| Terug naar de lijst | Naar het overzicht in het kort. |
ARCHEObrief is het vakblad voor de Nederlandse Archeologie en een uitgave van de Stichting voor de Nederlandse Archeologie (SNA) en uitgeverij Matrijs. Per jaar verschijnen er 4 nummers.![]() |
Opzienbarende archeologische bevindingen die de visie van Albert Delahaye onweerlegbaar bevestigen. In de opvattingen in de aanwezigheid van de Romeinse legers in Nederland, zijn steeds enkele veronderstellingen gehanteerd, die in de archeologie geen bevestiging vonden. Na intensief en tegenwoordig onderzoek blijken een aantal uitgangspunten foutief. Albert Delahaye heeft er eerder op gewezen in zijn boeken, maar zijn argumenten werden steeds weggewuifd omdat "het in de aanvaarde historische opvattingen niet paste". Een duurzame Romeinse grens, Archeobrief 1, maart 2008, p.29 e.v. De auteurs van dit artikel stellen de traditionele geschiedenis van de Romeinse Limes in een geheel ander daglicht. Zij geven terecht aan dat dit een geheel ander licht kan werpen op de reden voor het ontstaan van deze linie. Het betekent wel dat alle aanwijzingen voor de geschiedenis van de grenszone opnieuw zorgvuldig moeten worden geanalyseerd, wat zij ook als een zeer terechte conclusie vermelden. De auteurs zijn van mening dat:
Deze zeer terechte conclusie staat echter wel haaks op de traditionele opvattingen over de geschiedenis van de Romeinen in ons land, waarbij altijd sprake is geweest van een vanuit Rome verordoneerde doelbewuste geplande aanleg van forten langs de Rijn, volgens een vast patroon en een vaste bouwwijze, de z.g. LIMES GERMANICUS ter bescherming van het Romeinse Rijk tegen invallen van Germaanse stammen. De bevindingen van de betreffende auteurs komen wonderwel overeen met de visie van Albert Delahaye, die ons land steeds als het 'Agri Decumates' van Tacitus beschouwde, waar slecht Romeinse veteranen zich vestigden en waar ook nooit al die Germaanse volkeren zijn binnengevallen en die zich er ook nooit gevestigd hebben, omdat ze er al woonden! Het komt ook overeen met de archeologische vondsten van Romeins in een beperkte strook in het midden van ons land. Waar was het achterland van deze Rijksgrens? Wat viel er te verdedigen tegen de invallen van Germaanse stammen? Waar woonden die Germaanse stammen in ons land? Volgens Byvank en Van Es (zie de verwijzing) woonden er geen Germaanse stammen ten noorden van de Rijngrens. Hun woonplaatsen zijn ook nooit gevonden. Indien men al deze aanwijzingen voor de geschiedenis van de grenszone opnieuw zorgvuldig analyseert, zoals de schrijvers menen dat noodzakelijk is, kan men slechts tot de conclusie komen dat de visie van Albert Delahaye de enig juiste is. Erven testen in Oost-Nederland, Archeobrief 1, maart 2008, p.36 e.v. Uit dit artikel van Roy van Beek e.a. blijkt dat hun opvattingen over de geschiedenis van Oost-Nederland in tegenspraak is met de traditie. Er zijn verrassend nieuwe inzichten vergaard, stellen de auteurs, inzichten die in flagrante tegenspraak zijn met de traditionele geschiedenis in Oost-Nederland, waar men toch steeds het grote volk der Saksen plaatste en prof.dr.D.P.Blok ook zo graag de Franken meende te moeten plaatsen. De auteurs geven aan dat de meeste sporen uit de negende tot de twaalfde eeuw dateren, dus ver na de Saksen of Franken, en dat oudere nederzettingen zeldzaam zijn. Het komt bovendien vrijwel niet voor dat op één archeologische vindplaats een doorlopende bewoningsgeschiedenis is te recontrueren. Er is dus beslist geen bewoningscontinuïteit vanuit de 4e eeuw, wat de traditie zo graag wenst. We lezen in dit artikel dat: Dit kan slecht leiden tot die ene juiste conclusie, dat ook hier Albert Delahaye weer gelijk krijgt, niet van de historici, maar van de archeologen. De auteurs trekken