Krankzinnigenwet
Tekst van de wet
Wij Willem drie, bij de gratie Gods, koning der Nederlanden, prins van
Oranje Nassau, groothertog van Luxemburg, enzovoort enzovoort enzovoort.
Allen, die deze zullen dien of horen, lezen, saluut! Doen te weten:
Alzoo wij in
overweging genomen hebben dat het noodzakelijk is, met intrekking van de wet
van 29 mei 1841 bepalingen vast te stellen betreffende het Staatstoezicht op
krankzinnigen;
Zoo is het, dat Wij,
den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goed gevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Staatstoezicht op krankzinnigen en
krankzinnigengestichten
Artikel 1. Het
Staatstoezicht op Krankzinnigen en krankzinnigengestichten wordt, volgens de
bepalingen dezer wet en krachtens haar door Ons en van Onzentwegen te geven
voorschriften, uitgeoefend door ten minste twee door Ons te benoemen
inspecteurs, onverminderd hetgeen bij deze wet en andere wettelijke bepalingen
aan de rechterlijke en geneeskundige ambtenaren en burgemeesters is opgedragen.
Dezen inspecteurs
oefenen gene geneeskundige praktijk uit en bekleeden zonder Onze toestemming geene andere bediening.
Artikel 2. Het
Staatstoezicht strekt zich uit over alle krankzinnigen, met uitzondering van hen
die, zonder van hun vrijheid te zijn beroofd, in hun eigen woning of in die
hunner ouders of echtgenooten worden verpleegd.
Onverminderd het
toezicht dat op krankzinnigengestichten in verband met hunnen oorsprong volgens
de bestaande voorschriften wordt uitgeoefend door provinciale en plaatselijke
besturen, zijn alle krankzinnigengestichten aan het Staatstoezicht onderworpen.
Artikel 3. Hij die een krankzinnige verpleegt over wien
het Staatstoezicht zich uitstrekt, is gehouden hiervan aangifte te doen aan den
burgemeester der gemeente van zijn werkelijk verblijf binnen tweemaal 24 uren
na den aanvang dier verpleging.
Binnen gelijk
tijdsverloop geeft de burgemeester van deze aangifte kennis aan den Officier
van Justitie en aan een dier inspecteurs.
Artikel 4. Zij aan wie het Staatstoezicht is
opgedragen, zijn bevoegd de woningen binnen te treden waar krankzinnigen
verpleegd worden, omtrent wie de in artikel 3 vermelde aangiften is gedaan of
wier verplegers wegens gemis van aangifte krachtens artikel 38 No. 1. zijn veroordeeld.
Zij treden de woning eens
ingezetene tegen den wil des bewoners niet binnen dan voorzien van een
schriftenlijken last van den burgemeester of van den kantonrechter, hetzij van
het hoofd of een der leden van het gemeentebestuur, hetzij van een commissaris
der politie.
Van dit binnentreden en van de redenen, die daartoe geleid hebben, wordt
door hem, die daarbij krachtens de bepaling van het voorgaande lid tegenwoordig
was binnen tweemaal 24uur een procesverbaal opgemaakt, het welk melding maakt
van den schriftelijken last des burgemeesters
of des kantonrechters en aan de ingezetene wiens woning is binnen
getreden een afschrift wordt medegedeeld.
In de Krankzinnigenwet wordt te allen tijden vrije toegang verleend aan de
inspecteurs en aan de Officier van Justitie.
Zij, die een
krankzinnige verplegen over wien het Staatstoezicht zich uitstrekt of die een
krankzinnigengesticht besturen, alsmede de daaraan verbonden geneeskundigen geven aan de genoemde
ambtenaren de door hen verlangde inlichtingen
Van elke toepassing
van een dwangmiddel van een verpleegde in een krankzinnigengestichten wordt
dagelijks aantekening gehouden in een register naar een door ons vast te
stellen model. Dit register wordt dan
aan elken inspecteur die daarom verlangt voorgelegd.
Artikel 5. De inspecteur,
bevindende dat een krankzinnige buiten een krankzinnigengestichten verwaarloosd
wordt, geeft daarvan onverwijld kennis aan den Officier van Justitie naar eene
vergeefsche poging om verbetering in de behandeling van den krankzinnige te
verkrijgen.
Artikel 6. Onverminderd den
hun ingevolge artikel 4, zoo dikwijls dit noodig is, te verleenen toegang,
bezoeken de officieren van justitie onbepaalde tijden, ten minste eenmaal in de
drie maanden, de gestichtenn in hun arrondissement, om zich te verzekeren dat
niemand wederrechtelijk daarin geplaatst of teruggehouden wordt en dat de
verpleegden behoorlijk worden behandeld.
De besturen der
gestichten zenden aan de officieren van justitie in het arrondissement, waarin
het gesticht gelegen is, en in dat, waarin de machtiging tot verpleging is
gegeven, binnen 24 uren eene schriftelijke kennisgeving van elke opneming,
verplaatsing, verlof van langeren duur dan vier weken, ontslag en overlijden
van een verpleegde, met vermelding van de redenen van de verplaatsing, het
verlof of het ontslag en met opgave van den persoon die de aanvraag daartoe
mocht hebben gedaan.
Artikel 7. tot oprichting
van 2 ° gesticht voor krankzinnigen wordt Onze vergunning vereischt.
Met uitzondering:
1 °. Van woningen kwamen waarin drie
krankzinnigen worden verpleegd overeenkomstig artikel 35 a dezer wet, en
2 °. Van door Ons aan te wijzen inrichtingen en
woningen of gedeelten van inrichtingen en woningen, staande onder openbaar
bestuur dan wel onder bestuur van ene instelling van weldadigheid in den zin
der Rompwet Instellingen van weldadigheid, vereniging met volledige
rechtsbevoegdheid of stichting,
worden als gestichten
beschouwd alle woningen, waarin iemand meer dan twee krankzinnigen, die niet
tot zijn gezin behoren, verpleegt.
Bij de aanwijzing,
bedoeld bedoeld onder 2 °. van het
vorige lid, worden de voorwaarden gesteld, waaraan moet worden voldaan.
De aanwijzing wordt
door Ons ingetrokken, wanneer de voorwaarden niet worden nageleefd.
De gestichten zijn
uitsluitend tot verpleging van krankzinnigen bestemd.
