Terug naar de lijst

De Bataven

"De streek waar naderhand de Bataven woonden, heeft in Caesars tijd aan de Menapii behoord. Waarschijnlijk was de Betuwe toen nog vrijwel onbewoond. Zeker is dat de Menapii land in bezit hadden aan de rechterover van de Renus". (Byvanck, o.c.p.202)
Zeker is ook dat de Menapii in de omgeving woonden van Cassel (Castellum Menapiorum) dat immers hun hoofdstad was.

De Bataven woonden in hetzelfde gebied, want zij worden door klassieke schrijvers (Tacitus, Plinius) afstammelingen van de Chatti (Katsberg) en de gelijken van de Mattiaci (Watten) genoemd.

In Nijmegen is nooit iets gevonden van het zogenaamde Oppidum Batavorum, nog in Leiden van Lugdunum Batavorum, de twee hoofdsteden van de Bataven.
Van Es (o.c. p.30) plaats de hoofdstad Lugdunum van de Bataven in het land van de Cananefaten. Hiermee wordt onweerlegbaar aangetoond dat de Nederlandse interpretaties fout zijn. Welk volk bouwt immers zijn eigen hoofdstad in het buitenland?



Drusus heeft door het gebied van de Bataven een kanaal laten aanleggen, waardoor een veiliger vaarweg ontstond van de Renus en een dam laten bouwen om een betere verdeling te maken van het water dat door de Renus wordt aangevoerd. (Byvanck, o.c. p.203).

Deze constatering van Byvanck weerspreekt de traditionele visie in Nederland onmiskenbaar.
Het volk der Bataven had hun thuisland in de op de Peutingerkaart afgebeelde Patavia. De traditionele historici identificeren die Patavia met de Nederlandse Betuwe, ook al wordt van de ruim 500 plaatsen genoemd in de Patavia (Batua) er geen enkele teruggevonden in de Nederlandse Betuwe. Zie voor de Nederlandse traditionele identificatie: Van Es en de Peutingerkaart.

Waar de Bataven gewoond hebben en waar ze gebleven zijn, is een archeologisch raadsel. Er is in Nederland nooit iets van teruggevonden.


Tacitus schrijft nadrukkelijk, dat de Bataven woonden op de grens tussen Gallië en Germanië, "zodat zij door de schrijvers beurtelings Galliërs of Germanen worden genoemd". Had men dit juist opgevat en het op de taalgrens gesitueerd, wat de Peutingerkaart en Ptolemeus even duidelijk als Tacitus aantonen, dan waren de Nederlandse mythen in één slag opgelost.

Reeds ver vóór onze jaartelling tot ver in de 4e eeuw dienden vele cohorten Bataven in de Romeinse legers. Hun grafschriften zijn over het hele Romeinse Rijk teruggevonden. In het jaar 28, toen de Romeinen nog niet eens in Nederland waren geweest, worden liefst acht cohorten Bataven genoemd (Byvanck, o.c. p.204). Dat zij zich vrijwillig vanuit de Betuwe zouden hebben aangesloten bij de Romeinse legers is een van grootste absurditeiten van de traditionele geschiedenis over Romeins Nederland geweest. Waar deze Bataven gewoond hebben is een volgende nog steeds onbeantwoorde vraag. Een volk dat acht en meer cohorten militairen kon leveren, zou in een smalle strook in het midden van ons land gewoond hebben, zonder een spoor van bewoning te hebben achtergelaten. Van bewoning door een omvangrijk volk in de Betuwe en zelfs ver daarbuiten, is archeologisch nooit iets gebleken. Ook in later tijd waren de Bataven sterk vertegenwoordigd in de Romeinse legers. Een zeer bijzondere plaats hadden de Bataven in de persoonlijke lijfwacht van de keizers uit de eerste eeuw. Toen de Romeinen na 250 na Chr. Nederland allang verlaten hadden, waren er nog steeds Bataafse legeronderdelen. Waar de Bataven uiteindelijk gebleven zijn, is de volgende onopgeloste vraag in archeologisch en historisch Nederland.

