Terug naar de wetenschap Naar het overzicht in het kort.

Prof. Dr. D.P.Blok.

Attingahem is Nederhorst den Berg volgens Blok, die hierin alleen staat, volgens anderen is het Breukelen.
Bij Delahaye is dat Autingues in Noord-Frankrijk.

Als je zo wat oude namen aan het uitdelen bent kun je je eigen dorp natuurlijk niet overslaan.
De locatie van Blok is een farce, etymologisch volstrekt onaanvaardbaar, bovendien lag Nederhorst den Berg in 713 n.Chr. (wanneer het genoemd wordt), op ca. 2 m beneden NAP, dus op ruim 7 meter onder water! (Duinkerkse Transgressie II).

Andere voorbeelden van volslagen onzinnige locaties van Blok zijn: Amorem wat bij Blok "een onbekende rivier" is en Sclusa wat hij interpreteert als "de Alpenpassen".

Bij Delahaye is dat de Côtes d'Armore (in de teksten is sprake van Armorem, niet van Amorem, wat de kust langs het Kanaal is, die nog steeds zo heet) en Lecluse, eveneens in Noord-Frankrijk. De zeehaven Werethina is bij Blok Werden in west-Duitsland!

Het is niet te verklaren dat zo'n vindingrijk iemand als Blok, die zomaar locaties uit zijn mouw schudt alsof het niets is, er toch niet in slaagt de overige plaatsen te localiseren en dan 99% van de namen maar overslaat, ook alsof het niets is. Het is slechts te verklaren doordat Blok in de verkeerde streek aan het zoeken is.


D.P. Blok tijdens het debat in 1980.


Werden is de verduitste naam van het klooster van Werethina dat in 850 op de vlucht voor de Noormannen in West-Duitsland werd hersticht.
Het klooster Werethina (Vita St.Ludger) lag aan zee, wat in Werden al een onmogelijkheid is. Het werd door de Noormannen geplunderd, wat in Werden nooit heeft plaatsgevonden. Zo ver landinwaarts zijn de Noormannen nooit geweest, zelfs niet in de aangenomen geschiedenis.

De overeenkomsten met de oorkonden van het klooster van St.Bertins in St.Omaars zijn evident, wat ook Blok heeft opgemerkt.

Lees meer over "De Franken in ons land" in het hoofdstuk over dit boek van prof.dr.D.P.Blok.
Ten aanzien van de locatie Dorestadum spreekt Blok zichzelf onmiskenbaar tegen. Zie de voetnoot.

Met deze LINK verwijzen we naar enkele "wetenschappelijke uitspraken" van Blok.

Het proefschrift van Blok.
Blok is gepromoveerd op een proefschrift over de oudste particuliere oorkonden van Werethina, waarvan Delahaye aantoonde dat zijn proefschrift uitging van verkeerde veronderstellingen.
Het is geheel te begrijpen dat Blok fel tegen de opvattingen van Delahaye ageerde. Immers als Delahaye gelijk zou hebben, was zijn hele proefschrift fout en daarmee zijn promotie onterecht. De reacties van Blok getuigen, hoewel emotioneel te begrijpen, van een weinig wetenschappelijke houding. Maar wetenschap is geen emotie, maar discussie, vooral over zaken waarover men het niet eens is met elkaar.

En dat Delahaye gelijk heeft blijkt al uit de eerste de beste tekst over Werdina ofwel Werethina, dat bij de zee lag aan de monden van de Renus (Vita S.Ludgeri, MGS, II, p.412).
Het kan dus nooit Werden zijn geweest, dat noch bij de zee, noch aan de monden van de Renus lag.
Delahaye identificeert Werethina als Fréthun, een plaats die toen bestond en aan de kust van Het Kanaal lag, maar sinds de deportaties van haar inwoners door Karel de Grote en de verwoesting van het klooster door de Noormannen uit de geschiedenis verdwenen is.

Het bloedbad onder 4500 gevangen genomen Saksen die Karel de Grote in 782 liet afslachten, vond plaats in Fréthun (=Werethina). Dat bloedbad was tevens het begin van jarenlange en sythematische deportaties van de Saksen (tegenwoordig heet dat ethnische zuivering), waarmee de historische verplaatsingen begonnen, met een bijna onafzienbare nasleep aan consequenties.






