| Terug naar de lijst |
|
De archeologie ontwikkelde zich pas halverwege de 20e eeuw van veredelde schatgraverij tot een wetenschap. Dat er tevoren veel fouten zijn gemaakt en veel verkeerde conclusies zijn getrokken uit gevonden relikten, zal geen archeoloog ontkennen. Op enkele van de eerder gemaakte fouten is nog steeds een groot deel van de huidige wetenschap gebaseerd, zonder dat men deze fouten heeft gecorrigeerd. De archeologie wil maar niet inzien dat als het uitgangspunt fout is, ook alle daaruit getrokken conclusies fout zijn. Op deze bladzijde geven daarvan enkele voorbeelden, in de boeken van Albert Delahaye staan er nog meer. De archeologie zou zich moeten beperken tot technisch onderzoek, niet tot het schrijven van geschiedenis. De Nederlandse archeologie gebruikt de verkeerde methodiek bij haar onderzoek, waarbij structurele fouten in het interpreteren van de gegevens tot foutieve conclusies hebben geleid. Hergebruik van het gratis Romeinse bouwmateriaal, de door handel verkregen voorwerpen, relikten opgebaggerd uit de Waal enz., worden te vaak niet als zodanig herkend en verklaard, maar worden gezien als bewijs van de aanwezigheid van het volk dat het produceerde. Een Romeinse helm, opgebaggerd uit de Waal, kan er ook eeuwen later terecht zijn gekomen of door iemand anders dan een Romein zijn verloren! De Nederlandse en buitenlandse musea liggen vol met niet ter plaatse gevonden kunsthistorische voorwerpen, die elke geografische interpretatie twijfelachtig maakt. Bekijkt men de resultaten van de archeologie in Nederland, dan is er slechts één conclusie mogelijk: de hele veronderstelde geschiedenis vanaf de Romeinen tot de 11e eeuw kan zich nooit hebben afgespeeld op de plaatsen die men er in Nederland voor in gedachten had. Behalve de archeologie tonen de geschreven bronnen dat onmiskenbaar aan. ![]() De gouden broche van Wijk bij Duurstede op grond waarvan de historici van Wijk bij Duurstede een rijke en Christelijke handelsstad maakten, die geplunderd werd door de Noormannen. Het is gewoon archeologisch bedrog. De in een waterput gevonden broche bewijst niets anders dan dat iemand een keer vreselijk veel pech heeft gehad toen de broche in de put viel. Het Christelijke element meende men uit het er met veel fantasie bijgehaalde kruis te kunnen afleiden. Zelfs de vier Evangelisten werden ermee vereenzelvigd. De vier "vogelfiguren" zijn geen vogels, noch de H.Geest, maar afbeeldingen van ramskoppen. Verre van Christelijk dus. Het is gewoon archeologisch bedrog. Dat de broche bij een plundering van de Noormannen door de eigenaar in de put zou zijn verborgen is eveneens bedrog. Ieder mens zou wel een betere verstopplaats weten, waar je naderhand je broche ook weer makkelijk op zou kunnen halen. |
Is een "Noormannenzwaard" altijd door een Noorman verloren? Is een Romeinse amfoor altijd door een Romein verhandeld? En om bij hedendaags voorbeeeld te blijven: Als er ergens op de wereld een cola-flesje gevonden wordt, mag je dan concluderen dat de Amerikanen daar geweest zijn en dat land bezet is geweest door de Amerikanen? Dat colaflesje lijkt een onbenullig voorbeeld, maar zo werkt de archeologie sinds jaar en dag en nog steeds. Als voorbeeld mag de argumentatie rondom Romeins Nederland dienen! Op grond van de vondst van één ruiterhelm, wordt de aanwezigheid van een hele legerplaats "bewezen". En dan "Dorestad"! Op grond van de vondst van één "Dorestadmunt" wordt bewezen dan Wijk bij Duurstede het klassieke Dorestad geweest zou zijn. En dat terwijl Dorestadmunten overal gevonden zijn en daar ook niets anders bewijzen dat iemand daar ooit een munt