ca. 1100. De kroniek van Watten over de Bataven.
"Ik denk dat de oude Bataven (Béthune) zich vermengd hebben (of verward zijn) met de bewoners van Watten, want wij bezetten nu hun plaats, wij hebben herbouwd wat verwoest was, en wij dragen zelfs hun naam, al is die in een paar lettertjes veranderd, maar wij bezitten hem volgens erfrecht... Dat Guatinas of Guatinum (Watten) eens een oude stad van de Menapii (Cassel) was, is in het geheel niet onbekend aan hen die iets van de geschiedenis van deze streek en haar omgeving weten. Zij worden door de kenners van de historie ook Bataven (Béthune) genoemd, al weet ik niet hoe dit gekomen is. Immers, Orosius spreekt al over hen, wanneer hij in zijn annalen deze streken en de plaats van de diverse eilanden beschrijft.(Hier citeert de schrijver de tekst van Orosius in zijn geheel, zie De Ware Kijk op tekst 85, en vervolgt dan:) Vandaar, dat wij weten dat Rutupi Portus (Richborough) zich bevindt in het zuiden van het genoemde eiland (Engeland), en de Menapii (Cassel) en de Batavi (Béthune) ten noorden van de Morini (Terwaan) wonen langs dezelfde zee, en zij die op beide kusten verblijven het zicht hebben op de tegenovergestelde kust, bestaat er geen twijfel dat de vroegere inwoners van Watten door de schrijvers Bataven zijn genoemd. Zij worden door de schrijvers beschreven als een volk, dat zich door een zekere wildheid van de andere volken onderscheidt, doch dat moeten wij beschouwen als voortgekomen te zijn uit hun verzet tegen de Romeinen." Bron: Chronica Monasterii Guatinensis, MGS, Xry, p. 163; HdF, XI, p. 104.
De herinnering aan de Bataven was ca. 1100 nog levendig in het noorden van Frankrijk, al moet de schrijver teruggrijpen op een bron uit de 5e eeuw. Het behoeft nauwelijks gezegd te worden, dat een soortgelijke getuigenis van een Bataven-traditie in Nederland niet bestaat. waar zij pas in de 16e eeuw is opgekomen.

De Nederlandse traditie.