Prof.dr.D.P.Blok is de auteur van "De Franken in Nederland" (1979) en "De oudste particuliere oorkonden van het klooster Werden" (1960). De topografie in beide boeken blijkt volkomen fout te zijn. Vandaar zijn felle tegenstand op de opvattingen van Albert Delahaye. Er moesten boeken en een reputatie gered worden.
Hieronder tonen wij aan dat de boeken van Blok inderdaad fout zijn.

"De Franken in Nederland".
Wie dit boek zorgvuldig leest en goed op zich laat inwerken wat Blok zelf schrijft, merkt de onjuistheid van Bloks betoog vanzelf.
"Het gaat erom de schaarse zekerheden aan elkaar te praten, dat wil zeggen ze te verbinden door uitweidingen die op zijn hoogst waarschijnlijkheden en mogelijkheden geven". Aldus een citaat uit Bloks eigen boek "De Franken, hun optreden in het licht der historie.
Ofwel :
Het hele boek van Blok is dus gebaseerd, op "schaarse zekerheden" die slechts "met uitweidingen aan elkaar gepraat worden tot hoogst waarschijnlijkheden en mogelijkheden".
Die uitweidingen, waarbij Blok diverse historici aanhaalt die slechts eigen hypothetische bevindingen te berde brengen, gaat slechts uit van traditionele standpunten. Overal wordt over twijfel heengepraat en worden zaken die de traditie tegenspreken niet verder genoemd.

Blok schrijft zelf in dit boek (en let goed op!): "Ik wil proberen wat gegevens bij elkaar te zetten, die het ons mogelijk maken, een voorstelling te krijgen van hoe ons land er aan de vooravond van de Noormanneninvallen uitgezien heeft". "Zulke imaginaire schrijverij is een hachelijke onderneming, omdat een groot aantal hiermee samenhangende problemen nog in discussie zijn of nog nauwelijks onderkend werden en vooral ook omdat het noodzakelijk regionale onderzoek nog grotendeels moet beginnen".

Ofwel er heeft niet eens onderzoek plaatsgevonden en Blok heeft zijn boek al klaar. Het is een boek dat gebaseerd is op fantasie, niet op onderzoek. Uit dat onderzoek bleek onder meer dat de Noormannen nooit in Nederland zijn geweest. Uit dat onderzoek bleek ook dat de hele toponomie van Blok foutief is, aangezien hij van de verkeerde uitgangspunten uitging. Uit dat onderzoek bleek ook dat de oorkonden van Lorsch wel degelijk betrouwbaar zijn, iets dat Blok betwijfelde omdat de gegevens niet klopte met zijn opvattingen. Albert Delahaye heeft aangetoond dat de oorkonden van Lorsch wel degelijk betrouwbaar zijn, als men die gegevens maar op de juiste streek toepast. Zie verder bij de oorkonden van Lorsch.

Tijdens het Debat in 1980 liet prof.dr.D.P.Blok zich ontvallen dat hij "zijn tijd zat te verdoen". Boegeroep uit de zaal was het antwoord van de studenten, waarvoor dit debat was georganiseerd. Na afloop zei Blok nog "Ik vond het een best aardige discussie, maar Delahayes beweringen natrekken is tijdverlies, want het levert niets op". En dat is nu precies het probleem, men trekt de beweringen van Delahaye bij voorbaat al niet na, omdat het niets oplevert in de opinie van Blok en andere traditionalistische historici. Natuurlijk levert het niets op voor Nederland, wel voor de ware kijk op de geschiedenis. De vraag blijft op grond waarvan Blok de 47 determinaties van plaatsen in "De Franken in Nederland" voor Nederland houdt en waarom hij de overige 1643 plaatsnamen onbesproken laat? Blijkbaar heeft die allemaal ook niet nagetrokken, immers hij noemt ze verder niet! Zou hij daarvan ook vinden dat het "verdoen van tijd" is?