Artikel 8. Geene vergunning
oprichting van een krankzinnigengestichten wordt verleend tenzij behoorlijk
voldaan is aan de volgende vereischten:
1 °. eene ruime, gezonde gelegen woning, met
voldoende gelegenheid tot beweging in de openlucht;
2 °. afscheiding der seksen, behalve bij kinderen
beneden de tien jaren een,
3 °. voldoende gelegenheid tot afzondering naar
den aard en het getal der krankzinnigen;
4 °. voldoende voorzieningen in den
geneeskundigen dienst en in den huisdienst naar den aard en het getal der
krankzinnigen, met dien verstande dat door Ons voor elk gesticht na verhoor van
het bestuur en na ingewonnen advies van Gedeputeerde Staten, het maximum waar haalt
wordt van het getal verpleegden en het minimum van het aantal geneeskundigen.
Elke weigering van
vergunning is met redenen omkleed.
Artikel 9. indien een gesticht voor krankzinnigen niet meer aan de
vereischten bij deze wet of bij de krachtens haar uitgevaardigde besluiten
gesteld voldoet, en indien na een door Onzen Minister van Sociale Zaken en
volksgezondheid gestelden termijn de onvoldoende toestand voortduurt, kan de
vergunning door Ons ingetrokken en het gesticht, het bestuur en Gedeputeerde
Staten gehoord, op Onzen last opgesloten worden.
Ons besluit tot
sluiting van een gesticht wordt met redenen omkleed en in een Staatscourant geplaatst. Van dat besluit wordt kennis gegeven aan hen
, voor wier rekening of te wier verzoeke de krankzinnigen in het gesticht
geplaatst zijn.
Bij sluiting van een
gesticht worden de daarin verpleegdn krankzinnigen door hen, voor wier rekening
zijn verpleegd worden, binnen een door Ons te stellen termijn naar andere gestichten overgebracht.
Wordt de lijder voor
eigen rekening verpleegd, dan geschiedt die overbrenging door hem die de
aanvraag tot opneming heeft gedaan, of,
is er machtiging tot verlenging van het verblijf, door hem op wiens verzoek de
laatste verlenging is toegestaan.
Bij gebreke van
overbrenging door de zorg van belanghebbenden binnen den gestelden termijn
worden de krankzinnigen op Onzen last naar andere gestichten overgebracht door
de zorg van ambtenaren met het Staatstoezicht belast en ten koste van wien het
aangaat.
Artikel 10. In de verpleging
zoowel van de krankzinnigen, wier onderhoud komt ten laste van het rijk, als
van hen, wier plaatsing in een krankzinnigengestichten door den daartoe
bevoegden rechter in strafzaken, overeenkomstig artikel 37, tweede lid, van het
Wetboek van Strafrecht, worden gelast, wordt voorzien hetzij door inrichting
van één of meer Rijksgestichten hetzij toe overeenkomsten met besturen van
andere gestichten. Bovendien kan in de
verpleging van eerstbedoelde krankzinnigen voorzien door overeenkomsten met
particulieren.
Voor zoover in het
Rijksgesticht of de Rijksgestichten de plaatsruimte dit toelaat, kunnen aldaar
ook behoeftige krankzinnigen voor rekening van gemeentebesturen worden
opgenomen.
De voorwaarden der
opnemen en verpleging worden vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur.
Artikel 11. voor zoover
niet op andere wijze in de behoefte aan gestichten tot opneming van de in eenige provincie wonende of
verblijvende krankzinnigen wordt voorzien, zorgt het bestuur der provincie,
hetzij afzonderlijk hetzij in vereeniging met de besturen van andere
provinciën, voor de oprichting en instandhouding van gestichten voldoende aan
de door deze wet gestelde eischen.
Artikel 12. Ieder
meerderjarig bloedverwant of aangehuwde, in de rechte linie onbepaald, in de
zijlinie tot den derde graad ingesloten, alsmede de echtgenoot, voogd of
curator van een krankzinnige zijn bevoegd om schriftelijk aan den kantonrechter
van de woon -of verblijfplaats des krankzinnigen, machtiginging te verzoeken,
hem voorloopig in een gesticht te doen plaatsen, hetzij dit in het belang der
openbare orde of in dat van den lijder zelven wordt vereisch N document.
Artikel 13. de Officier van
Justitie bij de arrondissementsrechtbank van de woon- of verblijfplaats des
krankzinnigen kan bij onstentenis van de in artikel 12 vermelde personen, is
schriftelijk requisitoir machtiging tot plaatsing in een gesticht verzoeken aan
den president der rechtbank. De
officier een is tot gelijk requisitoir bevoegd, wanneer hij eene der
kennisgevingen ontvangt Bij artikel 5 en artikel 35 e eerste lid, vermeld.
Hij is daartoe
verplicht, wanneer hij de plaatsing van den krankzinnige onder verzekerd
toezicht in het belang der openbare orde of ter voorkoming van ongelukken
noodzakelijk acht of wanneer het hem gebleken is, dat een krankzinnige
verwaarloosd wordt.
Artikel 14. Vervallen
Artikel 15. ieder
meerderjarige die gevoelt dat zijn toestand verpleging in een
krankzinnigengesticht wenselijk maakt, kan zijne plaatsing overeenkomstig
artikel 12 verzoeken.
Artikel 16. Bij de
verzoeken en requisitoiren, bedoeld in de artikelen 12, 13 en 15, moet worden
overlegd in ten hoogste zeven dagen vóór het verzoek of requisitoir opgemaakte,
ondertekende en met reden omkleden verklaring van een zenuwarts, hier te lande
bevoegd om de geneeskunst uit te oefenen, die de patiënt niet onder behandeling
heeft. In bijzondere omstandigheden
kan, onder goedkeuring van de inspecteur in wiens ressort de patient zich
bevindt, een andere arts, hier te lande bevoegd om de geneeskunst uit te
oefenen, die de patiënt niet onder behandeling heeft, de in de vorige zin
bedoelde verklaring afgeven. Uit de
verklaring moet blijken, dat de persoon wiens plaatsing wordt verzocht of
gevorderd, in een toestand van krankzinnigheid
verkeerd en dat zijn verpleging in een krankzinnigengestichten
noodzakelijk of wenselijk is; zo mogelijk moet daarbij tevens met redenen
omkleed worden aangegeven of de toestand van de patiënt het zinloos of uit
medische overwegingen onverantwoord doet zijn, dat deze wordt gehoord door de
rechter, die het verzoek of requisitoir behandelt. Alvorens de verklaringen af te geven pleegt de zenuwarts zo
mogelijk overleg met de huisarts van de patient. Indien de betrokkene minderjarig is, moet tevens worden overlegd
een uittreksel uit het een artikel 244 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek
bedoelde register of een verklaring van de griffier dat ten aanzien van de
minderjarige het register geen gegevens bevat.
Bij de verzoeken
kunnen bovendien omstandigheden vermeld en bescheiden overlegd worden buiten
staat van krankzinnigheid nader blijkt.