Byvanck (o.c.p.203) verklaart de bijzonder positie van de Bataven voor een groot deel door de ligging van hun land op een zeer kwetsbare plaats aan de grens van het Rijk. Het beheerste de moeilijk toegankelijke Rijndelta en de monden van de rivieren, waarlangs het verkeer van de Rijn naar het Kanaal en naar Britannië ging. Dit gebied had grote betekenis voor de ravitaillering van de legers en de vestingen aan den Rijn, maar ook voor de aanvallende krijgstochten, eerst naar Germanië en daarna naar Britannië, nog later voor de verbinding tussen Germaanse en Britannische legers.
Dit hele verhaal plaats bij juiste lezing de Bataven aan het Kanaal, waar de oversteek naar Britannië lag. Daar lag de monding van de Renus waar ten noorden Germania begon. Zie de volgende argumenten:
  • De oversteekplaats naar Engeland lag niet in Nederland, maar in Frankrijk aan het Kanaal bij Wissant. De plaats waar elk logisch mens zou oversteken naar Engeland, de plaats waar de Via Francigena de oversteek maakte, de plaats waar St.Willibrord overstak en velen voor en na hem, de plaats waar nu de Kanaaltunnel ligt, de plaats die ook genoemd wordt als "waar men de overkant kan zien" en nu nog steeds "Camp de César" heet.
  • Er is door de Nederlandse historici nooit een aannemelijke verklaring gegeven, waarom een Limes tegen invallen van Germaanse stammen langs de Nederlandse Rijn nodig geweest zou zijn. Er viel in Nederland immers van geen enkele inval uit het noorden iets te vrezen. Ten noorden van de Romeinse plaatsen in Zuid-Holland en Utrecht bestond Nederland uit één groot veenmoerassen en waddengebied (zie Van Es, o.c. p.19 en het kaartje hiernaast. Klik op het kaartje voor een vergroting).
  • Er bestond in Nederland langs de grens in "de moeilijke toegankelijke Rijndelta" geen enkele dreiging van Germaanse stammen. De in Noord-Holland, Friesland en Groningen vermeende Friezen hadden met de Romeinen in de jaren 12 v.Chr. en 28 en 47 na Chr. verdragen gesloten, waardoor elke dreiging was geëlimineerd (Byvanck, o.c.p.199 en 206-219).
  • "Opvallend is ook dat tot nu toe niemand ooit een stamnaam met de Veluwe of de Utrechtse Heuvelrug verbonden heeft", aldus Van Es (o.c. p.31). Ten noorden van de Rijn in Gelderland, was het één groot leeg gebied, waar geen enkele bevolking aanwezig was. Ook "in het oosten van Nederland woonde geen enkele stam waarvan wij de naam weten", aldus Byvanck (o.c. p.218). Indien stammen voor de Romeinen een dreiging geweest zouden zijn, was hun naam wel overgeleverd in de bronnen en bekend geweest.
  • Bechert (o.c.p.15) vermeldt dat de rechter Rijnoever tot wel 3 km. onbewoond was, ofwel het grensgebied was een leeg gebied.
  • Alle Germaanse stammen waarmee de Romeinen voortdurend in conflict waren, worden door de traditionele historici ten oosten van de Rijn in Duitsland geplaatst. En juist in dat Duitse deel van de Rijn tussen Nijmegen en Keulen en met name tegenover de Lippe en de Ruhr, was de grens maar matig bezet met slechts enkele castella, te weten Xanten, Alt-Kalkar en Moers-Asberg.
  • Over de hele Nedergermaanse grens vanaf Katwijk tot Remagen, een afstand van 350 km, bestond de grensbewaking, waar aanvankelijk 6 legioenen gelegerd waren, aan het eind van de eerste eeuw uit slechts 2 legioenen (is 12800 man). Een aantal dat daarna constant bleef (Bechert, o.c.p.20-21; op p.23 noemt Bechert een aantal van 21.000 aan het begin van de 3e eeuw). De Romeinen vreesden blijkbaar geen invallen van allerlei Germaanse volkeren aan de grens langs de Rijn, want met 21.000 man over 350 km. houd je geen volksverhuizingen tegen. Bovendien is het vreemd dat juist ná de Opstand der Bataven het aantal legioenen aan de Rijngrens juist werd verminderd. Of speelde de Opstand van de Bataven zich dan toch niet in Nederland af?
  • Opvallend is verder dat er in Nederland ten zuiden van de rivieren weinig tot niets was, dat tegen die vermeende aanvallen van Germaanse stammen beschermd had moeten worden. De Romeinse sporen in Zuid-Nederland zijn sporadisch en bestaan vaak uit niet meer dan de resten van één enkele boerderij (villa). Juist in het gebied langs de Rijn was het achterland vrijwel onbewoond.
  • De altijd vermeende sterke grensversterking bestond hoofdzakelijk uit wachttorens, niet uit castella. Er is langs de hele Rijngrens alleen in Nijmegen een grotere legerplaats, een castra, vastgesteld. Op veel vermeende plaatsen van een Romeinse versterking is feitelijk helemaal niets gevonden. De namen van de plaatsen op de Peutingerkaart zijn zonder enig bewijs of aanvaardbare verklaring op die Romeinse vindplaatsen geplakt. Dat er dan niets van kan kloppen mag blijken uit de vele vraagtekens, vermoedens en veronderstellingen waarop de Romeinse traditie is gebaseerd.
De archeologie in Nederland.
Vóór het midden van de eerste eeuw, toen de Romeinen in Nederland kwamen, is in Nederland niets van Bataven opgegraven. De uit de Romeinse periode spaarzame boerenwoninkjes, hier en daar gevonden, durven de archeologen terecht! niet als bewijs voor het volk der Bataven te presenteren. Dit volk had twee steden: Lugdunum Batavorum en Oppidum Batavorum. Er is in Nederland geen spoor van gevonden.
Na de helft van de derde eeuw, toen de Romeinen uit Nederland vertrokken waren, is evenmin iets van Bataven gevonden, die evenwel blijkens de talrijke berichten nog op volle sterkte zijn blijven bestaan en nog met grote contingenten in de Romeinse legers dienden. In de vijfde eeuw worden nof vier afdelingen Bataven in het Romeinse leger genoemd en de Laeti van de Bataven warempel in Noyon wonen. Doch dit is voor de Nederlandse historici en archeologen geen probleem. Zij concluderen dan zonder met de ogen te knipperen, dat de Bataven de Romeinen naar het zuiden zijn gevolgd. Men moet wel een voorbeeldloos lef hebben om een brandend probleem op deze manier op te lossen.

