schoons. Bovendien gingen vele vondsten verloren, hetzij omdat men er geen acht op sloeg, hetzij omdat zij in aanmerking kwamen voor de smeltkroes".

  15. Zodoende is het zeer de vraag of de huidige bewoners der Friese kuststreken de lijnrechte afstammelingen zijn der Friezen en Chauken, met wie de Romeinen in aanraking kwamen. Het antropologisch onderzoek van de oudste skeletresten die in de terpen zijn aangetroffen, wijst daarop in genen dele. (Bron: H.Halbertsma)
    Ook hier komt de archeologie niet overeen met de aangenomen geschiedenis, en ook hier krijgt Albert Delahaye weer onmiskenbaar gelijk.

  16. Het is enigszins verbazingwekkend dat het Rijnland en de omliggende gebieden tot op heden betrekkelijk weinig gegevens hebben opgeleverd omtrent aard en samenstelling van de nederzettingen uit de lJzertijd; en dit verwondert ons des te meer omdat juist dit gebied lange tijd het toneel is geweest van intensief archeologisch onderzoek en nauwgezette opgravingen. Dit is voornamelijk toe te schrijven aan de bodemgesteldheid van het Rijndal. In de tijd dat deze rivier nog niet door kunstmatige dijken binnen de perken werd gehouden, heeft de alluviale afzetttng vele nederzettingen van vóór de Middeleeuwen met een zeer dikke laag slib bedekt, zodat onder normale omstandigheden het ontdekken van eventuele nederzettingen door middel van terreinonderzoek of luchtfotografie onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk is. De tot nu toe bekende nederzettingen liggen dan ook vrijwel alle buiten het gebied van alluviale rivierafzettingen. (Bron: M.Todd)
    Met de aanleg van kunstmatige dijken is men begonnen na de 10e eeuw. Over de hele periode daarvoor levert de archeologie dus andere bewijzen op (namelijk geen) dan de traditionele geschiedenis zo graag hanteert.

  17. Dokkum en Stavoren zijn de enige plaatsen in Friesland die genoemd worden als steden vóór 1300. Onderzoek in stadskernen is noodzakelijk. Archeologisch gegevens liggen opgesloten in dikke paketten aardlagen en elders -bijvoorbeeld in geschreven bronnen- niet is overgeleverd.(Bron: ROB. Van Es.)
    Het blijft dan de vraag waar dat grote volk der Friezen, dat het de Romeinen en andere volkeren zo vaak en zo lang lastig heeft gemaakt, dan gewoond heeft. En lezen we hier de eerste twijfel van Van Es over de traditionel opvattingen met betrekking tot de Friezen?

  18. Men weet helaas te weinig over de vroegste dijken. Er is dus geen zekerheid omtrent het tijdstip van aanvang, noch omtrent de wijze waarop men tot dijkaanleg kwam, of over de hulpmiddelen tot het dijken en de methoden van dijkaanleg. Deze lacune in onze kennis moet voor velen een merkwaardig verschiinsel zijn, vooral wanneer men zich realiseert hoe omvangrijk deze grondwerken zijn. Ten aanzien van het totale grondverzet mag men spreken van een wereldwonder. (Bron: G.D. van der Heide)
    In de authentieke Franse bronnen vindt men geen mededelingen over die dijkbouw. Men had voor deze uithoek van west Europa geen belangstelling. Zou het dan ook niet veel aannemelijker zijn dat de overige mededelingen in die Franse kronieken ook niet over Nederland gaan, maar over de eigen Franse streken?

  19. Omstreeks 1100 heerste er in de Middeleeuwen een bloeiperiode. Onder invloed van de kloosterorden (Cisterciënsers, Praemonstratensers) werden grote oppervlakken bos ontgonnen tot cultuurland. De bevolking breidde zich uit, waardoor nog meer ontginningen werden uitgevoerd.
    Maar voor het rivierkleigebied hadden al die ontbossingen en ontginningen weer dezelfde nare gevolgen als in de Romeinse tijd, namelijk het periodiek veel hoger oplopen van de rivierwaterstanden. Nu was evenwel de samenleving beter georganiseerd dan in de Romeinse tijd, zodat men kans zag, gedeelten van de hoge oeverwallen en stroomruggronden, waar zich voornamelijk de bewoning bevond en het bouwland was, te bedijken. Men beschermde zich niet alleen tegen hoge rivierwaterstanden, maar ook tegen hoog binnenwater.
    (Bron: K.J.Hoeksema)
    Zet dit verhaal eens naast het traditionele verhaal van Wijk bij Duurstede (als Dorestad?): er blijft niets over van de Nederlandse traditie. Wijk bij Duurstede (zie opkomst) kende na een Romeinse vestiging een korte bewoning in 9e eeuw en na een nieuwe periode van overstromingen pas weer bewoning in de 13e eeuw. En dat terwijl in de periode van de overstromingen de berichten over Dorestadum gewoon door blijven gaan