Blijkbaar heeft prof.dr. D.P.Blok zijn eigen boek "De Franken in Nederland" nooit zelf kritisch gelezen. Ook collega historici schijnen het niet te kennen. In zijn boek spreekt Blok dermate veel twijfel uit over de naamkunde en ontstaansgeschiedenis van Nederland, dat hij regelmatig de visie van Albert Delahaye onderschrijft. In het debat in Amsterdam liet hij dat echter niet merken. Daar zweeg hij ook opvallend over zijn proefschrift over de oudste particuliere oorkonden van Werden. Waarom? Mochten die missers niet bekend worden?

De slotconclusie van Blok is: "Het bovenstaande is - zoals gezegd - nog slechts een begin. Het kan verdiept worden door verder taalkundig onderzoek van de namen zelf en het kan aangevuld worden met een gelijke behandeling van andere namentypen. Wil men uit zo een type inlichtingen winnen omtrent de nederzettingsgeschiedenis, dan moet men de namen van dit type wel steeds zien tegen de achtergrond van het gehele namenveld, waarin ze voorkomen." En juist dat laatste, de namen bekijken tegen de achtergrond van het gehele namenveld waarin de voorkomen, is Blok telkens vergeten. Hij trekt als naamkundige de enige juiste conclusie ten aanzien van onderzoek, maar doet dit in zijn eigen werk vervolgens niet. Uit een overvloed van bijna 1700 plaatsnamen in de klassieke teksten, probeert Blok met 47 plaatsnamen te bewijzen dat de Franken in Nederland woonden. Van de 47 locaties die Blok noemt, liggen er overigens slechts 12 (waarvan enkele zeer dubieus, zie bij "Franken in Nederland") in het veronderstelde woongebied van de Franken ten zuiden van de Rijn en in Gelderland ten oosten van de IJssel. De overige 35 locaties liggen buiten het gebied dat Blok (en de traditionele geschiedenis) voor de Franken in Nederland in gedachte heeft. Enkele locaties liggen zelfs ver in het buitenland tot de Alpenpassen en Spanje! "Pettologie" heeft Albert Delahaye dat eens, zeer terecht, genoemd. Het toppunt van er een beetje met de pet naar gooien, is de identificatie van Attingahem. Deze "pet" kan hij in Nederland helemaal niet thuisbrengen, welke hij vervolgens maar thuis aan zijn eigen kapstok hangt en er maar Nederhorst den Berg (zijn eigen woonplaats) van maakt.
De overige 1643 in de bronnen genoemde plaatsen slaat Blok gemakshalve maar over. Die kan hij zelfs in het buitenland nergens vinden, omdat hij op de verkeerde plaatsen heeft gezocht.


Prof. dr. D. P. Blok (1925), is een mediëvist (historicus, gespecialiseerd in de middeleeuwen). Blok studeerde middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In 1953 studeerde hij cum laude af en in 1960 promoveerde hij, eveneens cum laude, op het proefschrift "De oudste particuliere oorkonden van het klooster Werden".
Blok heeft deze oorkonden voorbeeldig uitgegeven in zijn proefschrift met dezelfde titel. "Voorbeeldig" is niet overdreven, want de weergave van de teksten staat boven elke kritiek. Des te meer is het te betreuren, dat hij zich met de determinaties en lokalisaties van de plaatsnamen uit de oorkonden totaal heeft vergist. Uit een komplex van 206 namen, dat geografisch en institutioneel bij elkaar hoort (zie de opmerking van Blok hierboven), meent Blok er 45 te hebben gevonden in het land van Münster en in Nederland. Uit het totaal vond hij 33 plaatsen in Duitsland en 12 in Nederland, waar Blok plaatsen noemde wier namen door een oppervlakkige klankovereenkomst wat op die van de akten lijken. En dan heeft Blok het bij Delahaye over "het eerste lettertje" zie bij ongelofelijke uitspraken van Blok! Uit het totaal van 206 plaatsen worden er dus 161 overgeslagen als "niet ter zake doende".
Ook heeft Blok enkele boeken geschreven over de Franken in Nederland. Ook deze boeken gaan uit van de verkeerde opvattingen en ook hierin heeft Blok de eerste regel van historische naamkunde gemist, namelijk aan te tonen dat bedoelde plaatsen in Nederland bestonden op het moment dat ze voorkomen in oorkonden. De archeologie spreekt ook hier duidelijke taal in het voordeel van Delahaye. Er is op veel plaatsen waar dat nodig was, nooit iets gevonden uit de Merovingische of Karolingische tijd. Als voorbeeld mag het paleis van Karel de Grote dienen, waar men al vele eeuwen naar op zoek is in Nijmegen. Tot heden is het niet gevonden.