Bij algemeenen
maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven ten aanzien van de
verzoek schriften, bedoeld in het eerste lid en in de artikel 22 en 24, en ten aanzien van de geneeskundige
verklaringen, bedoeld in het eerste lid N in de artikel 21, 22 en 24.
Artikel 17. Wanneer de
verklaring van den geneeskundige, hetzij alleen, hetzij in verband met de
vermelde omstandigheden en overlegde bescheiden, het bestaan van
krankzinnigheid en de noodzakelijkheid of wenschelijkheid van de verpleging in
een krankzinnigengesticht aanvankelijk genoegzaam aantoont, of wanneer in het
geval bij artikel 15 vermeld de staat van krankzinnigheid voldoende blijkt, zoo
verleent de kantonrechter, of in het geval bedoeld bij artikel 13 de president
van de arrondissementsrechtbank de verzochte machtiging. De beschikking waarbij de machtiging wordt
verleend, is niet onderworpen maken toezicht een hoger beroep.
Zij kan op het
verzoekschrift of requisitoir gesteld worden en is bij voorraad uitvoerbaar op
de minuut en vóór de registratie.
Alvorens op het
verzoek of de vordering te beschikken hoort de rechter de persoon wiens
plaatsing is verzocht of gevorderd ,tenzij naar zijn oordeel uit de bij het
verzoek of requisitoir overlegde verklaring van een zenuwarts of uit een op
zijn verzoek door de inspecteur opgemaakte verklaring blijkt, dat de toestand
van de patiënt dit zinloos over medische overwegingen onverantwoord doet
zijn. Hij kan om de patiënt op diens
verzoek hetzij ambtshalve een advocaat of procureur toevoegen. De artikelen 48 en 49 wetboek van Straf
vordering zijn van overeenkomstige toepassing.
De rechter doet zich,
voor zoveel mogelijk, voorlichten door:
a. degene, die in gevolge
de artikelen 12 en 13 de machtiging heeft gevraagd of gevorderd;
b. de niet van tafel en bed
gescheiden echtgenoot;
c. de
ouders, indien het in minderjarigen betreft een,
d.
een derde in artikel 12 bedoelde personen die niet de machtiging heeft verzocht
maar die naar het oordeel van de rechter het meest in aanmerking komt om te
worden gehoord, indien het een ongehuwde of van tafel en bed gescheiden
meerderjarige betreft een,
En
bovendien
e.
de curator, de voogd en de gezinsvoogd.
De
rechter is bevoegd getuigen en deskundigen op te roepen om te worden gehoord.
Indien
de rechter dit gewenst oordeelt kan hij degene, die ingevolge, artikel 12 de
machtiging heeft gevraagd, verplichten te verschijnen. Artikel 445 van het Wetboek van Strafrecht
is van overeenkomstige toepassing.
Vindt de
kantonrechter of de president geene voldoende redenen om machtiging tot
plaatsing te verlenen, zoo verklaart hij dit op het verzoekschrift of
requisitoir. De president brengt dit
stuk onverwijld ter kennis van de arrondissementsrechtbank. De kantonrechter zendt het ten spoedigste
onder aangeteekenden omslag aan de rechtbank waaronder zijn rechtsgebied
ressorteert of laat het aldaar tegenbewijs van ontvangst ter griffie afgeven.
De rechtbank beslist in het hoogste ressort volgens de
voorschriften van dit artikel.
De
machtiging van den kantonrechter, van den president of van de rechtbank wordt,
evenals verdere beschikkingen der rechtbank krachtens deze wet niet beteekend
aan den persoon wiens plaatsing is verzocht.
Zij kan na veertien dagen sedert hare dagtekening niet meer ten uitvoer
worden gelegd.
Artikel 18. Op neming van een krankzinnige in een gesticht geschiedt tegen
overlegging van eene expeditie der machtiging tot plaatsing of, indien de
uitvoering gelast is op de minuut, op vertoon van die minuut, waarvan dan in
afwachting van de expeditie, ten spoedigste te door den griffier op te zenden,
onmiddellijk in het gesticht een afschrift of uittreksel worden genomen een
Een afschrift van de geneeskundige verklaring, bedoeld
bij het eerste lid van artikel 16, wordt door den griffier onverwijld na het
verleenen der machtiging toegezonden aan den geneeskundige van het
gesticht. Aan dezen, alsmede aan den
geneeskundige verbonden aan het gesticht en met de behandeling van den
opgenomene belast, wordt op verzoek gelegenheid gegeven kennis te nemen ook van
de verdere bescheiden, welke den rechter tot voorlichting hebben gediend.
Opneming mag niet plaatshebben in een gesticht waaraan
degenen die de een artikel 16, eerste lid, bedoelde verklaring heeft gegeven,
verbonden is.
Ingeval
de rechter oordelende in strafzaken, met toepassing van het tweede lid van
artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, heeft bevolen, dat iemand in een
krankzinnigengestichten zal worden geplaatst, geschiedt de opneming van
zoodanigen persoon tegen overlegging van een uittreksel uit de onherroepelijk
geworden uitspraak, die de plaatsing beveelt.
Dit
uittreksel en de expeditie van de in het eerste lid en in de artikel 23, 24,
29, 30, 31 en 31a bedoelde rechterlijke beschikkingen, moeten aan het bestuur
van het gesticht worden overlegd; zij worden vermeld in enbewaard bij een
register, ingericht naar een daarvan door ons Vast te stellen model tent
Dit
register wordt aan de inspecteurs en aan den Officier van Justitie voorgelegd,
zo dikwijls zij dit verlangen.
Artikel 19.
Bij elke plaatsing van
een krankzinnige in een gesticht T.G.V.
eene machtiging van den kantonrechter of of door het Openbaar Ministerie
genomen requisitoir geeft in het eerste geval de kantonrechter, in het tweede
geval de Officier van Justitie daarvan onverwijld kennis aan den burgemeester
der laatste woon of verblijfplaats des krankzinnigen.
De burgemeester deelt
die kennisgeving onverwijld mede aan de naaste bloedverwanten of aangehuwden,
of aan den echtgenoot, voogd of curator van den krankzinnige.
Artikel 20. Gedurende de
eerste veertien dagen na iemands opneming houdt de geneeskundige van het
gesticht of, wanneer meer geneeskundige daarin werkzaam zijn, die der afdeling
waarin de opgenomene geplaatst is, dagelijks in een daartoe bestemd register,
aanteekening van zijne bevinding.
Van deze aanteeeningen
wordt aan de inspecteurs op hun verlangen inzage gegeven.
Na den afloop der
eerste veertien dagen geschiedt gelijke aanteekening gedurende een half jaar,
minstens wekelijks, en daarna minstens maandelijks.