verloren is. Archeologie is interpreteren! Een archeologisch vondst op zich, zegt weinig tot helemaal niets, daar is meer voor nodig. Als over tweeduizend jaar een archeoloog in Nederland allerlei 21ste eeuwse Amerikaanse dingen opgraaft, zoals colaflesjes en Amerikaanse munten, betekent dat nog niet dat de Amerikanen in Nederland woonden! Zelfs al zijn er schriftelijke verslagen, zelfs films van de aanwezigheid van Amerikanen hier bijvoorbeeld in 1944. En zo is het ook met veel archeologische bevindingen over de Romeinse tijd! Ook al wordt er Romeins gevonden langs de Rijn in Nederland, en zijn er zelfs teksten over het Romeinse Rijk bekend, dan moet nog wel vastgesteld worden of die teksten over het strookje langs de Rijn in Nederland gaan en dat gebied wel bij dat Romeinse Rijk hoorde waar de "Limes Germanicus" gelegen zou hebben! De grootste missers worden natuurlijk gemaakt als men archeologische vondsten gaat dateren op basis van geschreven teksten. Zo zijn dendrochronologische dateringen vastgesteld in het Romeinse Castellum Valkenburg of in de Karolingische handelsstad Haithabu in Sleeswijk-Holstein op grond van de geschreven bronnen. Zo kwam men op een datering van 47 respectievelijk rond 850 n.Chr. Andere vondsten zijn later op grond van deze vaststellingen gedateeerd. Maar vergeten is om te onderzoeken of Praetorium Agrippinae wel Valkenburg was en of Hedeby in Sleeswijk-Holstein wel het uit de bronnen bekende Haithabu was. Nu bij nadere studie blijkt dat beide plaatsen foutief zijn gelocaliseerd, zullen ook alle daarvan afgeleide dateringen herzien moeten worden. Een ander voorbeeld is Wijk bij Duurstede. De ter plaatse gevonden scherven werden gedateerd in de 8e eeuw, omdat volgens de schriftelijke bronnen toen de hoogtijdagen van Dorestad waren. Maar nu blijkt dat Wijk bij Duurstede niet het vermaarde Dorestad was, zullen ook alle dateringen die hiervan afgeleid zijn, herzien moeten worden. Overigens is het opvallend dat vergelijkbare scherven en potten in Duitsland zo'n eeuw later gedateerd werden. Archeologie is interpreteren. Archeologen interpreteren hun vondsten vanuit onze tijd en onze cultuur en construeren zo een geschiedenis vanuit huidige gezichtpunten. Uitgaan van de verkeerde gezichtspunten geeft een verkeerde geschiedenis. En dat doet zich frequent voor in de Nederlandse archeologie. Vondsten interpreteren naar analogie van andere vondsten, naar teksten, naar vermeende situaties of zelfs "gewenste" situaties, naar vermoedens of veronderstellingen, leiden tot verkeerde conclusies. Dat er in de Nederlandse Archeologie ook steeds sprake is geweest van opzettelijke vervalsingen, soms puur uit eigenbelang of financieel gewin, mag als bekend verondersteld worden. "Door middel van vervalste voorwerpen of misleidende informatie proberen zij (de vervalsers) hun ideeën over het verleden een handje te helpen, de geleerde wereld te foppen of hun portemonnaie te spekken. Archeologische vervalsingen zijn al zo oud als archeologie zelf en al heel wat hooggeleerde archeologen zijn bij de neus genomen." (Bron: L. Verhart.) De basisgegevens die een opgraving oplevert, worden slechts zelden gestaafd door schriftelijke bronnen. De interpretatie van het vondstmateriaal is in werkelijkheid slechts een hypothese, gebaseerd op hetgeen blijkt uit de specifieke vondstsituatie en vergelijkingsmateriaal van elders. Er is een groeiend besef, dat de meeste opgravingsrapporten in feite eerder een hypothese weergeven dan dat ze een nauwkeurige en gedetailleerde registratie bevatten van een opgraving en de daarbij aan het licht gekomen vondsten. De huidige situatie