Blok als wetenschapper.
Ook Blok heeft zich als mediëvist en naamkundige beet laten nemen door de fantasieschrijvers uit de Middeleeuwen, een tijd die hij vanuit zijn studie toch zou moeten kennen. Met de historische geografie heeft men vanaf die tijd vele fouten gemaakt. Er zijn voorbeelden te over. In zijn eigen boek erkent Blok ook menigmaal dat hij het eigenlijk ook niet weet. Hij heeft het over "ik geloof van niet" , "meen ik een spoor te herkennen" , "moeilijk te beoordelen" , "weliswaar schijnt het" , "is mogelijk" , "die men op goede gronden aannam" , "een zeer omstreden vraag" of "de (klassieke) schrijver moet zich vergist hebben", om enkele willekeurige voorbeelden te geven. Over welke zekerheden heeft Blok het dan nog in zijn boek "De Franken in Nederland?"

De oorkonden van het klooster Werethina.
Dat zijn proefschrift over de oorkonden van het klooster van Werden (Duitsland), feitelijk over het oude klooster van Werethina (Noord-west Frankrijk) ging, heeft Blok nooit begrepen.
Uit de eerste periode van het bestaan van de abdij Werethina - en dan is duidelijk dat zij in Frankrijk lag! - zijn ca.60 oorkonden bewaard gebleven, die later (12e/13e eeuw) in de Codex van Werden zijn overgeschreven.
Het feit dat de namen van Werethina voor het merendeel Romaans zijn, en de Duitse en Nederlandse per definitie Germaans, was voor Blok geen beletsel, nog minder de noodzaak dat voor de localisatie van die namen in Nederland of Duitsland minstens een redelijke zekerheid aanwezig moet zijn, dat de veronderstelde plaatsen op dat tijdstip en ter plekke bestonden. Als je er niet in slaagt het merendeel van de plaatsnamen terug te vinden, wat zich voordoet bij Blok, moet je toch in de gaten krijgen dat je niet in de juiste streek aan het zoeken bent! Maar 45 zogenaamd opgeloste, tegen 161 onvindbare plaatsen is een onaanvaardbare verhouding, wat een aanfluiting van historische geografie is. Bloks werkwijze was des te bedroevender, omdat hij de juiste streek te pakken heeft gehad, maar het niet doorzag. Immers, in zijn inleiding wijst hij op verschillende faktoren, die moeilijk of onmogelijk in het land van Münster -dus in Werden- passen, onder andere een opvallende verandering in de benaming van de regeringsjaren van de koningen tussen 841 en 845, "wat alleen in het noorden van Frankrijk te verklaren is" (citaat van Blok. Hij merkt dat dus zelf op!). Bovendien merkt Blok terecht op dat woorden als "vicaris", "waterscapum" en andere, op dat tijdstip alleen in dezelfde streek voorkomen. Deze gegevens vond Blok in de oorkonden van St. Bertijns te St. Omaars, waar de nauwe geografische band met Werethina voor het grijpen ligt. Hij had er nog de naam Ruricgo moeten bijvoegen, de gouw van Roerik de Noorman. Dit gegeven valt immers te Werden geheel uit de toon, zelfs als men Roerik in het Nederlandse kustgebied zou plaatsen. Aangezien deze al sinds 834 te Dorestadum - Audruicq zetelde, laten de vermeldingen van zijn gouw niet meer de minste twijfel bestaan waar de goederen van Werethina lagen: in Noord-west Frankrijk. Blok zag het niet, verblindt door de traditie.