Artikel 21. Binnen twee weken na den dag der opneming
wordt aan den Officier van Justitie bij de rechtbank van het arrondissement,
waarin het gesticht gelegen is, en aan den door onze minister van Sociale Zaken
en Volksgezondheid aangewezen inspecteur gezonden ene met redenen omkleede verklaring van den geneeskundige,
verbonden aan het gesticht en met de behandeling van den opgenomene belast,
omtrent diens geestestoestand en de noodzakelijkheid of wenselijkheid van zijne
verdere verpleging in een k.rankzinnigengesticht.
Artikel 22. Binnen zes maanden na de ingevolge artikel
17 verleende machtiging wordt een afschrift van de in artikel twee naam
bedoelde aanteekeningen met een nader verzoekschrift of requisitoir om den
opgenomene gedurende een bepaalden tijd, die van een jaar niet te boven gaande,
in een krankzinnigengesticht te doen verblijven, overgelegd aan de rechtbank
van het arrondissement waarin het gesticht gelegen is.
Bij het verzoekschrift
over requisitoir wordt overgelegd eene met redenen omkleede verklaring van den
geneeskundige, verbonden aan het gesticht en met de behandeling van den
opgenomene belast, omtrent de noodzakelijkheid of wenscheli van eene verdere
verpleging in een krankzinnigengesticht.
Voor de indiening van het verzoekschrift is de tusschenkomst van een
procureur niet vereischt.
Artikel 23. over het verzoek of requisitoir kan, na
verhoor van het Openbaar Ministerie, door de rechtbank worden beschikt op de
een artikel 22 vermelden stukken
De rechtbank kan
echter nader bewijs door getuigen of andere middelen gelasten en zelfs het
verhoor van den verpleegde bevelen.
Wordt het verhoor van den verpleegde bevolen, dan geschiedt dit in het
gesticht, al of niet in tegenwoordigheid van een der daaraan verbonden
geneeskundigen.
Hangende het onderzoek
der rechtbank, blijft de verpleegde in het gesticht.
De rechtbank kan het
verhoor opdragen aan een daartoe door haar te benoemen rechter - commissaris of
aan den kantonrechter in wiens ressort het gesticht gelegen is.
Bij gelegenheid van
het verhoor den verpleegde kunnen tevens de geneeskundige en andere personen, die zich in het gesticht
de vinden, als getuigen worden gehoord zonder voorafgaande oproepening of
schadeloosstelling. De rechtbank kan
zich door een of meer deskundigen doen voorlichten. Dezen deskundigen wordt gelegenheid tot observatie verleend.
De beschikking der
rechtbank wordt gesteld op het verzoekschrift of requisitoir. Zij is van geen hoger beroep onderworpen en
uitvoerbaar bij voorraad.
Zijn wordt niet uitgesproken, noch aan den verpleegde beteekend.
Artikel 24. Ten hoogste veertien en ten minste acht
dagen vóór het verstrijken van den tijd waarvoor de rechtbank iemands verblijf
in een krankzinnigengesticht heeft vergund.
Kan aan haar een nader verzoekschrift of requisitoir worden ingediend
tot verlenging van die tijd met ten hoogste één jaar.
De Officier van
Justitie neemt, zoo daartoe termen zijn, eentje lijk requisitoir bij de
rechtbank binnen wier ressort iemand zich krachtens artikel 37, tweede lid, van
het Wetboek van Strafrecht in een krankzinnigen gesticht bevindt, veertien
dagen vóór het verstrijken van een jaar, nadat die persoon aldaar ter
uitvoering van een bevel van den strafrechter is opgenomen.
Bij het verzoekschrift
of requisitoir worden overlegd de aanteekeningen van den geneeskundige bij artikel 20 bedoeld, sedert de vorige
machtiging, alsmede eene geneeskundige verklaring als bedoeld bij artikel 22, alinea
2, en daarop wordt beschikt met inachtneming van de in artikel 23 gegeven
voorschriften. Voor de indiening van
het verzoekschrift is tussenkomst van een procureur niet vereischt.
Telkens bij het
verstrekken van den termijn der laatste verleende machtiging kan op gelijke
wijze eene nieuwe machtiging worden verleend voor ten hoogste één jaar.
De verpleegde ten
wiens aanzien machtiging tot verlengd verblijf in een gesticht is verzocht,
blijft daarin, hangende het onderzoek der rechtbank.
De beschikkingen uit
kracht van dit artikel gegeven zijn niet onderworpen aan hoger beroep en is
uitvoerbaar bij voorraad.
Artikel 25. De krankzinnige die krachtens machtiging van
den kantonrechter, van den president, van den strafrechter of van de
arrondissementsrechtbank in een gesticht is opgenomen, kan zonder nadere
machtiging naar een ander gesticht worden overgebracht binnen den termijn bij
de laatste verleende machtiging gesteld.
In dat geval worden de
hem betreffende stukken bij zijne overbrenging door het bestuur van het eene
gesticht aan dat van het andere toegezonden.
Artikel 26. Wie iemand die
hier te lande woon-of verblijfplaats heeft op binnen de laatste zes maanden
gehad heeft, in ene buitenlandse inrichting voor krankzinnigen doet opnemen, is
verplicht binnen acht dagen daarvan bericht te zenden aan den Officier van
Justitie bij de rechtbank van het arrondissement waarin de laatste woon-of
verblijfplaats hier te lande van den in de inrichting opgenomen persoon gelegen
is.
Bij het bericht is gevolgd eene uiterlijk drie weken vóór de opneming
afgegeven, onderteekenden en met redenen omkleede verklaring van een ter
plaatse bevoegd geneeskundige, waaruit blijkt dat de opneming wenschelijk was.
Artikel 27. Aan ieder, die in een gesticht is opgenomen,
verlof om het voor een bepaalden tijd te verlaten verleend worden door den
geneeskundige of, zoo er meer zijn, voor den eersten geneeskundige van het
gesticht, naar overleg met dengeen op wiens verzoek de opneming geschiedt of het verblijf in het gesticht
het laatst verlengd is, dan wel, indien de verpleging geschiedt krachtens
artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, met toestemming van den
Officier van Justitie. Ingeval de
verpleegde onder ouderlijke macht, voogdij, of curatele staat, is bovendien de
toestemming van den ouder, die deze macht uitoefent, van den voogd of van den
curator noodig.
Het ingaan van het
verlof en de terugkeer in het gesticht worden op het een artikel 18 vermelde
register aangeteekend.
Artikel 28. Op schriftelijke verklaring van den
geneeskundige of, zoo er meer zijn, van den eersten geneeskundige van het
gesticht, dat de verpleegde geene blijken van krankzinnigheid heeft gegeven, of
dat zijne verpleging in een gesticht niet langer noodzakelijk of wenschelijk is,
wordt door het bestuur van het gesticht ontslag verleend.