ook zelf de juiste conclusie als ze terecht opmerken dat "alleen door een kritische analyse van archeologische, historische en landschappelijke informatie tot een betrouwbare bewoningsconstructie gekomen kan worden". Die kritische analyse heeft Albert Delahaye reeds gegeven, een betrouwbare bewoningsconstructie eveneens. Zie de opkomst van Nederland. Mummie van Thorn is niet Quanjel, Archeobrief 1, maart 2008, p.42 e.v. Volgens een oude traditie zou de arm in Thorn een lichaamsdeel van de heilige Benedictus zijn. C-14 onderzoek maakt dit niet alleen onwaarschijnlijk, de wonderen zijn de wereld uit, maar zelfs volstrekt onmogelijk. De arm is nu gedateerd op 1060, terwijl Benedictus zes eeuwen eerder leefde. Hoe aan Middeleeuwse legende door middel van moderne technieken een einde komt. Merovingische pottenbakkersovens, Archeobrief 1, maart 2008, p.5 en 6. De bevindingen van de auteurs dat Merovingische pottenbakkersovens een zeldzaam fenomeen zijn in onze contreien, staan haaks op de traditie en bevestigen de visie van Albert Delahaye onmiskenbaar. Zonder Merovingische bewoning is er ook geen Karolingische geweest. Van beide perioden is ons land niets terug te vinden van wat er volgens de traditie wel geweest had moeten zijn. Leven en sterven langs de Limes, Archeobrief 4, december 2006, p.12 e.v. In het artikel "Leven en Sterven langs de Limes" van Liesbeth Smits is het onderzoek naar grafvondsten beschreven. Het betreft onderzoek in crematieresten in vier Romeinse grafvelden te Valkenburg, Nijmegen, Moers en Krefeld. Conclusie van de auteur: Er is geen overschot aan verwachte weerbare jonge mannen in de grafpopulaties in de eerste eeuw, hoewel dit wel verwacht werd. De samenstelling van de grafveldpopulaties laat voor beide eeuwen (eerste en tweede eeuw) slechts accentverschillen zien en wijst op de burgerlijke bevolking uit de nederzettingen. Er bestond in de eerste eeuw geen overschot aan mannen in de weerbare leeftijd, de kindersterfte was hoog en de meeste volwassenen stierven tussen de twintig en veertig jaar oud. Het crematieonderzoek heeft informatie opgeleverd over het geslacht en de leeftijd van de hier begraven individuen en daarmee is een beeld ontstaan over de samenstelling van de grafveldpopulaties. De associatie van mannen, vrouwen en kinderen met verschillende graftypen toont dat in deze grafvelden voornamelijk de stoffelijke resten van de burgerlijke bevolking bijgezet werden en dat groepen militairen niet herkenbaar zijn aan de wijze van begraven, noch aan een overschot van jonge mannen in de populaties. Wel komen sommige graftypen vooral voor tijdens de aanwezigheid in het grensgebied van specifieke militaire eenheden uit verschillende delen van het Romeinse Rijk. Dit vormt een aanwijzing voor de overname van ideeën ten aanzien van de dodenbehandeling door de lokale bevolking en daarmee voor de integratie van de verschillende burgerlijke en militaire groepen in de samenleving. Het fysisch- antropologisch onderzoek van de grafveldpopulaties heeft in samenhang met de archeologische en historische context geleid tot een reconstructie van de bevolkingssamenstelling in het grensgebied gedurende de vroeg- en midden-Romeinse tijd, met inheemse groepen naast burgers en militairen uit onder andere Gallië en het Balkangebied. Conclusie: de grafvondsten bevestigen geenszins de overvloedig aanwezigheid van Romeinse soldaten, maar komen overeen met hetgeen Albert Delahaye altijd stelde: de Romeinse aanwezigheid in Nederland was er een van verkenning en vestiging van oud-legionairs op zoek naar eigen grond. Deze conclusie sluit feilloos aan bij de bevindingen in het artikel "Een duurzame Romeinse grens" (zie hierboven), waaruit geenszins een overvloedige aanwezigheid van Romeinse legioenen blijkt. |