De opstand van de Bataven.
Het spektakelstuk uit de geschiedenis van de Bataven is ongetwijfeld hun opstand tegen de Romeinen en de daaruit voortgekomen militaire operaties in de jaren 69 - 70 na Chr. Het hele verhaal is te vinden in de "Historiae" van Tacitus. De geografische details van de juiste streek van de militaire acties, de volken of stammen die zich bij de revolte aansloten of afzijdig hielden, en de strijdkrachten die de Romeinen hebben moeten inzetten om de opstand onder bedwang te krijgen, tonen onmiskenbaar aan dat achter de opstand een potentieel aan manschappen moet hebben gestaan, dat de Nederlandse Betuwe onmogelijk kan hebben opgebracht. In de Betuwe zijn uit de Romeinse periode enkel wat los staande boerderijtjes gevonden en geen enkele inheemse nederzetting, om nog te zwijgen van de twee steden Lugdunum Batavorum en Oppidum Batavorum. De zeer dunne spreiding van een inheemse bevolking in de Betuwe (was die wel inheems, of misschien een vestiging van Romeinse veteranen, die b.v. in Elst een eigen tempel bouwden? -waarmee het probleem van de Romeinse tempels te Elst ook weer is opgelost!) toont al afdoende aan, dat de Nijmeegse mythe niet de grootste is, doch de legendarische aanwezigheid van het machtige volk van de Bataven in de Betuwe.

Het verslag van Tacitus, geografisch juist geplaatst, maakt de mythe van de Bataven in Nederland tot een klucht van de eerste orde. De Nederlandse Betuwe, die door één Romeins legioen op een halve dag onder de voet kon worden gelopen om in de namiddag volledig platgewalst te worden, zou zich twee jaren tegen het machtige Rome verzetten, meer dan 10 legioenen de handen vol werk geven, en Gallische stammen tot in het midden van Frankrijk erbij betrekken!
Dit is zo'n onvoorstelbare absurditeit, men spreke liever van monstruositeit, dat het niet te begrijpen is waarom de onhoudbaarheid ervan niet eerder werd ingezien. De militaire operaties hebben zich afgespeeld in het noorden van Frankrijk en zuiden van België tussen plaatsen als Trier, Bavay, Doornik, Béthune, Grivesnes, Vaudancourt, Annois en de kust tussen Boulogne en Vlaanderen.
In het verhaal komt geen enkel detail voor dat met enige redelijkheid in Nederland, laat staan in de Betuwe te plaatsen is. Het archeologisch beeld van de Betuwe toont bovendien aan, dat deze streek niet eens in staat was om één kohort militairen op te leveren. Men moet dan ook de tragische konklusie trekken, dat het erop lijkt alsof de gehele akademische wereld (hier heeft Nederland slechts gedeelde schuld!) en bloc heeft zitten slapen. Er is enige eeuwen naarstig maar vergeefs naar de rivier de Navalia gezocht, waar de uiteindelijke vrede werd gesloten, en ondanks dat Ptolemeus de juiste plaats ervan had aangewezen werd de Nave maar niet gevonden in Nederland. In Frankrijk echter wel, daar stroomt die nog steeds. in de buurt van Béthune. Dit detail als slot van de Opstand van de Bataven, vlakbij de plaats waar de militaire akties begonnen waren, vormt reeds een afdoend bewijs dat de gehele affaire niet met de Nederlandse Betuwe in verband kan worden gebracht.

