| Terug naar de wetenschap | Naar het overzicht in het kort. |
Prof. dr. J.E.Th. Bogaers kwalificeerde de opvattingen van Albert Delahaye ooit als "klinkklare kletspraat" en noemde Albert Delahaye "een heel ernstig ziektegeval". Tot een genuanceerder verweer kwam hij niet.![]() Prof. Bogaers Bogaers noemde de eerste publicaties van Albert Delahaye "schokkend, zeer vreemd en volstrekt onaanvaardbaar". Bogaers: "Delahaye is Vermaning niet. Dat is toen een heel slechte, onfatsoenlijke kwestie geweest. Ik sta achter Vermaning, maar deze Delahaye? Die daast maar door. die gaat z'n gang maar." Dat zich met Delahaye nog een slechtere en nog onfatsoenlijkere kwestie heeft voorgedaan, vermeldt Bogaers wijzelijk niet. Bogaers was namelijk zelf een van de onfatsoenlijkste bestrijders van alles wat Delahaye naar voren bracht. Bogaers begreep maar al te goed dat als Delahaye gelijk heeft, hij als wetenschapper had afgedaan. Vondsten Tjerk Vermaning vals: AD/AC. 14-12-2004. Bogaers heeft het hier dus twee keer fout gehad. Met deze LINK verwijzen we naar enkele "wetenschappelijke" uitspraken van Bogaers. Bogaers, de voorzitter van de Club van Nijmegen meende ook dat er in heel Nederland niemand is die Delahaye ook maar voor een halve cent krediet zou geven. En dat terwijl hij zelf het gelijk van Delahaye regelmatig bevestigt in eigen uitspraken, alleen dat nooit openlijk heeft toegegeven. Zie bij de vele citaten, waaruit steeds het gelijk van Albert Delahaye blijkt. En dan heeft Bogaers de mond vol over de zogenaamde onwetenschappelijkheid van Delahaye. ![]() Ingezonden reactie van een lezer op de opvatting van Bogaers ten aanzien van het verhaal van Delahaye in het Katholiek Nieuwsblad van 14 juni 1985. Volgens dr.P.Leupen heeft Bogaers de boeken van Delahaye wel degelijk gelezen, dus van onwetendheid van de argumentatie van Delahaye kan niet gesproken worden. Misschien was het verstandiger geweest van Bogaers dat hij de boeken van Albert Delahaye eens grondig bestudeerd zou hebben en ook vernomen had hoe andere historici erover dachten. Ik kan de lezer nu slechts verwijzen naar de vele Citaten die alle onverkort het gelijk van Delahaye aantonen en waar (LET OP!) er ook enkele van Bogaers zelf tussen staan. Hoezo "klinkklare kletspraat" en hoezo kreeg Delahaye "geen krediet"? Als een van de samenstellers van het Bronnenboek van Nijmegen, heeft Bogaers zijn "deskundigheid" te grabbel gegooid. Alle fouten in dat Bronnenboek staan ook op zijn conto. Het Bronnenboek kwam er mede, om "voor eens en altijd van de dooddoeners van Delahaye af te zijn". Het heeft niet mogen baten. Het Bronnenboek kan gekwalificeerd worden als broddelwerk en bevestigt op alle fronten het gelijk van Albert Delahaye. Zie bij Bronnenboek Bogaers is met zijn goedkeuring van het Bronnenboek, ook mede verantwoordelijk voor de fouten en blunders in dit boek.