Elk ontslag, ingevolge dit of een derde volgende artikelen, wordt op het
een artikel 18 vermelde register aangetekend.
De terugkeer in de maatschappij wordt, voor zooveel nodig, door het
bestuur geregeld in overleg met hem op wiens aanvraag de opneming geschied of
het verblijf in het gesticht het laatst verlengd is, of, bij onstentenis van
dezen, met iemand dergenen die bevoegd waren de opneming te vragen; Bij gebreke
hunner medewerking geschiedt het overleg met eene vereeniging, welke zich met
de nazorg belast, dan wel met den burgemeester van de laatste woon-of
verblijfplaats des verpleegden, en zoo die woon-of verblijfplaats niet bekend
is, met den burgemeester der gemeente waar het
gesticht gelegen is. Bij het
ontslag van hen, die op eigen verzoek in het gesticht zijn opgenomen, wordt het
in den vorigen zin vermeld overleg niet vereischt.
Artikel 29. Zowel ieder
keer ingevolge artikel 12 tot het verzoeken van machtiging bevoegde personen
als de verpleegde zelf kan schriftelijk aan het bestuur het ontslag verzoeken.
Het bestuur vraagt
onmiddellijk advies van den geneeskundige of, zoo er meer zijn, van de eersten
geneeskundige van het gesticht. Het
advies, ten spoedigste uit te brengen, is schriftelijk en met redenen
omkleed. Luidt het toewijzend, dan
wordt het ontslag verleend. Luidt het
niet toewijzend, dan zendt het bestuur het verzoek met het advies onmiddellijk
aan de Officier van Justitie Bij de rechtbank in wier ressort het gesticht
gelegen is. De officier vraagt de
beslissing der rechtbank.
De officier behoeft de
beslissing der rechtbank niet te vragen, indien het verzoek klaarblijkelijk
niet voor inwilliging vatbaar is, een vroeger verzoek nog in behandeling is,
dan wel de rechtbank binnen de termijn der laatsten machtiging een verzoek
reeds heeft afgewezen en sedert die afwijzing de omstandigheden zich niet
hebben gewijzigd. Met goedvinden van den officier kan, in gevallen als hier
bedoeld, ook het bestuur van het gesticht een verzoek om ontslag buiten
behandeling laten.
De rechtbank, den
Officier van Justitie een woord, in het hoogste de soort rechtdoende, beveelt
het ontslag of verwijst het verzoek af.
Bij de regeling van
den terugkeer in de maatschappij verleent de Officier van Justitie voor zoveel
noodig zijne medewerking.
De rechtbank kan,
alvorens te beslissen, een nader onderzoek de vele. Het tweede, derde, vijfde en zesde lid van artikel 23 zijn
daarbij van toepassing. De rechtbank
kan zich door een of meer deskundigen doen voorlichter. Zoolang de rechtbank beraadslaagt, wordt het
ontslag niet verleend.
Den benoemden
deskundigen Word gelegenheid tot observatie gegeven. De president Der rechtbank kan, op verlangen van de deskundigen,
toestaan dat de observatie, onder de door hem te stellen voorwaarden, buiten
het gesticht plaats vindt, toch alleen op den grond dat zulks voor eene
behoorlijke observatie volstrekt noodzakelijk is.
Artikel 30. De Officier van
Justitie bij de rechtbank in wier ressort het gesticht gelegen is, van oordeel,
dat een verpleegde niet langer in het gesticht behoort te blijven, kan diens
ontslag bevelen, zoo de geneeskundige of, zoo er meer zijn de eerste
geneeskundige van het gesticht daarmee instemt blijkens schriftelijke met
redenen omkleed advies.
Bij gemis van die
instemming kan de officieren onder overlegging der stukken, de beslissing der
rechtbank vragen.
De Officier van
Justitie kan eveneens de beslissing der rechtbank vragen, wanneer hij twijfelt
of een verpleegde wel langer in het gestegen behoort te blijven. Hij is daartoe verplicht, wanneer de
inspecteur hem zulks verzoekt. De
officier vraagt ook in deze gevallen vooraf het met redenen omkleed advies van
den in het eerste lid bedoelden geneeskundige en legt dit, indien het tijdig wordt
ontvangen, ander rechtbank over.
De rechtbank, den
Officier van Justitie gehoord, in het hoogste ressort rechtdoende, beveelt het
ontslag of weigert het. De laatste drie
leden van artikel 29 zijn van toepassing.
Bevindt de officier,
dat een verpleegde in een krankzinnigengestichten op onwettige wijze is
opgenomen of gehouden, zoo beveelt hij diens onmiddellijk ontslag, tenzij dit
niet zonder gevaar voor stoornis van de openbare orde of voor ongelukken kan
geschieden, in welk geval hij, in de in artikel 24 omschreven vormen, de
machtiging der rechtbank tot verdere verblijf in het gesticht requireert.
Artikel 31. Wanneer de
termijn in het eerste lid van artikel 22 gesteld, of die voor welken de plaatsing krachtens deze wet is
verleend, verstreken is, geeft het bestuur van het gesticht binnen acht dagen
hiervan kennis aan den Officier van Justitie in wiens ressort het gesticht
gelegen is.
De officier beveelt
onmiddellijk na ontvangst dier kennisgeving, of nadat hem op andere wijze van
het verstrijken van den bedoelden termijn blijkt, indien geen nader verzoek aan
de rechtbank is ingediend, het ontslag, hetzij in dit niet zonder gevaar voor
stoornis van de openbare orde of voor ongelukken kan geschieden.
Zoo het bestaan van
dat gevaar blijkt uit ene met redenen omkleede verklaring van den
geneeskundige, of zo er meer zijn, van den eersten geneeskundige van het
gesticht,requireert de officier, in de in artikel 24 omschreven vormen, de
machtiging der rechtbank tot verder verblijf in een gesticht.
Artikel 31a. Het bestuur van het gesticht kan niet
rauwelijks tot ontslag overgaan op den grond, dat de overeenkomst, krachtens
welke de lijder in het gesticht is opgenomen, niet wordt nageleefd en de
schuldenaar zonder gevolg is in gebreke gesteld om te betalen. Het vraagt eerst het schriftelijk met
redenen omkleed advies van den in het vorige artikel bedoelden
geneeskundige. Houdt dit advies niet
in, dat het ontslag kan geschieden, dan zendt het bestuur de stukken aan den
Officier van Justitie, in dat artikel genoemd.
Deze vraagt de beslissing der rechtbank, den Officier van Justitie
gehoord, in het hoogste ressort rechtdoende, staat het ontslag toe of weigert
het. Daarbij kunnen de laatste drie
leden van artikel 29 worden toegepast.