En alsof dat nog niet genoeg was, werd een vijftiental absurditeiten op de koop toe meegenomen:
  1. Ongeveer een eeuw voordat de eerste Romein in Nederland arriveerde, gebruikte Caesar al het Eiland van de Bataven voor zijn expeditie naar Engeland. De veronderstelling dat Caesar (en de Romeinen) in 50 v. Chr. al in Nederland geweest zouden zijn is een onbewezen veronderstelling. "Niets wijst er op dat Caesar tot aan de Oude Rijn is doorgedrongen", schrijft Van Es (o.c.p.27). "De schriftelijke overlevering biedt geen doorslaggevende argumenten om de Romeinse tijd in ons land met de periode van Caesar te laten beginnen. Archeologische aanwijzingen daarvoor zijn er evenmin", aldus Van Es (o.c. p.25). Julis Caesar gebruikte niet de Betuwe voor de oversteek, maar de reeds lang bekende en gebruikelijke oversteekplaats "waar men de overkant kan zien".
  2. Eveneens vóór de komst van de Romeinen in Nederland hielpen de Bataven met grote contingenten mee aan de onderwerping van de EIGEN Gallische stammen en aan de verovering van Engeland. De veronderstelling dat de Betuwe ooit bij Gallië gehoord zou hebben is eveneens absurd.
  3. Vóór de Romeinse bezetting van Nederland zaten de Bataven massaal in de Romeinse legioenen met vaste onderdelen, en vormden zij zelfs de lijfwachten van Romeinse keizers.
  4. Het intensieve en ook vrij rijke archeologisch onderzoek in Nederland heeft nooit iets aan het licht gebracht over de Bataven, die blijkens de berichten toch een groot volk moeten zijn geweest. Het ontbreken van elk spoor van hun twee steden Lugdunum Batavorum en Oppidum Batavorum moet als een essentieel manko worden beschouwd.
  5. Het verhaal van Tacitus maakt duidelijk, en Civilis zegt het woordelijk, dat aan de opstand een lange periode van Romeinse bezetting was voorafgegaan. De Romeinen zijn pas ca. 50 na Chr. in Nederland gekomen. Nu wordt de laatste tijd dat tijdstip wat verder opgeschoven, gewoon omdat men nattigheid begint te voelen en er met de Romeinse vondsten, die alle import zijn, wel valt te schipperen. Het is en blijft evenwel een onverklaarbaar feit hoe in een pas bezet gebied, waar tot overmaat van klucht de inheemse bevolking onvindbaar is, op zo korte tijd nà de bezetting een wereldwijd om zich heen grijpende opstand kan uitbreken.
  6. Toen de Romeinen omstreeks de helft van de 3e eeuw Nederland verlaten hadden, blijven de Bataven tot aan het einde van het imperium aktief in de Romeinse legers en duiken zij op tot in de verste hoeken van het rijk. Op veel plaatsen in dat voormalige Romeinse rijk worden gedenkstenen van Bataven opgericht. Net zoals die gedenkstenen b.v. in het midden-oosten geen bevestiging van de woonplaats van de Bataven zijn, zijn ze dat ook niet in Nederland.
  7. Het landschap van de Betuwe, dat overigens nooit tevoren de naam van Batua gedragen had, is in elk geval na het midden van de 3e eeuw voor zes eeuwen onder de transgressies verloren gegaan. Toch blijft de Batua steeds in de bronnen voorkomen, ofwel met Batua werd niet de Betuwe maar een andere continue bewoonde streek bedoeld.
  8. Hoe en waarom en waarheen is dat grote volk van de Bataven dan getrokken, toen Nederland door de Romeinen verlaten werd? De bewering dat het de Romeinen "ergens" naar het zuiden zou zijn gevolgd, is een uit de duim gezogen fabel, daar zo'n belangrijke en uitzonderlijke gebeurtenis toch zeker enige neerslag in de geschreven bronnen had moeten opleveren.
  9. Duitse of Nederlandse bronnen spreken in de tijd tussen de 3e tot de 10e eeuw niet meer over de Batua. Dat is volslagen onaanvaardbaar, daar de Batua van tevoren toch een belangrijke rol in de geschiedenis had gespeeld, en zij in de 8e eeuw weer een nieuw accent kreeg doordat Karel de Grote er zijn paleis Noviomagus bouwde.
  10. In Franse bronnen blijft de Batua voorkomen, alles bij elkaar zo'n 500 maal, en wel met zoveel en zo duidelijke details dat haar ligging in Frankrijk zonneklaar is.
  11. In de 11e eeuw komt in Nederland de nieuwe naam Betuwe op, tegenhanger van Veluwe die ook nieuw verschijnt. De naam betekent "goede aarde", wat na de transgressies zijn verschijning en zijn betekenis afdoende verklaart, en wat tevens bewijst dat deze naam niets uitstaande heeft met de 11 eeuwen oudere naam van Eiland van de Bataven.
  12. In de 11e eeuw was zelfs in Frankrijk de herinnering aan de Bataven verloren gegaan. Toen en nog lang daarna, zelfs tot op heden toe, heeft niemand zich gerealiseerd dat Béthune van Batua was afgeleid en dat de talloze teksten over de Batua met Frankrijk in verband moesten worden gebracht.
  13. Wanneer in de authentieke streek de herinnering aan de Bataven verloren is gegaan, ondanks dat daar de historische continuïteit niet verbroken werd, dan is het een regelrechte zotheid te veronderstellen dat, toen in 1015 voor de eerste maal in Nederland de Betuwe werd genoemd, er ook maar één sterveling is geweest die aan de Bataven heeft gedacht, nadat hun veronderstelde grondgebied zes eeuwen onder water had gelegen.
  14. Zelfs na het ontstaan van de nieuwe naam Batua in Nederland blijkt gedurende de zes eeuwen, die daarop volgden, dat niemand er enig verband in heeft gezien met de Bataven. Pas ná de ontdekking van de Peutinger-kaart is deze idee opgekomen bij de Nederlandse post-humanisten. Vanzelfsprekend was zij sterk gedirigeerd, men kan zelfs zeggen: fataal opgedrongen door de inmiddels ontstane mythe van Nijmegen.
  15. En toen deze mythe ter diskussie was gesteld, en de elementaire regels van het historisch onderzoek voorschrijven dat ook de Batua opnieuw en tot op de bodem onderzocht moest worden, werd dit pertinent en kategorisch geweigerd, en bleef men volstaan met de Peutinger-kaart te wapperen en de 500 teksten over de Franse Batua straal te negeren. Het Bronnenboek van Nijmegen heeft zijn "negatie-prijs" dan ook niet behaald met het verdonkeremanen van zoveel Noviomagus teksten, doch met het negeren van een nog groter aantal Batua-teksten, waarvan men maar al te goed begreep dat die nooit op Nederland betrekking konden hebben gehad.