Cuijk heeft volgens de opvatting van Bogaers zeer waarschijnlijk in werkelijkheid Ceudiacum geheten. Hiermee wijkt Bogaers af van de Nederlandse traditie. Cevelum -want dat staat er- op de Peutingerkaart is niet de Nederlandse plaats Cuijk, maar het Noord-Franse Chevilly. Het Romeinse Cuijk droeg volgens Bogaers de naam Ceudiacum. Als je dan toch wat Romeinse namen aan het uitdelen bent, kun je je eigen dorp toch niet overslaan. Zie bij Blok, die ten aanzien van Attingahem hetzelfde doet. Zie verder bij Cuijk De vondst van enkele palen in de Maas bij Cuijk leidt bij Bogaers tot de volgende "wetenschappelijke" opvatting! "Deze palen kunnen o.a. op grond van het niveauverschil, bezwaarlijk overblijfselen zijn van de laat-Romeinse wal. De kans bestaat dat ze behoord hebben tot een constructie van een Romeinse brug, maar het is ook heel goed mogelijk dat ze uit veel later tijd dateren en deel hebben uitgemaakt van een beschoeiing!" (Bron: J.E.Bogaers). Wat voor een wetenschappelijk betoog krijgen we hier voorgeschoteld? |
De Gallo-Romeinse tempel in Elst blijkt op zijn vroegst uit 100 na Chr. te stammen. Hèt uitgangspunt van Bogaers over Romeinse Nederland en de opstand van de Bataven in 69/70 n.Chr., staat daarmee op losse schroeven. Weg met de opvattingen van de 'deskundige bij uitstek', Bogaers, en wat krijgt Delahaye hier gloeiend gelijk! Prof. dr. J.E.Bogaers. Prof.dr.J.E. (Julianus Egidius Alphonsus Theresia, doorgaans gebruikt Bogaers slechts van de eerste 2 namen de beginletter) Bogaers (1926-1996) stond vooral bekend als deskundige op het terrein van de Romeinse archeologie. Als hoogleraar was hij verbonden aan de Universiteit van Nijmegen (Katholieke Universiteit Nijmegen, vakgroep Provinciaal-Romeinse Archeologie). Daarvoor was hij werkzaam bij de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) te Amersfoort. Bogaers heeft talrijke publicaties op zijn naam staan. Zijn opgravingsverslagen getuigen misschien van een zekere deskundigheid, zijn interpretaties zijn meestal foutief, omdat hij uitging van verkeerde veronderstellingen. In zijn opvatting over de Romeinse geschiedenis in ons land hanteerde en verkondigde hij onverkort de traditionele visie. Dat hij daarbij wel eens voor onoverkomelijke bezwaren kwam te staan, zichzelf in publicaties wel eens tegensprak of de traditie toch niet helemaal volgde, werd zoveel mogelijk verzwegen, evenals de zaken die hij oversloeg. Bogaers was een schoolvoorbeeld van een wetenschapper die op zijn titels en gezag eigen inzichten staande probeerde te houden. "Daar hoeft niet aan getwijfeld te worden, omdat het zo is, zoals ik het zeg en het altijd zo geweest is", was een opvatting die feilloos bij Bogaers paste. Andere historici durfden hem niet eens tegen te spreken, totdat................. er in het archief van Nijmegen ene Albert Delahaye kwam werken. De sterke tegenstand tegen de publicaties van Albert Delahaye, maar ook tegen zijn persoon (hoe professioneel ben je dan?) kan alleen verklaard worden uit het oogpunt van een reputatie die op het spel stond. Bogaers stond immers internationaal bekend als een zeer deskundig en alom gewaardeerd wetenschapper, met name op het gebied van de Romeinse archeologie. Nadat hij de visie van Delahaye gelezen had, en dat hij die boeken drommels goed gelezen heeft blijkt wel uit zijn verweer, overzag Bogaers meteen alle consequenties in alle omvang. En juist op het punt waarop hij zijn revenuen had gehaald, bleek er veel mis met zijn interpretaties. En dat er in zijn werk wel eens wat foujes zaten, wist Bogaers ook al vanaf de eerste dag van zijn aanstelling te Nijmegen. Uit de recentie van zijn boek, nota bene in Numaga, het eigen tijdschrift van Nijmegen, lezen we: "J. E. BOGAERS, Civitas en stad van de Bataven en Canninefaten. Berichten van de Rijksdienst van het Oudheidkundig Bodemonderzoek, jaarg. 