Artikel 32. Ieder
meerderjarige die de zake van krankzinnigheid in een gesticht is geplaatst,
verliest het beheer over zijne goederen en over die van anderen, indien hem dit
mocht zijn opgedragen.
Op de verbintenissen
door hem aangegaan is artikel 1367 van het Burgerlijk Wetboek toepasselijk.
Is voor hem met
toepassing van het volgende artikel een bewindvoerder benoemd, dan is artikel
381, derde en vierde lid van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 33. Indien het
noodzakelijk of wenschelijk is, om in het geheel of gedeeltelijk beheer der
goederen van een verpleegde in een krankzinnigengesticht of in de waarneming
zijner belangen in elk opzicht ook te voorzien, wordt eene provisioneele
bewindvoerder benoemd door de rechtbank van het arrondissement zijner laatste
woon-of verblijfplaats, en bij gebreke van woon-of verblijfplaats hier te
lande, door die van het arrondissement waarin het gesticht gelegen is.
Die benoeming
geschiedt op verzoek van hen die bevoegd zijn werk opneming in het gesticht te
vragen of van andere belanghebbenden, of op requisitoir van het Openbaar
Ministerie - al dan niet daartoe aangezocht door den geneeskundige van het
gesticht koppelt hetwelk overigens altijd moet worden gehoord.
De vrouw kan tot
provisioneele bewindvoerster voor haren man benoemd worden.
De bewindvoerder kan
geene andere daden dan van zuiver de heer verrichten tenzij op machtiging des
kantonrechters. Die machtiging wordt
alleen verleend om gewichtige redenen en na verhoor of behoorlijke oproeping
der vier naaste bloedverwanten of aangehuwden en van den echtgenoot, zoo zij er
zijn.
De bepalingen van
artikel 2 en 4 der wet van 18 april 1874, zijn op deze machtiging des
kantonrechters van toepassing, behoudens de een plaats genoemd artikel voorkomende
bepaling omtrent de vacatiën der kantonrechter, welke vervallen is door artikel
3 der wet van 9 april 1877.
De bevoegdheid panden
provisioneelen bewindvoerder houdt op wanneer de verpleegde uit het gesticht is
ontslagen alsmede wanneer een curator over hem is aangesteld, en de
provisioneel e bewindvoerder op prettige wijze van dit een of ander in kennis
is gesteld.
Artikel 34. Vervallen
Artikel 35. Van de benoeming van provisioneele
bewindvoerders, van de verleende onder curateelestelling en van de benoeming
van de curators en toeziende curators wordt binnen drie dagen na de dagtekening
der stukken waar zij plaatshebben, door de griffiers der
arrondissements-rechtbanken en de kantongerechten bij brief kennis gegeven aan
het bestuur van het gesticht waarin de krankzinnige wordt verpleegd.
Die brief wordt bij
het in artikel 18 vermeld register bewaard, nadat daarin van den zakelijken
inhoud aantekeening is gehouden.
Artikel 35a. Eene woning, waarin
ten hoogste drie krankzinnigen, in aansluiting aan de verpleging in een
krankzinnigengesticht, krachtens overeenkomst met, en onder
verantwoordelijkheid van het bestuur van dat gesticht, ook wat ook wat de
geneeskundige verzorging betreft, worden verpleegd met inachtneming van de
bepalingen bij algemeenen maatregel van bestuur vast te stellen, wordt ten
opzichte van die krankzinnigen, voor toepassing de artikelen 10, 12, tot en met
25, 27-35 en 36-42 van deze wet, beschouwd als deel van dat
krankzinnigengesticht.
Artikel 35b. Indien ten
aanzien van iemand een ernstig vermoeden bestaat, dat hij ten gevolge van
krankzinnigheid een zo onmiddellijk dreigend gevaar oplevert voor zichzelf,
voor anderen of voor de openbare orde, dat een beschikking, als bedoeld in
artikel 17, eerste lid, niet kan worden afgewacht, is de burgemeester van de
gemeente waar hij zich bevindt bevoegd, hem in bewaring te stellen ten einde
dat gevaar af te wenden.
Artikel 35c. De
burgemeester vraagt vooraf van een zenuwarts of zo dat niet mogelijk is, van
een andere arts, hier te lande bevoegd om de geneeskunst uit te oefenen, een
verklaring dat het in artikel 35b, eerste lid, bedoelde ernstig vermoeden ten
aanzien van de patiënt bestaat. De
burgemeester richt zich niet tot de arts, die de patiënt onder behandeling
heeft, of tot diens huisarts tenzij de omstandigheden dit noodzakelijk
maken. De arts, die de verklaring
afgeven heeft,,licht pleegt zo vroeg mogelijk
overleg met de huisarts van de patiënt.
Zo mogelijk moet in de verklaring tevens worden aangegeven of de
toestand van de patiënt het zinloos of op medische gronden onverantwoord doet
zijn dat deze wordt gehoord door de rechter, die beslist of de in
bewaringstelling moet worden voortgezet.
De in het voorgaande
lid bedoelde verklaring wordt schriftelijk gegeven, overeenkomstig een door Ons
vast te stellen model. Indien, in
verband met de toestand waarin de patiënt verkeert, de tijd daarvoor ontbreekt,
kan mondeling of telefonisch een schriftelijke verklaring worden gegeven. Een schriftelijke bevestiging,
overeenkomstig het in de voorgaande zin bedoelde model, wordt zo spoedig
mogelijk daarna aan de burgemeester gezonden.
Van de in bewaringstelling maakt de burgemeester zo spoedig mogelijk een
door hem ondertekende verklaring op, overeenkomstig een door Ons vast te
stellen model. Deze verklaring wordt
met de in het voorgaande lid bedoelde geneeskundige verklaring, in het
gemeentehuis bewaard. De verklaring van
de burgemeester vermeld in ieder geval de naam van de in bewaring gestelde en
de plaats waar deze zich bevindt, een aanduiding van het gevaar, bedoeld in
artikel 35b, eerste lid, de naam van degene door wie de daarbij gevolgde
geneeskundige verklaring is afgegeven alsmede de datum en het uur waarop tot de
in bewaringstelling is besloten.
Op de in het vorige
lid bedoelde verklaring houdt de burgemeester telkens zo spoedig mogelijk
aantekening van hetgeen er uitvoering van de artikelen 35d, 35e, 35f en 35j,
derde lid is geschiedt.
Het derde lid is van
overeenkomstige toepassing wanneer de beschikking tot in bewaringstelling niet
is ten uitvoer gelegd.
Artikel 35d. De in bewaring
gestelde binnen vierentwintig uur na het besluit tot inbewaringstelling door de
zorg van de burgemeester opgenomen in een gesticht of inrichting als bedoeld in
artikel 7.