De traditionele historici over de opstand van de Bataven.
Door de traditionele historici zoals Stolte werd betoogd, dat het tiende legioen, dat tegen de Bataven streed tijdens de opstand van de Bataven in 69 en 70 n.Chr., in Nijmegen gelegerd was. Dus de Bataven woonden in de Betuwe, immers daar was het tiende legioen gelegerd en dus werd daar de strijd geleverd. De gedachte van Stolte c.s. gaat uit van een foutieve veronderstelling. Alsof Romeinse troepen nooit verplaatst werden voor een veldslag! De verblijfplaats van een legioen is nooit bij voorbaat een bevestiging van de plaats van de veldslag!
Tegenover de mening van Stolte c.s. staat die van andere historici zoals Bogaers, de Waele, Morren en Buchem, dat het tiende legioen pas na het jaar 70 na Chr., dus na de Bataafse opstand, in Nijmegen gelegerd werd. Daarvóór was het in Frankrijk (Norroy) gelegerd, na Nijmegen vertrok het 10e legioen in 105 n.Chr. naar Hongarije (Aquincum - Boedapest)! Over het feit dat het tiende legioen vóór haar komst naar Nijmegen in Noord-Frankrijk verbleef, zwijgt Stolte even hardnekkig als betekenisvol (Numaga, 1963, blz.16). Bogaers heeft in het verleden ook al eens gesteld dat de Waal als Renus begrepen moet worden en dat het Eiland der Bataven niet de Betuwe kan zijn. Deze laatste visie sluit aan bij die van archeoloog Van Es, die hetzelfde stelde. De teksten waarin over de Renus gesproken wordt passen gewoonweg niet op de Rijn. Men maakt er dan maar Waal van, want men wenst de geschiedenis kost wat kost in Nederland te houden. Een goed verstaander weet dan genoeg: de Renus is niet de Rijn, maar evenmin de Waal.
Stolte onthoudt de lezer dit belangrijke gegeven, want hij weet maar al te goed, dat het zijn bewering fundamenteel tegenspreekt.
W.J.H. Willems stelde ten aanzien van ditzelfde punt dat "als er al Bataven in Nijmegen of omgeving zijn geweest, dan hoorden zij bij het Romeinse leger ter plaatse". Zie bij Archeologie!
Na het onderdrukken van de opstand der Bataven in 70 n.Chr. werden deze troepen, zoals dat bij de Romeinen gebruikelijk was vanwege rancune en wraak van de inheemse bevolking, altijd verplaatst naar een andere streek. Na het verblijf in Nijmegen vanaf 71 n.Chr. vertrok dit legioen in ±104 naar Hongarije.