10-11 (1960-61), blz. 263-317. Deze studie van prof. Bogaers is in wezen zijn rede, die hij heeft uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van buitengewoon hoogleraar in de Romeinse oudheidkunde van de Nederlanden aan de Nijmeegse universiteit op 21 oktober 1961 en werd als zodanig door dr. H. J. H. van Buchem uitvoerig besproken in ons tijdschrift (jrg. VII, blz. 129 v.v.). Wel heeft de auteur, rekening houdend met een aantal opmerkingen van buiten- en binnenlandse vakgenoten, hier en daar de tekst sterk gewijzigd en uitgebreid". (Einde citaat). "Sterk gewijzigd en uitgebreid" betekent niets meer en niets minder dan dat Bogaers enkele onjuistheden verbeterde en dat hij onvolledig was en dat aanvulde. Het woord "sterk" benadrukt zijn onwetenschappelijkheid. Wat voor een wetenschapper ben je dan? Prof.dr.J.E.Bogaers als wetenschapper. Aan de deskundigheid van prof.dr. J.E. Bogaers als deskundig wetenschapper mag ernstig getwijfeld worden. Zijn opvattingen (en hier geven we enkele voorbeelden) over de prehistorische vuistbijlen van Tjerk Vermaning, over de Gallo-Romeinse tempels te Elst, over de mijlpaal van Monster, over Ulpia Noviomagus, over enkele Romeinse opschriften of over de opgravingen te Maurik, zijn allemaal niet zonder kritiek gebleven. De Gallo-Romeinse tempels in Elst. Het stokpaardje van prof.dr.J.E. Bogaers (waarover ook zijn proefschrift handelde) was de Gallo-Romeinse tempel(s) te Elst, zijn "levenswerk". De opvattingen van Bogaers over deze tempels, moeten fundamenteel herzien worden, nu gebleken is dat de oudste tempel niet van vóór 69 n.Chr. dateert, maar volgens recent onderzoek (Bron: H.v.Enckevort) op zijn vroegst uit 100 na Chr. Daarmee verdwijnt het uitgangspunt van Bogaers betoog over Romeins Nederland en komt het hele verhaal rond de opstand van de Bataven in 69/70 n.Chr. op losse schroeven te staan. De bouw van deze tempel komt daarmee in een compleet ander historische context terecht. Niet de Bataafse opstand, maar andere gebeurtenissen vormen de historische achtergrond van deze tempel. De opvattingen van deze 'deskundige bij uitstek", Bogaers, dienen dus herzien te worden en met deze, die van andere historici, die voortbouwden op de opvattingen van Bogaers! Het bewijst tevens dat de wijze van "archeologisch onderzoek" van Bogaers (en hoevelen met hem?) steeds gebaseerd is geweest op vooringenomen standpunten en naar bekende feiten toe is geredeneerd, en dat deze niet steunen op technisch onderzoek. Op hoeveel andere vindplaatsen in Romeins Nederland is dit ook zo gebeurd? Bogaers is niet de enige geweest zijn die op deze wijze archeologisch "onderzoek" gedaan heeft. W.A. van Es heeft hetzelfde principe gehanteerd bij zijn zoektocht naar Dorestad. Wat krijgt Delahaye hier weer eens gloeiend gelijk! En verder in Elst? Volgens de traditie was Elst het in oorkonde genoemde Helisthe-Marithaime, waar St.Willibrord "custos" (bewaarder) van de Salvatorkerk was. En wat zegt Bogaers? "Bij opgravingen zijn geen vondsten gedaan die gedateerd moeten worden tussen de 4e en 7e/8e eeuw!" Bogaers spreekt hier dus, hoewel hij hier de juiste informatie geeft, zelf de traditie tegen. Dat betekent dus dat er geen Salvatorkerk in Elst was ten tijde van St.Willibrord. Elst was dus niet het bedoelde Helisthe-Marithaime. Volgens Delahaye was dit Ouest-Marest in Normandië. Maar als Helisthe-Marithaime uit Nederland verdwijnt, dan is voor de zoveelste keer aangetoond dat ook de interpretaties rondom het Utrecht van St.Willibrord, die van Deventer en Tiel, maar ook die van Wijk bij Duurstede als Dorestad foutief zijn. Hier geeft Bogaers Delahaye dus gewoon gelijk, al heeft hij dat nooit openlijk toegegeven. Wie verkoopt er