Is de opneming
overeenkomstig het eerste lid niet aanstonds mogelijk, dan doet de
burgemeester, in overleg met de inspecteur in wiens ressort, de
inbewaringstelling plaats heeft, binnen dezelfde termijn de in bewaring
gestelde voorlopig opnemen in een algemeen ziekenhuis. In dat geval wordt hij door de zorg van de
burgemeester, in overleg met de inspecteur, zodra dit mogelijk is, overgebracht
naar een gesticht of inlichting als bedoeld in het eerste lid.
Is de in bewaring
gestelde niet binnen vierentwintig uur overeenkomstig het eerste of het tweede
lid opgenomen, dan draagt de burgemeester
zorg dat onverwijld Onze minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
dan wel een door deze aangewezen ambtenaar, telefonische of mondeling hiervan
op de hoogte wordt gesteld. Hetzelfde
doet de burgemeester, indien de in bewaring gesteld en na opneming
overeenkomstig het tweede lid niet binnen de vijf dagen is overgebracht naar
een gesticht of inrichting als het bedoeld in het eerste lid.
Artikel 35e. De
burgemeester draagt zorg dat onverwijld de inspecteur en de Officier van
Justitie, hoofd van het arrondissementsparket, binnen wier ressort zich de in
bewaring gestelde bevindt, van de inbewaringstelling telefonisch of mondeling
op de hoogte worden gesteld.
Zo spoedig mogelijk na
de inbewaringstelling ¢ de burgemeester aan de in het eerste lid bedoelde
functionarissen een afschrift van de in artikel 35c, tweede en derde lid,
bedoelde verklaringen. Indien de in
bewaring gesteldde zich op het tijdstip der verzending van deze afschriften in
het ressort van een andere Officier van Justitie bevindt dam op het tijdstip
van de telefonische of mondelinge mededeling, worden deze in afschriften
toegezonden aan inspecteur en aan die Officier van Justitie.
Indien na het tijdstip
der verzending van de in het vorige lid bedoelde afschrift de in bewaring
gesteldE de naar een andere plaats is overgebracht, geeft de burgemeester zo
spoedig mogelijk na die overplaatsing daarvan kennis aan een, wien ingevolge
het tweede lid, bedoeld in artikel
35c, tweede en derde lid, een afschrift zijn toegezonden. Bevindt de in bewaring gesteld de zich na de
overplaatsing in het ressort van een andere inspecteur of van een andere
Officier van Justitie, dan zendt de burgemeester ook an deze functionarissen
afschriften van de in tweede lid bedoelde verklaringen.
Bovendien geeft de
burgemeester zo spoedig mogelijk- kennis van de plaats, waar de in bewaring
gestelde zich bevindt:
a. aan de niet van tafel en bed gescheiden
echtgenoot;
b. Aan de ouders, indien het een minderjarige
betreft;
C aan degene doping de
betrokkenen voor de in bewaringstelling werd verzorgd en, zo deze niet is een
bloedverwanten of aan gehuwden, tevens aan de naasten de bekende, in artikel 12
bedoelde bloedverwanten of aangehuwden, indien het een ongehuwde of van tafel
en bed gescheiden meerderjarige betreft;
d. Aan de curator, de voogd en de gezinsvoogd,
alsmede aan de raad voor kinderbescherming, in wiens ressort de minderjarigen
werd verzorgd en opgevoed;
e. aan de huisarts, aan wie tevens zo spoedig
mogelijk een afschrift wordt gezonden van de in artikel 35c. tweede lid
geneeskundige verklaring, zullen deze niet door hemzelf is afgegeven
Artikel 35f. Aan het gesticht, de inrichting of het algemeen
ziekenhuis waarin de in bewaring te stellen ingevolge artikel 35d is opgenomen,
¢ de burgemeester soos moet dicht mogelijk na de opneming een afschrift van de
in artikel 35c, derde lid, bedoelde verklaring. Dit afschrift wordt vermeld in en, zolang de betrokkenen in het
gesticht de inrichting of in het algemeen ziekenhuis verblijft, belaagd Bij een
afzonderlijke register, ingericht naar een door Ons vast te stellen model. Dit register wordt aan de Officier van
Justitie op hun belangen ter inzage gegeven
Aan de eerste
geneeskundige van het gesticht de inrichting dan wel de geneesheer-directeur directeur van het
algemeen ziekenhuis, zendt de burgemeester zo spoedig mogelijk na de opneming
een afschrift van de in het tweede lid van artikel 35c bedoelde geneeskundige verklaring.
Indien een in bewaring
gestelde wordt overgeplaatst, is artikel 25, tweede lid van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 35g. Ten aanzien
van iemand die ingevolge artikel 35d, in een gesticht, inrichting of algemeen
ziekenhuis verblijft, houdt de geneeskundige dagelijks aantekening van zijn
bevindingen. Van deze aantekeningen
wordt aan de inspecteur desverlangd inzage gegeven. Na beëindiging van de inbewaringstelling zendt de geneeskundige
een beredeneerd verslag aan de inspecteur.
De artikelen 28-30, 35a en 37-42 zijn van overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van iemand die ingevolge artikel
29, tweede lid, bedoelde ontslag slechts verleend, indien een zenuwarts
vertraagd dat vinden verplegen niet nodig is.
Een in bewaring
gestelde die nog niet overeenkomstig artikel 35d in een gesticht, inrichting of
algemeen ziekenhuis verblijft kan schriftelijk aan de burgemeester ontslag
verzoeken. De burgemeester zendt dit
verzoek zo spoedig mogelijk want Officier van Justitie, in wiens arrondissement
de in bewaring gestelde verblijft.
Artikel 35h. De Officier van Justitie heeft te allen
tijde toegang tot een in bewaring gestelde, die in zijn arrondissement
verblijft.
Artikel 35i. De Officier van Justitie in dienst arrondissement de in bewaring
gestelde verblijft, zendt de op deze betrekking hebbende bescheiden na
ontvangst uiterlijk de volgende dag, die niet is een zaterdag, zondag of
algemeen erkende feestdag, als bedoeld in de algemene termijnenwet, aan de
president van de rechtbank en vordert voortzetting van inbewaringstelling. De president beslist binnen drie dagen, in
hoogste ressort of de in bewaringstelling moet worden voortgezet.
Het
eerste lid vindt geen toepassing indien de in bewaringstelling reeds is
geëindigd. Een ingevolge dat lid reeds
gedane verordening komt dan te vervallen.
Alvorens
te beslissen hoort de president de in bewaring gestelde, tenzij naar zijn
oordeel uit de in artikel 35c, een op zijn verzoek door de inspecteur
opgemaakte verklaring blijkt dat de toestand van de in bewaring gestelde dit
zinloos of uit medische overwegingen om voor antwoord doet zijn.