Veel plaatsnamen die men in Nederland en West-Duitsland nooit heeft kunnen vinden, heeft Albert Delahaye allemaal teruggevonden in Noordwest-Frankrijk. In zijn proefschrift heeft Blok, hoewel hij de juiste richting op ging, uiteindelijk toch de boot gemist.
Dat Delahaye hem daarop gewezen heeft, is voor Blok altijd een pijnlijke affaire geweest. Blok wist dat Delahaye gelijk had, al heeft hij dat openlijk nooit toegegeven. Hij, de deskundige bij uitstek op het gebied van naamkunde en de Franken in Nederland, werd op niet mis te verstane wijze gewezen op enkele fundamentele missers. En dat nog wel door "een archivarisje" (van Nijmegen), niet eens een afgestudeerde historicus. Dat was dubbel pijnlijk.

De Franken in Nederland.
Het boek "De Franken in Nederland" van Blok (1979) kan van tafel, aangezien Blok is uitgegaan van de verkeerde veronderstellingen, n.l. dat de Friezen in Noord-Nederland woonden en de Franken ten zuiden daarvan. Hoewel Blok in de inleiding al aangeeft dat we van de Frankische invallen "vrijwel niets weten" en deze "geen aanwijsbare sporen in ons land hebben nagelaten", hanteert Blok deze invallen wel als uitgangspunt voor de plaats van de Franken in Nederland. Invallen van waaruit? Vanuit Doornik (B) waar de Franken toen verbleven? Blok geeft in dezelfde inleidig aan dat "de schriftelijke bronnen voor de volgende eeuwen -na de Romeinen- vrijwel geheel ontbreken" en dat "de Frankische geschiedschrijvers van vóór de Karolingische tijd dit gebied echter niet schijnen te kennen". Dan vraagt een onafhankelijk lezer zich toch af op welke gronden Blok dit boek dan geschreven heeft en op welke gronden hij de Franken dan toch in Nederland plaats, in het gebied dat onbekend is bij de schrijvers en bronnen geheel ontbreken.

Op enkele punten in zijn boek zit Blok dicht bij "De Ware Kijk Op" de geschiedenis van ons land. Doordenken op zijn eigen stellingen was er helaas niet bij. De traditie was sterker dan de eigen overtuiging. Het begrip "Cirkelredenering" van Blok spreekt boekdelen en verklaart veel over het "wetenschappelijk niveau" van de Nederlandse historici.

Attingahem.
Als naamkundige heeft Blok afgedaan. Het aloude Attingahem uit de vita van St.Bonifatius (dat Autingues is, op 5 km. n-w van Tournehem in Frankrijk) wordt door hem gezien als Nederhorst den Berg, zijn eigen woonplaats. Blok twijfelt aan zijn eigen detrminatie, aangezien hij er in zijn boek (p.45) zelf al een vraagteken bij zet! Hoe het etymologisch in elkaar zit, wordt nergens toegelicht, dat mag de lezer zelf uitzoeken. Blijkbaar twijfelt Blok ernstig aan zijn eigen locatie (vandaar het vraagteken) en noemt hij elders (p.51) in dit boek het woord misschien bij Attingahem als Nederhorst den Berg. Andere locaties als Adrichem, Breukelen of Loenen negeert Blok, weer zonder verdere toelichting.

Met betrekking tot de plaatsnamen eindigend op -hem of -heem blijkt Blok niet op de hoogte van alle wetenschappelijke literatuur hierover. In een discussie met Albert Delahaye (1980) noemt hij dit als argument ten gunste van Nederland. Hij vergeet, wat Delahaye hem ook heeft voorgehouden, dat er in Noord-west Frankrijk een veelvoud aan plaatsnamen op --hem eindigt. Tournehem mag hier als bekendste voorbeeld dienen.