dan "klinkklare kletspraat", om de geliefde uitdrukking van Bogaers ook eens te gebruiken? Overigens merkt Bogaers op (in zijn boek over de Gallo-Romeinse tempels) dat de overgeleverde tekst op één plaats onduidelijk, geredigeerd of misschien zelfs corrupt (vals) is en in de loop der jaren op verschillende wijzen geïnterpreteerd is. Bogaers is van mening dat met deze kerk slechts de St.Salvatorkerk te Utrecht bedoeld kan zijn en dat er in 726 geen Salvatorkerk te Elst bestond. Hij bestrijdt daarmee o.a. de opvatting van prof.dr.R.R.Post die stelde (in "Eigenkerken en bisschoppelijk gezag in het diocees Utrecht tot de 13e eeuw) dat Willibrord wel degelijk in het bezit was van de Salvatorkerk in Elst. Zoals hierboven aangegeven, merkt Bogaers zelf op, dat de resultaten van de opgravingen in Elst geen aanleiding geven ter staving van de mening van Post. Hoe Delahaye ook hier weer gelijk krijgt. Ook ten aanzien van de meningen van Post krijgt Delahaye gelijk en nog wel van Bogaers, niet meteen zijn grootste medestander! In 896 laat Koning Zwentibold een onvrije vrouw van de kerk van Elste vrij. De determinatie van P.Leupen in het Bronnenboek van Nijmegen als Elst in de Betuwe, werd door Bogaers altijd als onjuist gezien, wat hij aan de hand van opgravingen bewezen meende te hebben. En dan slaat Bogaers een belachelijk figuur door deze opvatting van Leupen in het Bronnenboek te laten passeren en goed te keuren. Immers Bogaers was mede samensteller van Het Bronnenboek (zie met name de Romeinse teksten), waaronder ook zijn handtekening staat. Wat voor een wetenschapper ben je dan? Ook hier krijgt Delahaye weer gelijk! De juiste plaats van het genoemde Elste is Elnes, op 14 km zuid-oost van Tournehem. "Municipium Ulpia Noviomagus Batavorum". Een volgend voorbeeld van de wetenschappelijke deskundigheid van Bogaers is Ulpia Noviomagus. ULPIA NOVIOMAGUS kan het best een "uitvinding van Bogaers" genoemd worden. De naam en het ontstaan van de Romeinse stad Noviomagus zijn uitvoerig en grondig besproken door J.E. Bogaers in zijn inaugurale rede in 1959. Sindsdien is algemeen aanvaard dat de Romeinse nederzetting in Nijmegen-West van Keizer Traianus de naam Ulpia Noviomagus heeft ontvangen tezamen met het marktrecht. Dit zou in 103 of 104 n.Chr. zijn gebeurd ter compensatie van het vertrek van de Legio X Gemina naar het Donaugebied (ach, zielig Nijmegen, moet Trajanus hebben gedacht, ik moet Nijmegen wel enige compensatie geven voor de verloren gegane werkgelegenheid - wie gelooft dit zelf?-). In latere tijd zou Ulpia Noviomagus als Municipium Batavorum stadsrecht hebben gekregen. Het gaat hier dus over een "sterke traditie sinds de Romeinen" van Hugenholtz, die dus pas sinds 1959 bestaat. De opvattingen van Bogaers, waarvoor hij geen enkel bewijs aanlevert -het zijn opvattingen-, zijn allerminst overtuigend geweest, getuige de uitspraken van Van Buchem in Numaga VI mei 1959 p.51: "Wij hopen, dat dr. Bogaers spoedig gelegenheid zal vinden om zijn nieuwe denkbeelden omtrent deze voor de oude geschiedenis van Nijmegen toch waarlijk niet onbelangrijke kwesties duidelijker en uitvoeriger uiteen te zetten." Van Buchem betwijfelt de gegrondheid van Bogaers' scepsis, dat het Romeinse Nijmegen, onder de naam "Municipium Ulpia Noviomagus Batavorum", zijn stadsrechten aan keizer M. Ulpius Traianus (98-117) te danken zou hebben. H.Halbertsma meent (Numaga VIII 1961 p.48): "Dat er ten onrechte een band zou zijn gelegd tussen Noviomagus en keizer M. Ulpius Traianus en dat dat niet door Bogaers is gesuggereerd", Dat had meneer Halbertsma dus niet goed begrepen, want Boagers heeft niet de bedoeling gehad Ulpia van Noviomagus van elkaar te scheiden, aldus Van Buchem. (Kunt U deze redenatie nog volgen?) De "gedachte" van Bogaers bleek meteen een