De
president doet zich zoveel mogelijk voorlichten door personen uit de naaste
omgeving van de patient. Hij is bevoegd
getuigen en deskundigen op te roepen om te worden gehoord.
Is
een in bewaring gestelde, die moet worden gehoord, overgeplaatst naar een ander
arrondissement nadat de Officier van Justitie de in het eerste lid bedoelde
bescheiden aan de president heeft gezonden, dan wordt hij gehoord door de
president van de rechtbank in het arrondissement waarin hij verblijft; de
president wiens beslissing verzocht is, blijft bevoegd die beslissing te nemen.
Beslist
de president afwijzend, dan eindigt de in bewaringstelling door die beslissing.
Artikel 35j. De in bewaringstelling duurt ten hoogste drie weken na de
beslissing van de president, bedoeld in artikel 35i, eerste lid. Indien voor het einde van die termijn
machtiging tot plaatsing overeenkomstig de artikelen 12 en 13 is verzocht of
gevorderd, kan de president deze termijn ambtshalve met ten hoogste drie weken
verlengen. Wordt de machtiging verleend
voordat de termijn van een inbewaringstelling is verstreken, dan duurt de
inbewaringstelling ook na het einde van die termijn voort tot tenuitvoerlegging
van de machtiging, doch niet langer dan veertien dagen na de dagtekening der
machtiging.
Behalve
door het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijnen en door een
beslissing als bedoeld in het zesde lid van artikel 35i eindigt de
inbewaringstelling:
a. Door ontslag krachtens artikel
35g junctis de artikelen 28, 29 of 30;
b. Door afwijzing van een verzoek
of vordering tot machtiging.
Van
het eindigen van de inbewaringstelling, als bedoeld in het voorgaande lid
ondera, zendt het bestuur van het gesticht, de inrichting of het algemeen
ziekenhuis zo spoedig mogelijk bericht aan de inspecteur en aan de Officier van
Justitie, hoofd van het arrondissementsparket, binnen wier ressorten het
ziekenhuis gelegen is en aan de burgemeester door wiens zorg de in bewaring
gestelde was opgenomen. Van het
eindigen van de inbewaringstelling, als bedoeld in het voorgaande lid onder b,
zendt de griffier zo spoedig mogelijk bericht aan de inspecteur en aan de
burgemeester. De burgemeester wordt
tevoren telefonisch of mondeling op de hoogte gesteld.
De
burgemeester doet van het einde van de inbewaringstelling zo spoedig mogelijk,
telefonisch of mondeling mededeling aan de in artikel 35e, vierde lid, bedoelde
personen. Een schriftelijke bevestiging
wordt op zo kort mogelijke termijn gegeven.
Artikel 36. Met hechtenis van een dag tot zes maanden of geldboete van 50ct
tot ƒ600,-wordt gestraft
1
°. Vervallen
2
°. Vervallen
3 °. Hij die een krankzinnigengesticht opgericht zonder onze
onze vergunning of daarin krankzinnigen blijft verplegen nadat die vergunning
is ingetrokken;
4
°. Vervallen
Artikel 37. Met geldboete van 50ct tot ƒ300,-worden gestraft door bestuurders
van krankzinnigengestichten die:
1
°. Nalaten de vereischte kennisgeving
aangaande de opneming, verplaatsing, verlof, ontslag of overlijden van een
krankzinnige te doen aan het bevoegd gezag met inachtneming van de wettelijke
voorschriften;
2
°. Beide opneming van krankzinnigen
nalaten zich teT toen overleggen de bij de wet gevormde stukken;
3
°. Nalaten de in de wet genoemde
registers te houden overeenkomstig de wettelijke voorschriften;
4 °
tot een ontslag overgaan in strijd met de wettelijke voorschriften;
5
°. Nalaten, wanneer een verzoek om
ontslag is gedaan, het advies van den geneeskundige te vragen, zoals de wet
voorschrijft, of indien het advies niet toewijzend luidt, het verzoekschrift
met dat advies te zenden aan de Officier van Justitie.
Artikel 38. Met geldboete van 50ct tot ƒ300,-wordt gestraft:
1
°. Hij die nalaat aan het bevoegd gezag
met inachtneming van de wettelijke voorschriften te doen de in artikel 3 eerste
lid, voorgeschreven aangifte en het in artikel 26 voorgeschreven bericht;
2
°. De geneeskundige verbonden aan een
krankzinnigengestichten die na laat, met inachtneming van de wettelijke
voorschriften, aantekeeningen te houden
of te verzenden, of de verklaring en adviezen op te maken bij deze wet
voorgeschreven;
3
°. Hij die een verpleegden in een
krankzinnigengestichten belemmert zich schriftelijk te wenden tot de hoofden
der ministeriële departementen de in artikel 1 bedoelde inspecteurs en den
Officier van Justitie of een brief, voor den verpleegde bestemd en blijkbaar
van geen der genoemde autoriteiten afkomstig, achterhoudt.
Artikel 39. De bij de voorgaande artikelen strafbaar gestelde feiten worden
als overtredingen aangemerkt.
Artikel 42. De stukken vereischt tot de opneming, het
verblijf, de verplaatsing, het verlof en het ontslag van personen in en uit
krankzinnigengestichten, zijn vrij van zegel en worden voor zoover zij aan
registratie onderworpen zijn gratis geregistreerd.
Artikel 43. De artikelen 509 en 510 en het tweede lid van artikel 518 van het
Burgerlijk Wetboek zijn ingetrokken.
De
wet van 29 mei 1841 van het Burgerlijk Wetboek is ingetrokken.
Echter
gelden de krachtens die wetten
verleende rechterlijke machtigingen voor de termijnen daarin uitgedrukt.
De krachtens de wet van 29 mei 1841 erkende gestichten
voor krankzinnigen en bewaarplaatsen kunnen blijven bestaan, mits hun besturen
zich gedragen overeenkomstig de bepalingen der tegen woordigen wet.
Door
Ons kan aan die besturen een termijn worden verleend om hunnen inrichting in
overeenstemming te brengen met deze wet.
Binnen
zes maanden na het in werking treden deze wet wordt door Ons voor elke der
bestaande inrichtingen eene bepaling vastgesteld als bedoeld in artikel 8, 4 °
Aan bestuurders van gestichten of bewaarplaatsen onder
vigueur der wet van 29 mei 1841 bestaande, kan door Ons gedurende een tijdvak
van ten hoogste drie jaren worden vergund van artikel 7 alinea drie der
tegenwoordigen met af te wijken.
Artikel 44. Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten
en bevelen, enz.
W I L L E M
Uitgegeven 30 april 1884