Is Wijk bij Duurstede de antieke plaats Dorestad? 1.
Volgens Blok is Wijk bij Duurstede niet het oude Dorestad. In De Franken in Nederland, p.37 schrijft hij: "De periode van Dorestad als handelsplaats schijnt archeologische niet grijpbaar te zijn." Ofwel er is niets gevonden dat de traditie bevestigt! "Dat laat zich verklaren", volgens Blok, "daar de oudste kern van Dorestad in de tweede helft van de negende eeuw met kerk en al moet zijn weggespoeld." (Let op dat "moet"!)
Het blijft dus een interessante vraag wat dr.W.A. van Es dan in Wijk bij Duurstede eigenlijk ging opgraven. Had hij even bij Blok nagevraagd dan had deze hem kunnen vertellen, dat hij zich de moeite had kunnen besparen "omdat alles is weggespoeld".

Is Wijk bij Duurstede de antieke plaats Dorestad? 2.
Ten aanzien van de naam Wijk bij Duurstede zocht Blok in de juiste richting. Toch stelde hij ook hier weer de traditie boven eigen bevindingen. In zijn eigen publicatie (met A.C.F.Koch) "De naam Wijk-bij-Duurstede in verband met de ligging der stad. In: Med. van de Ver. van Naamkunde te Leuven" uit 1964, lezen we op blz. 49: "Als we in 1320 Wiic bi Duerstede vinden, wat wordt met dat Duurstede dan aangeduid?
Niet de voormalige, weggespoelde Romeins-Merovingische kern en ook niet de stad zelf, maar enkel en alleen het kasteel, dat in de 13e eeuw ten westen van de stad gebouwd was. Alle middeleeuwse teksten bewijzen, dat men alleen het kasteel Duurstede noemde, doch de stad alleen Wijk heette....".
Dit citaat geeft, waarschijnlijk niet zo bedoeld, een zeer juiste probleemstelling inzake de identificatie van het oude Dorestadum en bewijst het gelijk van Delahaye. Helaas is Blok aan de principiële vraag voorbijgegaan, op welke gronden en met welk recht in het begin van de 14e eeuw de identiteit van Dorestadum te Wijk-bij-Duurstede is aangenomen. Van buitengewoon belang is hun stelling (de teksten wijzen het trouwens onverbiddelijk uit), dat "bij-Duurstede" een 14e eeuwse toevoeging bij de naam Wijk is geweest.
Ook hier zat Blok dichter bij de waarheid dan hij blijkbaar wenselijk vond!
Overigens komt de naam "Duurstede" in de eigen archieven van Wijk bij Duurstede vóór de 14e eeuw niet voor! De plaats heette toen gewoon Wic of Wijc(k). Ook hier krijgt Albert Delahaye weer gelijk, onbedoeld misschien, maar wel veelzeggend!

Eén munt maakt nog geen handelsplaats!
Met een in Escharen (N.Br.) gevonden munt van Niomago, wil Blok van Nijmegen in de 6e eeuw een belangrijk handelscentrum maken (De Franken in Nederland, p. 25). Behalve dat deze munt een eeuw te vroeg is gedateerd, is van muntslag in de Merovingische tijd te Nijmegen nooit iets gebleken. Blok geeft ook zelf al aan hierover twijfel te hebben, daar dit evengoed "de naam van Neumagen kan zijn"(p.25).
"Noyon komt in elke geval niet in aanmerking", meent Blok, "daar Niomago een Germaanstalige vorm van het oorspronkelijke Noviomago is met vertaling van het Keltische Novio- in het Frankische Nio-, dat zou leiden tot het Duitse Neu-(magen) en het Nederlandse Nij-(megen)."
Om met dit hele verhaal weg te komen zet Blok koning Dagobert van Austrasië in Nijmegen neer en geeft hem daar een residentie. Een wonderlijke reconstructie die tot dan toe (1968) door niemand werd gehanteerd. Een nieuwe mythe erbij, immers zet je Karel de Grote in Nijmegen, dan moet zijn voorgeschiedenis hier ook geplaatst worden. Tot zover was Blok wel consequent. Hij vergat echter dat de koning van Austrasië wel een band had met Noyon en niet met Nijmegen. In de vita van St.Amandus komt een passage voor waarin deze naar Aicharius, bisschop van Noyon reist om hem te vragen als de bisschop naar koning Dagobert zou gaan hij hem om aanbevelingsbrieven te vragen. Hieruit blijkt duidelijk dat koning Dagobert in Noyon thuis hoort en niet in Nijmegen.
Ook Blok vindt het zelf een beetje vreemd als hij schrijft dat "we van deze vreedzame expantiepolitiek geen directe getuigenissen hebben". Ofwel, Blok was maar een beetje aan het fantaseren, want niets is zeker.