zekerheid te zijn geworden. En wat schrijft J.K. Haalebos (de compaan van Bogaers) in Numaga (XlVII 2000 p.36)? Bogaers heeft voorgesteld dat de naam Batavodurum van de oude hoofdplaats der Bataven in het oosten van Nijmegen is meeverhuisd naar het nieuwe bestuurscentrum in het Waterkwartier. Een dergelijke verschuiving van de plaatsnaam Batavodurum is puur hypothetisch. Als stad (municipium) wordt Nijmegen pas in het begin van de 3de eeuw vermeld onder de naam Municipium Batavorum. Noviomagus betekent Nieuwveld of Nieuwmarkt. Het doet wat vreemd aan dat een dergelijke naam gegeven zou zijn aan een bestaande nederzetting, zelfs als dit samen zou gaan met het verlenen van marktrecht. Zowel de aanwezigheid van de Ala Batavorum als het feit dat deze ruiterafdeling nog Bataven onder haar manschappen telde, mag opmerkelijk worden genoemd en wijkt af van de gangbare opvattingen over de ontwikkeling van de Romeinse hulptroepen. Meestal wordt aangenomen dat de Bataafse hulptroepen na de grote opstand van 69/70 uit de provincie zijn verwijderd en dat er aan het einde van de 1ste eeuw weinig rekening meer met hen werd gehouden. De vraag is dus zeer gerechtvaardigd: "Wie verkoopt er hier nou KLETSPRAAT?" De Bataven zouden in de Nederlandse opvatting dus als dank voor hun opstand tegen de Romeinen een nieuwe stad met marktrecht gekregen hebben. Om het met Obelix te zeggen: "Rare jongens, die Romeinen". Een "dwaas" gebouwtje. Dr.J.Haalebos en dr.J.Bogaers hebben een langdurige "samenwerking" in de archeologie. Bij opgravingen op de Sterreschansweg te Nijmegen, waar Haalebos de leiding van het onderzoek had, werd de fundamenten van een Romeins gebouw gevonden. De afdeling Provinciaal-Romeinse archeologie van de KU weet vooralsnog geen antwood op de vraag wat het precies is geweest. Een onderdeel van een groter complex? Een badhuis? Een woning? Wie het weet mag het zeggen. En dan komt de deskundige bij uitstek aan het woord, prof.dr. Bogaers, die het als "een dwaas gebouwtje" kwalificeert. Hier spreekt dus de wetenschap, een dwaas gebouwtje. Omdat Bogaers niet weet wat het is, is het dus dwaas. Wie is hier "dwaas" (=zonder verstand, gekke dingen zeggend, wat aan iemands verstand doet twijfelen - Van Dale)? Bogaers laat hier (en bij andere opgravingen, bijv. van de Romeinse Muur) weer eens zien helemaal geen deskundig archeoloog te zijn. Hij kwalificeert de vondsten te vaak naar eigen bevindingen. Hier moet eerder aan het verstand van Bogaers dan aan de vondst getwijfeld worden?
De mijlpaal van Monster of Naaldwijk.Rond 1500 is er in Monster of Naaldwijk een (Romeinse) mijlpaal gevonden, waar sindsdien heel wat mee gebeurd ia. Men heeft zich zelfs lange tijd afgevraagd of hij wel echt Romeins was. Van deze Romeinse (?) mijlpaal is 1. de vindplaats onbekend en 2. in de 16e eeuw is deze mijlpaal "bijgewerkt en gerestaureerd". Voor een echte wetenschapper, zoals bijv. A.W. Byvanck, is zo'n bron op slag waardeloos, echter niet voor Bogaers. Byvanck kende de paal wel, maar heeft er geen conclusies aan verbonden. Bogaers heeft in 1959 een poging gedaan de letters M.A.C. te verklaren als Municipium Aelium Canninefatium, de hoofdplaats van de Canninefaten, wat dan de belangrijke Romeinse burgerlijke nederzetting met marktplaats Foro (H)Adriani (Arentsburg/Voorburg) geweest zou zijn. Zowel Byvanck als Van Es weerleggen dit. Ook Bogaers erkent zelf dat van een burgerlijke nederzetting niets gebleken is bij opgravingen in Arenttburg/Voorburg. Zie bij Foro Adriani. Van Buchem noemt de opvatting van Bogaers om de letters M.A.C. te verklaren als Municipium Aelium Canninefatium, "een treffende gedachte" en schrijft verder: "en hier is hij dan gekomen waar hij, geloof ik, ook wel gaarne wezen wilde. Ik krijg zo de indruk dat hij zich door een begrijpelijk enthousiasme over zijn ontdekking van een municipium van keizer Hadrianus bij de Canninefaten heeft laten meeslepen tot de veronderstelling dat dan ook het municipiurn Ulpium bij de Bataven eigenlijk een municipium Aelium geweest moet zijn, een door keizer Hadrianus gestichte stad".