  20. Over de ouderdom van kerk en toren van Dodewaard: het oudste deel van het kerkgebouw is volgens Halbertsma ±1050 gesticht. De toren was niet door de Romeinen gebouwd. Dit hebben sommige boekjes en schoolmeesters (ook ondergetekende) wel eens (dus verkeerd) beweerd.(Bron: J.S.M.Tornga)
    Op grond van een in de toren aangebrachte Romeinse gedenksteen met inscriptie meende men dat de toren door de Romeinen was gebouwd. Men heeft nooit bedacht dat die Romeinse gedenksteen ook veel later in de toren zou kunnen zijn aangebracht. Op deze wijze placht men in de middeleeuwen geschiedenis te bedrijven. En op deze denkwijze en manier van interpreteren zijn de vele mythen in Nederland ontstaan die nu schier onmogelijk zijn uit te roeien.

  21. Voordat het bouwen van dijken tot ontwikkeling kwam, bewoonde men alleen die gedeelten die voldoende hoog lagen boven het zeeniveau. Dit waren vooral de zandgronden van Drenthe, het oostelijk deel van de provincie Friesland, Gelderland, Limburg en het westelijke duinlandschap. (Bron: G.D. van der Heide)
    Veel van de traditionele geschiedenis in ons land in het eerste millennium kan dus geschrapt worden, eenvoudig omdat de bodem voor die geschiedenis ontbrak.

  22. Uit de oudste Frieze terpvondsten blijkt dat de terpenbouw hier niet voor het begin van de jaartelling is aangevangen. (Bron: J.Romein)
    "Waar woonde dan het omvangrijke volk der Friezen die al vóór de jaartelling genoemd werd door Romeinse schrijvers?"

  23. Dan volgt een tijd waarvan wij praktisch niets weten: 400 tot 800 na Chr. Geen goed en geen kwaad. Totdat de berichtgeving handschriftelijk wordt. (Bron: A.P. de Kleuver)
    En juist met die handschriftelijke (Franse!) berichten, zijn de grote indiceerfouten gemaakt, die geleid hebben tot het ontstaan van de mythen.

  24. Diepgaand onderzoek van de middeleeuwse bronnen heeft, zeker voor ons land met ontoegankelijke moerasgebieden en beperkt ontginbaar terrein, de voorstelling ondergraven van een oorspronkelijke communale ontginning en grondbezit en een gemeenschappelijk bezit van woeste grond, de mark. (Bron: J.Romein)
    Uit meerdere studies blijkt dus dat de Germaanse stammen geen gezamenlijk grondbezit kenden, de gezamenlijke mark bestond nog niet. Het was gewoon "ieder voor zich". Pas in de late Middeleeuwen (na 1100) als de bevolking sterk is toegenomen wordt een 'gemeenschappelijk' beheer van de gronden (de mark) noodzakelijk. De voorstellingen die 19de en 20ste eeuwse historici erop nahielden, blijken gebaseerd geweest te zijn op verkeerde ideologische beelden.

  25. De beschikbare gegevens van de hand van eigentijdse schrijvers over een tijdperk van eeuwen, zeg maar tot de Karolingische tijd, is alles bijeen geschraapt niet veel meer dan een zeer onvolledige puzzel, waarvan de stukjes door elkaar liggen en de kleur vaak is verbleekt. Heel gewoon dat de deskundigen zoveel twijfelen en elkaar zo vaak tegenspreken. (Bron: A.F.Manning)


  26. Van continuïteit van Nederlandse steden sinds de Romeinse tijd is in Nederland al heel weinig sprake, in Utrecht en Nijmegen is daarvan totaal geen sprake. Maastricht is de enige mogelijke uitzondering. (Bron: W.Jappe Alberts)

  27. Voor zover we het kunnen nagaan, is Maastricht de enige plaats in ons land, waar een zekere continuïteit bestaat van de Romeinse tijd naar de Middeleeuwen (Bron: A.W.Byvanck) Over de continuïteit in bewoning laat Byvanck dus geen misverstand bestaan. In Nijmegen is totaal geen sprake van enige continuïteit!

  28. Overigens was van een werkelijke continuïteit van Nijmegen als stad vanuit de Romeinse tijd tot in de Vroege Middeleeuwen geen sprake. In het rivierengebied nam de bewoning, deels als gevolg van de voortdurende invallen, deels als gevolg van de verhoogde wateroverlast, sterk af. (Bron: R.Borman)
    Je kunt geen historisch boek openslaan of er wordt gesproken over het ontbreken van continuïteit in het bestaan van Nijmegen. Die is er ook zeker niet geweest. Dat Nijmegen 2000 jaar stad zou zijn is dan ook een grote farce.
    Over invallen van Germaanse stammen in ons land is archeologisch nog nooit iets aangetoond. Dat Borman hier zichzelf en de algemene opvattingen tegenspreekt mag duidelijk zijn. De Germaanse stammen zouden ons land zijn binnengevallen in dergelijke aantallen dat de Romeinen ervoor op de vlucht gingen. Deze stammen zouden zich gevestigd hebben in het rivierengebied. Op blz.133 noemt Borman de stammen die zich hier vestigden. Het waren de Kleine Bructeren, Chamaven, Tubanten en Usipeten. En toch nam de bewoning af. Hoe dit verklaart wordt lezen we nergens. Wat dus overblijft is de afname van de bevolking, wegens verhoogde wateroverlast.