in de archeologie, gekenmerkt door gebrek aan financiële middelen en geforceerde noodopgravingen, draagt er zeker toe bij, dat hypothesen gelanceerd worden die niet kunnen steunen op zorgvuldig vastgelegde gegevens. De hypothese, door de opgraver opgesteld, behoort onderworpen te worden aan een streng proefondervindelijk onderzoek. Doel daarvan is de betrouwbaarheid van de hypothese te beproeven. Nadrukkelijk moet worden gesteld, dat met "deugdelijk" en "ondeugdelijk" wordt gewerkt en niet met historische waarheid, want de historische waarheid is een begrip dat moeilijk aanvaardbaar is, zelfs als het door historisch documentatiemateriaal wordt ondersteund. De houdbaarheid van de hypothese is afhankelijk van de vergelijking met het het basisgegeven: het opgegraven materiaal. Als er voldoende overeenstemming tussen deze twee gegevens bestaat, kan de hypothese als bruikbaar worden geaccepteerd. Is dat niet het geval, dan heeft de hypothese geen enkele waarde. Experimentele archeologie heeft vooral in dit laatste opzicht de aandacht gevestigd op de wijze van verzamelen en vastleggen van archeologische gegevens die leiden tot het vaststellen van waarschijnlijkheid en deugdelijkheid van argumentatie en doet ons erop bedacht zijn archeologische theorieën klakkeloos te accepteren, hetgeen helaas ook tegenwoordig nog te vaak voorkomt. (Bron: P.J.Reynolds.) Nog onlangs is gebleken dat enkele archeologische "vondsten" in Nijmegen NEP bleken te zijn. Zie bij Nep in Nijmegen In de archeologie van ons land zijn structurele fouten aantoonbaar, waarmee men de traditioneel bedachte geschiedenis meende te kunnen bewijzen. Niets is minder waar. Fout op fout geven een geschiedenis die onmogelijk in het ervoor bedachte landschap kan hebben bestaan. De archeologie bevestigt de bevindingen van Albert Delahaye op onmiskenbare wijze. Elk boek over archeologie weerlegt de Nederlandse tradities. Juist op de cruciale punten spreekt de archeologie de gevestigde traditie falikant tegen. De archeologen weten dat, de historische faculteiten aan Nederlandse universiteiten weten dat, maar het publiek wordt dom gehouden. In de historische wereld houdt iedereen elkaar de hand boven het hoofd. De belangen zijn groot, want er staan belangrijke reputaties op het spel. ![]() Gentse professor in de Romeinse archeologie bewijst het gelijk van Albert Delahaye. Prof. Hugo Thoen: "Ik zoek al vijftig jaar naar bewijzen van Caesars aanwezigheid in België, maar heb nooit iets gevonden!" Alles in de Romeinse geschiedenis van Nederland en België wat van de foutieve veronderstelling is afgeleid dat Caesar tot in onze streken is geweest, zal herschreven moeten worden. Deze visie van prof.Thoen wordt bevestigd door J.H.F.Bloemers in "Voeten in de Aarde". Op blz. 50 lezen we: "Rond 50 v.Chr. vertonen de Romeinen zich voor het eerst in onze streken als Caesar door onze zuidelijke gebieden trekt. Archeologische resten daarvan zíjn tot op heden echter nog niet aangetroffen". Waarmee de veronderstelling van Caesars aanwezigheid ondubbelzinnig wordt weerlegd. Immers Caesar trok niet in zijn eentje rond, maar met een gezelschap van verscheiden legioenen en zo'n legioen bestond uit 5000 tot 7000 manschappen. De materiële aanwezigheid van zo'n leger cijfer je niet zomaar weg. Caesar beschrijft hoe zijn militairen een kampement maakten door grachten te graven en palissades op te richten. Er is niets van teruggevonden in Nederland, net zo min als in België. Hieronder geven we enkele voorbeelden van de foutieve manier van interpreteren door de archeologie, die zo de geschiedenis van ons land foutief heeft beïnvloed. |