(Bron: H.J.H. van Buchem) Het hele bestaan te Voorburg van een Canninefatenstad met een dubbele naam, is gebaseerd op een negentiende eeuwse gissing en een tekst op een mijlpaal die flink "bijgewerkt" is. Het betoog van Bogaers gaat uit van 6 veronderstellingen, die geen van alle ooit bewezen zijn. De veronderstellingen zijn:
Van zoveel onwetenschappelijke onzin sla je toch steil achterover. Er kan slechts één conclusie luiden: niet Delahaye, maar Bogaers zelf verkoopt "klinkklare kletspraat" om zijn geliefde uitdrukking ook hier weer eens te gebruiken. Dr.A.W. Byvanck, die de steen ook vermeldt en kende, had zich in 1935 nog niet aan dergelijke fantasterij durven bezondigen. Dr. W.A. van Es verklaarde in 1980 (De Romeinen in Nederland p.107) de letters MAC als [plaatsnaam?] wellicht Macilo of Matilo, waarschijnlijk Roomburg bij Leiden op 12 (?) mijlen. Gezien de rest van de tekst op deze "mijlpaal" een meer gefundeerd verhaal dan dat van Bogaers. Nog een klein ander detail! Het landgoed Arentsburg in Voorburg waar de mijlpaal naar zou verwijzen ligt niet op 12 Romeinse mijlen (=18 km.) van Monster of Naaldwijk, maar op slechts 7 mijl (=10 km). Stond er op de mijlpaal XII of VII? Ook dat is onzeker! Andere opvallende verschillen van Bogaers met de traditie. De slag van de Usipeten en Tencteren wordt door de Nederlandse historici op grond van de tekst van Caesar"op 80 mijl van de kust, waar de Mosa in de Renus valt" (in de antieke tekst staat dus niet "Maas" en "Rijn"). Deze plek wordt door de verschillende historici op totaal verschillende plaatsen gedacht. Byvanck plaats de oversteek van Caesar over de Renus te Kleef of Emmerik en de veldslag te Goch of Kevelaar; Van Es plaatst de slag te Gorinchem; Hoogveld op eigen argumentatie (we gaan hier niet in op die argumentaties) te Neerbosch bij Nijmegen. Andere historci denken meer aan Rossum (hoe dat dan met de oversteek van Caesar over de Renus zit, wordt niet vermeld). Bogaers plaatst deze slag in Frans Vlaanderen bij Cassel Menapiorum, immers bij de oversteeek over de Renus kwamen zijn in botsing met de Menapii. Bogaers wijkt hier dus geheel af van de traditie, die deze slag immers steeds in Nederland/Duitsland plaatst. Wat was Bogaers hier nu dicht bij de ware kijk op de geschiedenis van ons land in het eerste millennium! En wat geeft Bogaers Delahaye hier gelijk! Hoezo "klinkklare kletspraat" van Delahaye? Castra Herculis. Bogaers was van mening dat Castra Herculis in de omgeving van Druten gezocht moest worden. Daar hebben andere historici steeds andere meningen over gehad. Van Castra Herculis zijn liefst 11 verschillende locaties bekend in Nederland, ofwel men weet gewoon niet waar het gelegen heeft. F.Gorissen, de archivaris uit Kleef en samensteller van het "Stedeboek van Nijmegen", vermeldt over Bogaers: "In tegenstelling met J. E. Th. Bogaers (De Gallo-Romeinse Tempels te Elst in de Overbetuwe 's Gravenhage 1955, diss. Nijmegen) neig ik tot de mening, dat Castra Herculis in de omgeving van Elst gezocht moet worden." Ook hier dus een afwijkende mening van die van Bogaers. Want als Elst Castra Herculis was, dan was het niet Helisthe-Marithaime en dan ging de hele theorie van Bogaers natuurklijk niet meer op. En dat doorzag Bogaers natuurlijk wel. Is dit nu ook "klinkklare kletspraat", maar dan van Gorissen? |
Hiernaast een ingezonden reactie van een lezer op de opvatting van Bogaers ten aanzien van het verhaal van Delahaye in het Katholiek Nieuwsblad van 14 juni 1985.