Frisia Citerior.
Beda of Baeda, bijgenaamd Venerabilis (= de eerbiedwaardige) (Northumbria, 672 of 673 - Jarrow, 25 mei 735: zie afbeelding hiernaast), monnik en geschiedschrijver gebruikt ten aanzien van de Friezen de term "Citeriorem Fresiam". Daarmee bedoelde hij "de Friezen, daar aan de overkant, het dichtst bij ons". Beda schreef namelijk in Engeland.
Bron: Beda, Historia gentis Anglorum, V, 9-11.
Blok gebruikte deze term foutief, om er een tegenstelling met Frisia Superior van te kunnen maken. Hier blijkt dus wederom zijn "deskundigheid" als naamkundige. Frisia Citerior is bij Blok het Friesland tussen de grote rivieren (was dat ooit Friesland? Daar woonden toch de Bataven en Caninefaten?) en in Zeeland (was dat dan ooit Friesland?). Frisia Superior (dat zou dus Friesland in Noord-Nederland zijn) is overigens een onbekende term bij de klassieke schrijvers, die nergens voorkomt en Blok dus zelf bedacht heeft. Zie de voetnoot, waarmee ondubbelzinnig wordt aangetoond waar het oude Frisia lag: namelijk aan het Kanaal in Frans-Vlaanderen.
De term "Citerior" heeft niet de minste bestuurlijke inhoud. Het is een puur geografische term. Had Blok een tegenstelling willen gebruiken voor Frisia Citerior, dan had hij de term Frisia Ulterior of Frisia Inferior moeten gebruiken en niet Superior. Blok maakt er zo twee Frieslanden van, compleet met een tweeëntwintig-steden tocht, terwijl hij nauwelijks één Frisia in Nederland kan vinden.

Wyrda=Fréthun.
Wyrda. waar de familie van St. Ludger goederen bezat en St. Bonifatius enige tijd verbleef, wordt door Blok (p. 45) slechts in het vage "in het noordelijk deel van de Vechtstreek (misschien Loenen)" gelokaliseerd. Bovendien haalt hij Wyrda en Werina (Werinon) door elkaar. Elders (p. 5l ) identificeert hij Wyrda met Woerden! Was Woerden dan toch niet Lauri (?). De door Blok voorgestane plaatsen bevonden zich onder het transgressiegebied van Nederland. Ergo hebben de plaatsen en de rivier ca.716 niet bestaan. Loenen komt pas in 953 voor het eerst voor in de historische bronnen. De juiste plaats is Weretha (Fréthun) op 4 km zuidwest van Calais.

Amuthon! Muiden?
Uit een akte van Koning Otto I, waarbij sprake is van een schenking aan de St.Maartenskerk te Trecht, meent Blok het genoemde Amuthon als Muiden te kunnen identificeren.
Deze acte is vals, aangezien deze zo niet voorkomt in het oudste "Liber Donatium" van Utrecht. Deze acte is dus duidelijk later toegevoegd met de bedoeling bepaalde bezittingen te kunnen verwerven. Enkele onderdelen van deze acte zijn wel authentiek. Het genoemde Amuthon, de naam zegt het al, was een plaats aan de monding van de Aa. De Aa of Albis was een rivier in Noord-Frankrijk. De traditie heeft er de Elbe in Nood-Duitsland gemaakt. En Muiden ligt helemaal niet aan de monding van de Elbe!
Dat deze acte voor een groot deel vals is, is Blok ontgaan. Zo komt Blok blijkbaar aan zijn domeinen langs de Vecht, op grond van een valse acte. Op welke deskundigheid baseert hij zijn bevindingen dan?