  29. De Betuwe is een sprookjesland .... / .... Recent bodemonderzoek wees uit dat heel de Over-Betuwe in de zg. Bataafs-Romeinse tijd een stelsel van vele rivierlopen had. Men wil nog maar steeds dat in de jaren 100 voor onze jaartelling de Batavieren in ons land kwamen wonen. Al wees recent bodemonderzoek uit dat bij Kesteren al 200 jaar voor onze jaartelling lJzertijdmensen hun doden cremeerden. (Bron: A.P. de Kleuver)
    De sprookjes van de Bataven in de Betuwe hebben sterk bijgedragen aan de mythevorming in de Nederlandse geschiedenis.

  30. Continuïteit tussen de heidense (Romeinse) tempel in Elst en de op dezelfde plek in de 8e eeuw gebouwde kerk is archeologisch niet aan te tonen. (Bron: J.E.Bogaers)
    De bedoelde kerk stamt uit de 10e eeuw. Dat Elst het antieke Heliste zou zijn is een gratis bewering van Bogaers, nergens bevestigd met welk bron dan ook. In Elst is geen enkel archeologisch relikt gevonden van tussen de 3e eeuw en de 10e eeuw. van continuïteit is geen sprake moet ook Bogaers erkennen en geeft Delahaye hier ontegenzeggelijk en cruciaal weer gelijk.

  31. De continuïteit in de bewoning van Utrecht en Nijmegen kan niet worden aangetoond. (Bron: H.P.H.Jansen)

  32. Nijmegen was als stad in feite ten onder gegaan aan het einde van de derde eeuw, pas in de dertiende eeuw was er weer een nederzetting van enige omvang. (Bron: G.Lemmens)

  33. Sporen van bewoningscontinuïteit in Nijmegen zijn zeer vaag. Dat Nijmegen als stedelijke organisme in de 4e eeuw bleef voortbestaan is uitgesloten! (Bron: W.van Es)

  34. In ieder geval staat vast dat er van Romeins Nijmegen na 270 niet veel overbleef. Continuïteit naar de middeleeuwen is er zeker niet! (Bron: W.van Es en H.Sarfatij)

  35. Hoewel continuïteit van bewoning (in Nijmegen) ook op andere gronden niet onwaarschijnlijk is, blijft het tot nu toe een moeilijk te bewijzen zaak! (Bron: Museum Kam)
    In Nijmegen blijft men beweren dat er een bewoningscontinuïteit heeft bestaan, ondanks dat het nooit bewezen is. Zo stelt men in Nijmegen dus historische zekerheden vast: zonder het te bewijzen.

  36. Toen in 270 n.Chr. de Franken Nederland overstroomden werd Noviomagus met de grond gelijkgemaakt nadat de stad reeds gedeeltelijk was verwoest toen de Waal weer eens van bedding veranderde. (Bron: R.Pörtner)
    In Nijmegen blijft men beweren dat er een bewoningscontinuïteit heeft bestaan, hoewel er na 270 geen stad meer was.

  37. Ondanks het zwijgen der geschiedenisbronnen menen we te mogen aannemen, dat de bewoning te Nijmegen op bescheiden voet voortduurt, zoals de continuïteit van de naam Noviomagus-Numaga-Nijmegen al zo duidelijk suggereert. (Bron: H.Brunsting)
    Een mooier voorbeeld van een deductie uit een deductie is niet te geven. Het voortbestaan van Nijmegen wordt bewezen met het voortbestaan van de naam Noviomagus-Numaga, waarvan overigens nooit is aangetoond dat het de naam van Nijmegen was. Noviomagus was in de Romeinse en in de Karolingische tijd de naam van Noyon, niet van Nijmegen. En dat is wel bewezen. De oudste vermelding van Nijmegen als Noviomagus dateert uit 1282, toen Nijmegen voor het eerst Noviomagus werd genoemd, naar analogie van in die tijd gebruikelijke latinisatie van eigen- en plaatsnamen.

  38. Er is in Nijmegen sprake van een continuïteitsprobleem. (Bron: F.Gorissen)
    Als Gorissen, de maker van de Stedeatlas van Nijmegen, dus al verklaard dat er een continuïteitsprobleem is, betekent het dat hij geen