Na de opstand van de Bataven onderwierp Julius Civilis zich aan de Romeinen op de vernielde brug over de rivier Navalia. Bij Nijmegen is deze rivier nooit teruggevonden. De Navalia is de rivier de Nave bij Béthune. In Nijmegen slaat men deze tekst -betekenisvol- altijd over.

Een nieuwe theorie van W.J.H. Willems.
De jongste en geheel nieuwe theorie over de Bataven en de Betuwe komt van W.J.H.Willems in zijn proefschrift Romans and Batavians. A Regional Study in the Dutch Eastern River Area (1986). Volgens Willems zaten de Bataven ten tijde van Caesar in de Betuwe. Maar omdat de Romeinse én de inheemse archeologie daama een hiaat van minstens een eeuw vertoont zegt Willems dat de Bataven vandaar vertrokken zljn naar Thüringen en Hessen, waar zij een deel van de Chatti vormden, vanwaar zij door de Romeinen weer naar de Betuwe werden teruggedrongen. Had hij Doornik en Ath geschreven, dan was hij, al is dit even onjuist, in elk geval dichter bij de juiste plek geweest.
Een beweeglijk volkje, die Bataven! Maar er is geen enkele tekst die deze verschuivingen bevestigt. Integendeel: volgens de klassieke schrijvers hebben de Bataven altijd in dezelfde streek gewoond. Desondanks riep Willems in een interview uit: "En daar valt niet aan te tornen", wat niet alleen bewijst dat de jonge doctor reeds vóór zljn promotie naast zijn schoenen liep, maar ook dat hij in zijn studie niet de juiste manier van onderzoek geleerd heeft. lnsiders hebben terstond begrepen dat zijn proefschrift tegen Albert Delahaye was gericht. Maar van zo'n aanval op sokken lag Delahaye niet wakker, te minder niet omdat Willems ook grandioos alle teksten overslaat die Delahaye in het verleden over de Bataven naar voren heeft gebracht. Laat men eerst in Nederland de plaatsen Lugdunum Batavorum en Batavodurum of Oppidum Batavorum aanwijzen en opgraven, daar deze essentieel zijn voor de lokalisatie van de Bataven. Dit grote volk, reeds sinds Caesar met de Romeinen geallieerd, bewijst men niet aan de hand van enkele losstaande boerderijtjes in de Betuwe. Tot aan het einde van het imperium in de 5e eeuw blijven de Bataven in grote aantallen in de Romeinse legioenen dienen. Dit zijn in geen geval Betuwers geweest, daar hun streek ca. 250 na Chr. aan de transgressies ten prooi viel. Dat zij met de Romeinen naar het zuiden zouden zijn afgezakt, is eveneens een losse bewering door geen enkele tekst of archeologische vondst bevestigd.
Wat Willems wellicht niet door heeft (sic?) is dat hij met zijn nieuwe theorie (zeker onbedoeld, want dit doorziet hij evenmin!) bevestigt dat Albert Delahaye gelijk heeft en dat de traditionele geschiedenis van Nederland over de Bataven onjuist is. Men is de Bataven in Nederland nog steeds kwijt, want men zoekt ze op de verkeerde plaats. TIP voor de Nederlandse historici en archeologen: ga eens in de omgeving van Béthune (Noord-Frankrijk) zoeken!!