De "gouw" Flethite.
Flethite wordt genoemd in de schenkingsacte van Karel de Grote uit 777 aan de kerk van het bisdom Trajectum (Tournehem). Samen met een achttal plaatsen, die nooit in Nederland gevonden zijn, maar wel in de omgeving van Tournehem aanwezig zijn.
De "pagus" hier als landstreek op te vatten, lag volgens de akte bij de rivieren de Hem, die nog steeds zo heet, en de Lockia, die nu Loquin heet. Van Lockia heeft men klakkeloos Lek gemaakt, een rivier die in de 8e eeuw nog niet bestond.
De plaats Flethite kan opgevat worden als Fléchin, op 21 km zuid van St.-Omaars. Nergens blijkt dat Flethite een bestuurlijke gouw was, wat Blok er graag van maakt. In "De Franken in Nederland" (1979) doorziet Blok zijn foutieve opvatting en noemt hij deze "gouw" niet eens meer. En waar niets genoemd wordt, hoeft ook niets weerlegd te worden.

Beverhem = Beverwijk?
In de 33e jaargang van de Mededelingen (1957), blz. 91, stelt D.P. Blok de plaats Beverhem gelijk met Beverwijk. Hiertegen had Dr. J.K. de Cock ernstige bezwaren.
Het komt er in het kort op neer dat Blok de plaats Beverhem (Beuerhem of Beuorhem), genoemd in het goederen register van St. Maartenskerk te Utrecht (10e eeuw), als Beverwijk beschouwt, terwijl De Cock van mening is dat Beverhem op Texel lag.
Het verweer was als volgt:
Blok was van mening dat in deze materie, conclusieve bewijsvoering moeilijk of niet te brengen is. Hij zegt dan ook te moeten toegeven, dat de mening van de heer De Cock een mogelijkheid weergeeft. Dat die echter waarschijnlijker is dan het door mij gestelde, geloof ik niet. In mijn aangehaalde artikel merkte ik op dat het deel van de lijst ná de visrechten mij voorkwam een conglomeraat te zijn, waar de namen verward zijn ingeschreven.
Blok erkent dat hij geen bewijsvoering (1) voor zijn mening heeft en zegt ook te moeten toegeven (2) dat de mening van De Cock een mogelijkheid is (3 - Blok erkent dus dat er meerdere mogelijkheden zijn), die niet waarschijnlijker is (4 Bloks mening was dus ook een waarschijnlijkheid) wat Blok niet gelooft (5) omdat het hem voorkwam (6) dat het om verward (7) ingeschreven namen ging. Blok hanteert liefst 7 (zeven!!!) voorbehoudens in zijn betoog. Op welke zekerheid is zijn mening dan gebaseerd?

Helewyrd = Helwerd?
In de Vita S.Ludgeri (AS, III, p.654) worden 14 plaatsen genoemd waar St.Ludger ging prediken. De 14 genoemde plaatsen lagen in dezelfde streek in Fresia en zijn in Nederland niet te vinden. In Helewyrd ontmoette St.Ludger een blinde zanger.
Met slechts één plaats, Helewyrd, waarvan Blok Helwerd maakt, een onooglijk plaatsje in Groningen (heeft dat toen wel bestaan), probeert Blok aan te tonen dat deze oorkonde op Friesland betrekking had. De overige 13 plaatsen verzwijgt Blok gemakshalve. In Noord-Frankrijk heeft Albert Delahaye ze allemaal terug gevonden, zie de Ware Kijk Op!

Een van de plaatsen die gnoemd werd was Werina (of Werdina), dat aan zee lag aan de monden van de Renus en waar St.Ludger een klooster gesticht had. Werdina wordt in de traditie voor het Duitse Werden gehouden, waar St.Ludger een klooster gesticht zou hebben. Maar Werden lag niet in Fresia en al helemaal niet aan zee, nog minder aan de monden van de Rijn. Dan had Werden in de buurt van Katwijk gelegen moeten hebben en daar is het niet te vinden.
Blijkbaar was niet alleen de zanger die S.Ludger in Helewyrd ontmoette blind. Ook verschillende historici in Nederland blijken last van slechtziendheid te hebben.
Klik hier voor een overzicht van de plaatsnamen in de "Franken in Nederland" van Blok.

Met deze LINK verwijzen we naar enkele "wetenschappelijke uitspraken" van Blok.