Een Bataafse gemeenschap te Tiel-Passewaaij.

In een mooi uitgegeven boek *), waarmee men natuurlijk een bepaalde overtuiging wil etaleren, wordt het traditionele verhaal van de Bataven in de Betuwe geschetst aan de hand van veel kleurrijk fotomateriaal. Maar prikt men daar doorheen en leest men wat er werkelijk gevonden is in de Betuwe, dan is dit niet in overeenstemming met de geschreven bronnen. Het boek heeft een hoog veronderstellingen gehalte, waarmee we de archeologische vondsten niet willen ontkennen, wel de interpretaties ervan.
Een volk dat enkele eeuwen in staat bleek om hele cohorten legionairs en ruiters aan het Romeinse leger te leveren, kan men onmogelijk associeren met de enkele gevonden boerderijtjes en graven. Daar is meer voor nodig. Al gaat men uit van ruim 1000 nederzettingen in de Betuwe, waarvan het merendeel uit slechts 3 tot 4 gelijktijdige boerderijen bestond (p.38), dan levert dat over een periode van vele eeuwen slechts een minimale bewoning op. Bovendien waren er al Bataafse soldaten in het Romeinse leger voordat er één Romein in Nederland was geweest en dienden zij nog steeds in het Romeinse leger nadat de Romeinen rond 250 n. Chr. ons land allang verlaten hadden. Het vraagt teveel voorstellingsvermogen om ervan uit te gaan dat de Bataven geheel vrijwillig in het Romeinse leger dienden. Zeker gezien hun opstand in de jaren 69 en 70 waarin zij het de Romeinen gedurende 2 jaren knap lastig hebben gemaakt. Woonden zij in de Betuwe, dan was het Bataafse volk binnen 2 dagen volledig onder de voet gelopen door één enkel Romeins legioen.
Ondanks de vele opgravingsverslagen roept dit boek weer de nodige traditionele vragen op. Allereerst ontbreekt de definitie van "wat men onder Bataafs" verstaat. Waaraan herkent men dat? Wat is "een Bataafse gemeenschap" als men aangeeft dat de bewoners voor de auteurs strikt anoniem (ofwel onbekend) blijven (p.18)? Hoe weet men dan dat het hier om Bataven gaat en niet om Romeinse legionairs? Waar komt overigens die grote bevolkingsgroep vandaan, wat de Bataven toch waren, als men het heeft over "enkele verspreide boerderijen" (p.18) en een grafveld dat ruim 200 jaar in gebruik is geweest en slechts 366 graven zijn vastgesteld? Dat is minder dan 2 doden per jaar, waarbij het volgens de auteurs nog zou gaan om over een centrale begraafplaats van verschillende kleine nederzettingen! Over welke bevolkingsomvang gaat het dan?
Opvallend is verder dat de in dit boek vermelde inscripties van Bataven allemaal zijn gevonden buiten de Betuwe, tot ver in het buitenland. Daarmee bewijs je dus niets.

Enkele citaten uit dit boek: Commentaar:
Hier worden dus 3 veronderstellingen gedeponeerd (1.Bataafse? 2 elite? 3. mogen geassocieerd worden met? ), zoder dat er onderzoek naar is geweest. Commentaar:


*) Een Bataafse gemeenschap in de wereld van het Romeinse rijk. Opgravingen te Tiel-Passewaaij. Matrijs Utrecht, 2007. Redactie Nico Roymans, Ton Derks en Stijn Heeren.